dan _ja_. Gij kunt wel denken, als ik mijne wortelen eens gezien heb,
dat ik dan niet veel tijd zal hebben om met uwen zoon te kouten. Dus,
wees gerust. Tot namiddag.
Zoo haast M. Bielens vertrokken was, ging er eene blijde uitdrukking
over het gelaat van M. Fruyts. Als iemand, die met ongeduldige
haastigheid zich tot iets klaarmaakt, stapte hij heen en weder door
de kamer, nam uit deze kas een mes, uit dien bak eenen hamer, van de
schouwplaat een stel stempelletters, van den grond een draagbord,
daarbij een potlood en een geheel boek papier. Aldus, met zakken en
handen vol en een draagbord onder den arm, ging hij bij zijne vrouw
en vroeg den sleutel van den kelder. Maar zijne teedere echtgenoote
bezag hem met een paar oogen, die meer spotternij dan verwondering
deden gissen.
"Wat, sleutel!" riep zij. "Komen de Dahlia's nu reeds voor den dag?
Dan zal het weer een huis gaan worden gelijk eene hel. Gij zijt nu
nog al eenigen tijd bij uwe zinnen geweest; maar het gezaag en het
zottenspel gaan beginnen, eh? Dat staat daar als een uitverkochte
kramer. Ik zou beschaamd zijn!"
De gefolterde liefhebber stond van ongeduld te trappelen; hij sprak
met bevende stem:
"Den sleutel, zeg ik!"
"Nu, nu," antwoordde hierop de vrouw lachend, "bijt mij maar niet.
Dáár is de sleutel."
M. Fruyts rukte den sleutel met bitsigheid uit de handen zijner
vrouw, doch gevoelde zijnen toorn geheel wegzinken, naarmate hij zelf
in zijnen kelder zonk en zijne teerbeminde Dahlia's naderde. Ha! zijn
oog mag met wellust dwalen langs de planken, waarop zijne wortelen
geschikt zijn. Zie, zij dragen elk een getalmerk, op een looden
plaatje gestempeld; maar dit is niet voor den liefhebber gedaan; hij
kent de wortelen beter dan zijne kinderen; hij weet hunne namen en
voornamen, hunne geboorteplaats, hunne hoedanigheden, hunnen
ouderdom.
Weldra komt een weldoende droom een bedrieglijk floers over zijne
verbeelding werpen: zijn verrukte geest toovert vóór hem, in zijnen
halfduisteren kelder, de gansche verzameling, staande in vollen
bloei, in hoogste praal! Daar staat _Miss Colt_, de satijnen roos,
daar _Conqueror_, het fijn geplooid bruin fluweel; hier _Fireball_,
de gloeiende vuurbol, en de tweekleurige _Nonpareil_; verder de
gulden _Topaas_, de zilveren _Virgin Queen_ en de zwarte _Sambo_.
Duizende andere Dahlia's vertoonen zich in het verschiet; hunne
veelkleurige bloemen, als in een onmeetbaar dambord dooreengeschikt,
doen het oog van den ontheven liefhebber verdwalen. Het schijnt hem,
dat de zon eenen overvloed van hare rijkste stralen in zijnen
vochtigen kelder gestort heeft; hij voelt zich door eene streelende
lucht omvangen, door eenen verleidenden geur bewierooken. In één
woord, een Paradijs van ongekend zielsgenoegen is hem geschonken. O,
Dahlia, hoe mildelijk toch beloont gij uwen dienaar!
De droomende heer Fruyts bleef langen tijd onder deze verleidende
begoocheling. Eindelijk verging toch het toovertooneel; dan wierp hij
eenen fieren blik op een houten baksken, dat in eenen hoek van den
kelder, op de hoogste schab stond,--en sprak mompelend:
"Dáár, in dat houten baksken, ligt mijne _Striata Formosissima_ zoo
gerust op een bed van zemelen te slapen. _Striata Formosissima!_
edele bloem! Zij hebben gezegd, dat gij de _Striped perfection_ niet
zult overwinnen; maar zij kennen u niet. Zij weten niet, hoe uwe
bruine purperstrepen uit uw wit hart glinsterend stralen. Ja, zij
durven de doffe vlekken van _Striped perfection_ bij uwe
anjelierische bestreping vergelijken[55]. O, zij dwalen: de nijd
verblindt hen; maar gij zult u wreken, gij zult de medailles overal
wegrukken...."
Wij zullen M. Fruyts in zijnen kelder met zijne teergeliefde wortelen
laten, om eens bij zijne vrouw in de keuken te gaan. De jonge
verloofde van Bielens zoon was juist uit de stad te huis gekomen.
Daar zij voorbij de woning van haren toekomenden man gegaan was,
twijfelen wij niet, of hij had haar ter vlucht eenige woorden van
zijne komst getoetst; want niet zoodra had zij hare moeder gegroet,
of zij voegde er haastig bij:
"Moeder, Frans zal meteen komen, om aan vader nu bescheid te vragen.
Zult gij hem wat helpen?"
De goede vrouw bracht de hand streelend op het voorhoofd harer
dochter en antwoordde:
"Ja, ja, kind, laat mij maar doen. Als het vandaag niet gelukt, dan
komt het er nooit van. Uw vader is in eene goede luim: hij is bezig
met zijne Dahlia's uit den kelder te halen."
Dit nieuws scheen de dochter te verheugen.
"Ha!" riep zij uit, "dan mag ik trouwen na Paschen, eh, moeder?"
"Wel, kind, gij moogt zoo haastig niet zijn," merkte de vrouw
glimlachend op. "Gij zult lang genoeg getrouwd blijven,--wees daar
niet bang voor. Ik zeg toch niet, dat gij ongelijk hebt. Frans is een
eerlijk burgerskind; hij past op en heeft al eenen goeden trek op
zijn kantoor.--Gij hebt u beiden altijd braaf gedragen. Ja, ja, na
Paschen."
Een oogslag van dankbaarheid was 's meisjes antwoord. Zij zette zich
stil en overdenkend bij het venster neder; hare moeder ging voort
eenig klein huiswerk te verrichten. Weinig tijds daarna verscheen
Frans Bielens, gekleed als een jong heerken, tamelijk fraai van
gestalte en aangezicht en van een wakker voorkomen. Ternauwernood kon
men in hem eene lichte ontsteltenis bemerken; ja, het was met eenen
lossen zwier, dat hij de beide vrouwen groette en tot de moeder
zeide:
"Moeder Fruyts, gij weet wel, waarom ik hier kom. Mijne ouders zijn
tevreden; gij wilt mij ook wel met den naam van zoon vereeren: het
hangt dus van M. Fruyts alleen af, ons blijde en gelukkig te maken.
Heb de goedheid hem voor mij een oogenblik gehoor te verzoeken; ik
zou hem gaarne alleen spreken."
"Maar hoe haastig zijt gij beiden vandaag!" riep de moeder
schertsend. "Ik zie wel, dat gij het ijzer niet koud wilt laten
worden. Gij hebt gelijk, het is dat gij elkander bemint. Wacht een
weinig, ik zal M. Fruyts uit den kelder gaan roepen."
Zij naderde de kelderdeur en riep:
"Jan, gij moest eens boven komen: er is iemand om u te spreken!"
Een gemor, dat wel op een _ja_ geleek, antwoordde op haren roep. Zij
verstond het zoo en kwam terug bij hare kinderen, zeggende:
"Hij zal terstond komen."
Zij wachtten alle drie tamelijk lang, en niet zonder angst, op de
verschijning van den heer Fruyts. Eindelijk hooren zij in den kelder
een groot gerucht: het schijnt, dat men een paar ledige flesschen
tegen den muur aan stukken slaat; de schabben worden krakend van den
muur gerukt, en van den eenen kant naar den anderen geworpen. Het is
er in den kelder als eene hel in het klein, uit welke de stem van M.
Fruyts zich als de klagende stem eener gedoemde ziel doet hooren; in
grievende galmen klinkt de naam van _Striata Formosissima_ herhaalde
malen de keldertrap op, en komt als eene verwensching in de ooren der
bevende gelieven klinken.
Vrouw Fruyts wordt rood van toorn en springt vooruit, om haren man
over zijn breken in het haar te vliegen; doch hij verschijnt, en
hetgeen zij ziet, belet haar te spreken.
Eene schrikkelijke wanorde heerscht in den ganschen persoon van
Fruyts. Zijn haar staat in verwarring te berge op zijn hoofd; zijn
half hemd is uit zijn ondervest gerukt, waaraan men beseffen kan, hoe
hij in zijne borst moet gewroet hebben; zijne broek is bedekt met
slijkachtige aarde, en aan zijne zwarte klompen kleven nog de stukken
der Dahliawortelen, die hij in zijne woede vertrapt heeft. In de eene
hand houdt hij een houten baksken, uit welks holte hij spottend de
zemelen op den vloer stort; in de andere hand houdt hij met nijpende
kracht een stuk wortel, dat gebroken schijnt. Zijn gelaat! o, zijn
gelaat getuigt van de uiterste wanhoop:--de wenkbrauwen over de ogen
gezonken, de hoeken van den mond stuiptrekkend naar achter, en de
bloote tanden opeengesloten als van iemand, die bijten zal.... Met
schokkende stappen, als een treurspeler, komt hij vooruit en stuurt
zijn gezicht in het wilde rond.--De vrouwen staan verbaasd en
sprakeloos; het meisje met de handen tot den vader gericht; de moeder
met de handen dreigend in de lenden. Wat den jongeling betreft, deze
is verbitterd over den gekken toestand, in welken hij zich nu
geplaatst ziet. Gewis kan hij de oorzaak er van raden, want een
grimlach van ongeloof zweeft op zijn aangezicht. De vrouw begint de
verklaring van het voorgevallen ongeluk met deze snauw:
"Welnu, wat zal het worden, zot getrek! Zijt gij van zin ons op te
slokken?"
De vader werpt een doodenden blik op zijne vrouw, doch antwoordt
niet.
DE MOEDER.--Wel, hebt gij het van uw leven gezien met al uwe dwaze
grillen! Dat trekt een gezicht gelijk de kwade moordenaar. (_Zij
verzacht hare stem spottend_.) Daar is zeker een Dahlia'sken uit uwe
hand gevallen? Och arme!--Moet gij daar zoo een leven om maken? Voor
zulke vodden?
DE DOCHTER; _zij wil den arm haars vaders vatten_.--Och, vader, wat
is er gebeurd? Zeg het aan mij.
DE VADER; _hij stoot ze weg_.--Laat mij gerust! Spreek mij niet aan!
Uit mijne oogen! (_Hij ziet de kat bij de stoof liggen, en geeft haar
zulken geweldigen stamp, dat zij huilend de deur uitvliegt_.) Lomp,
lui beest! Gij tooverheks, ik zal u vermoorden! Nog geene twee dagen
of gij krijgt eenen steen aan uwen nek. Moet ik u daarom den kost
geven?
DE MOEDER, _met gramschap_.--Maar wat gaat u over, Dahlia's-zot?
Denkt gij hier in mijn huis alles overhoop te zetten en baldadigheden
te doen? (_Zij komt met de handen op de heupen voor hem staan en
snauwt hem toe_.) Zijt gij van zin er uit te scheiden met die
belachelijke komedie, of ik zal u eens aan de deur zetten, hoort gij
het?
Deze bedreiging stilde den heer Fruyts een weinig, want hij vreesde
zijne vrouw uitermate. Met dezelfde kunstmatige stappen wandelde hij
sprakeloos door de kamer, terwijl de twee vrouwen en de jongeling het
oogenblik zijner verkoeling afwachtten. De ongelukkige liefhebber
sloeg zich van tijd tot tijd met de hand voor het hoofd, en scheen
aan de bitterste zielsfolteringen te zijn overgeleverd. Dan, hij kon
echter zijne woede en zijn lijden niet langer in zijnen boezem
besloten houden, en, den jongen Bielens dreigend beziende, viel hij
uit:
"En wat komt gij in mijn huis doen, pennelikker? Gij komt zeker
vermaak scheppen in het leed dat uw vader mij aangedaan heeft? Maar
ik zal uwen lekkeren vader wel vinden. Hij zal geenen enkelen Dahlia
in zijn hof houden, al moest ik dieven betalen om ze te gaan aan
stukken stampen."
DE JONGELING, _met spijtige kalmte_.--Ik weet niet, Mijnheer Fruyts,
dat mijn vader u ooit misdaan hebbe: gij waart gisteren nog goede
vrienden!
DE VADER, _bitsig_.--Vrienden? Ja, ik dank je voor zulke
verraderlijke vrienden, die een mensch alle soorten van verdriet
aandoen.
DE JONGELING.--Maar wat groot kwaad heeft mijn vader u gedaan,
Mijnheer Fruyts?
DE VADER.--Wat? wat? Heeft hij verleden jaar al mijne beste Dahlia's
niet doen sterven--uit nijd, uit afgunst? En heeft hij de medaille,
die hij won, niet van mij gestolen, zeg?
DE JONGELING, _verwonderd_.--Mijn vader heeft uwe Dahlia's doen
sterven? Dit wist ik niet.
DE VADER, _met klimmende woede_.--Ja: heeft hij mij niet gezegd, dat
ik mijne beste Dahlia's op paardenmest moest planten?--En is het
zijne schuld niet, dat de veenmollen ze hebben afgebeten?[56]
DE JONGELING.--Als gij het zoo hebben wilt, dan zal ik ja zeggen;
maar gij weet het, mijn vader is gevaren gelijk gij: de veenmollen
hebben zijne Dahlia's ook afgebeten.
DE VADER, _bulderend_.--Treken! Treken! Met welke Dahlia's heeft hij
dan de medaille gewonnen, zeg?--Valschheid en bedrog, ja! Maar dit
was al lang vergeten. Hetgeen mij heden is overgekomen, dat zal hij
mij duur betalen. En zeg hem maar:--van nu af aan geene vriendschap
meer; en gij, die den stille en den fijne zoo uithangt, kunt ook maar
uit mijn huis blijven.--Als mijne dochter u nog durft aanspreken,
steek ik ze voor haar leven lang in een klooster. (_De dochter begint
te weenen_.)
DE MOEDER, _met spotternij_.--Maar hoe kan een mensch van
vijfenveertig jaar toch zoo zagen!--Wanneer zullen wij nu eens weten,
wie er dood is?
DE VADER.--Ja, gij venijnig wijf, gij spot altijd met mijn verdriet.
Dat weet _ik_, wat er gebeurd is, en ik zal het niet gauw vergeten.
Tien jaren verkorting van mijn leven!
DE JONGELING.--Nu, Mijnheer Fruyts, zeg mij toch eens, wat nieuw
ongeluk mijn vader u veroorzaakt heeft?
DE VADER, _in den uiterste toorn. Er komt een traan in zijne
oogen_.--Ja, uw valsche vader wist, dat ik eene Dahlia had, gelijk er
geene in honderd uren in het rond is. Dit benijdde hij weer, omdat
hij wel kon denken, dat ik dit jaar de medaille zou winnen.... Maar,
o schelmerij! (_Hij geeft aan zijne stem een fleemenden toon_.) Jan,
zegt hij met eenen loozen treek, Jan, leg uwe _Striata Formosissima_
in eenen bak met zemelen; dan zal zij goed droog blijven.--En wat is
er geschied?--Zie, ik kan mijne gramschap niet bedwingen....
DE VROUW.--Welnu, wat is er geschied, zageman?
DE MAN, _met droefheid_.--Wat er geschied is! Luister, wat
verraderij! De ratten zijn naar de zemelen gekomen, en als die meest
opgegeten waren, hebben zij mijne _Striata Formosissima_ ook
opgeknabbeld. Weet gij het nu?
DE VROUW, _hem uitlachende_.--Wel, wel, is het anders niet? Blijven
er geene dooden? Geene armen of beenen gebroken? Moet gij daarom zoo
te werk gaan en de geburen doen zeggen dat de ratten het huwelijk
uwer dochter overgebeten hebben?
DE VADER.--Anders niet, anders niet! (_Tot den jongeling_.) Mijn huis
uit, flierefluiter.--Gauw!
DE DOCHTER, _weenend_.--Och, vader lief, jaag hem niet weg! Gij hebt
beloofd, dat wij mochten trouwen.
DE VADER.--Trouwen? Met den zoon van mijnen grootsten vijand,--met
den valschaard, die mijne _Striata Formosissima_ aan de ratten
overgeleverd heeft? Trouwen? Nooit! Dan geef ik u nog liever aan den
bult van Okeren.
DE MOEDER.--Hoor, het heeft nu lang genoeg geduurd. Ik zal er eens
kort spel mede maken. (_Zij vat haren man bij den schouder en zet hem
ten huize uit. Zij sluit de deur toe_.)
M. Fruyts bleef eenige oogenblikken vóór de deur staan; doch ziende,
dat ze voor goed gesloten was, begaf hij zich met wankelende stappen
naar de plek gronds, waarop hij zijne Dahlia's voornemens was te
planten. Hij hield nog altijd het stuk wortel van zijne _Striata
Formosissima_ in de hand, en wrong het stuiptrekkend tusschen zijne
gespannen vingeren. Zijn hoofd hing krachteloos op zijnen schouder;
zware zuchten ontsnapten zijner borst. Bij de Dahlia's-plek gekomen,
overstaarde hij nog eens dien grond en sprak tot het stuk wortel,
dat hij onder zijn gezicht bracht:
"_Striata Formosissima_! bloem der bloemen, ik ben u kwijt! Ik zie
mijne vijanden lachen en met spotternij in de handen klappen. Geene
medaille zal ik hebben; al mijne hoop is met u vergaan. O, hadden de
ratten geweten, dat iedere beet, dien zij u toebrachten, een beet in
mijn hart was! Hadde ik het kunnen voorzien, ik hadde mijnen kelder
opgevuld met kaas en vleesch om de verslindende dieren te verzadigen.
Maar te laat is dit beklaagd,--gij zijt voor mij verloren. O ramp!"
En met eene hoekige beweging wierp hij, als eene maledictie, het stuk
wortel over het wijde veld.
Den ganschen dag wandelde de heer Fruyts, zonder hoop en lijdend,
door de paden van zijnen hof; ja, zoover verdwaalde hij, dat hij dien
dag weigerde te eten, iets, wat hem nog nooit was geschied. Al de
gebeden zijner dochter, al de berispingen zijner vrouw hadden geene
macht genoeg om hem in huis en bij het vuur te doen komen.
Tegen het vallen van den avond zat M. Fruyts op eene houten bank te
midden van zijnen hof. De koude deed zijne ledematen beven en zijne
tanden klapperen. In deze gesteltenis begon hij eenig naberouw te
gevoelen over de barschheid, met welke hij zijne dochter en den
jongen Bielens behandeld had; doch de gedachte, dat men hem onder de
Dahlia's-liefhebbers zou uitlachen, kwam hem telkens opnieuw
bedroeven. Zijne woede ontvlamde met nieuwe kracht, toen hij, het
hoofd opheffende, den jongen Bielens met een paksken onder den arm
tot zich zag komen.
Hij bracht de hand snokkend vooruit als iemand, die wil zeggen:--de
deur uit, gauw!--maar de jongeling naderde stoutelijk en rijkte hem
een gevouwen briefje toe. Ongeduldig nam de heer Fruyts dit van hem
aan en ontvouwde de plooien met eenen spottenden grimlach.
Maar, hemel! wat straal van licht verlevendigt het gelaat van M.
Fruyts? Wat roode kleur verft zijne wangen? Waarom die blijde zucht,
die zijne borst ontvliegt? Gewis, dit briefje behelst eene vroolijke
tijding.--Hij leest:
"Ik ondergeteekende, Bloemenkweeker bij Antwerpen, verklaar dat ik
heden aan den heer Frans Bielens eenen wortel geleverd heb van de
echte _Striata Formosissima_."
Het handteeken was van den vermaardsten en geloofwaardigsten
bloemenkweeker.
"Gij bezit eenen wortel van de _Striata Formosissima_!" riep M.
Fruyts in verrukking uit. "Bedriegt gij mij niet? Neen, neen, het is
waarheid! Laat zien dien wortel!"
Hij nam het paksken uit de handen van den jongeling, rukte het papier
en het mos er af en betastte den wortel aan alle zijden met eenen zoo
zoeten glimlach, dat het genoeg te zien was, wat vermaak hij in deze
betasting vond.
"O, het is een wortel," mompelde hij, "ja, eene _Striata
Formosissima_."
Eene invallende gedachte versomberde zijn gelaat.
"Welnu," zuchtte hij, "gij zijt gelukkig, Frans, dat gij die Dahlia
hebt, gij kunt er zoovele medailles mede winnen als gij begeert."
"Ik?" sprak de jongeling. "Neen, Mijnheer Fruyts. Ik wist dat de heer
V---- sedert vier dagen een wortel van de _Striata Formosissima_
gekregen had. Daar hij mijn vriend is, heb ik niet over den goeden
uitslag mijner pogingen gewanhoopt. En gij ziet hoe gelukkig ik was.
De heer V---- heeft mij zijnen eenigen wortel afgestaan. Niemand
bezit hem nu in de omstreken, misschien niet in België, dan ik
alleen. Zoudt gij hem van mij willen aanvaarden, als een bewijs
mijner mededeeling in uwe droefheid?"
Een zeldzame gil bonsde uit den lang benepen boezem van M. Fruyts;
hij deed eenen stap vooruit, greep den wortel aan en hield hem met de
eene hand tegen zijn hart, terwijl hij met de andere den jongen
Bielens naar het huis voorttrok. Hier zat de dochter bij de stoof te
weenen, dat de tranen van hare wangen biggelden. Vrouw Fruyts rustte
met het hoofd op de hand; haar aangezicht was verre van aantrekkelijk
te zijn en scheen tot haren man te willen zeggen:--"Zijt gij daar,
flauw bescheid?" Maar hij, in zijne vreugde daarop geene acht
gevende, hief den wortel boven zijn hoofd en riep zegepralend:
"Hoera! Hoera! Ik heb mijne _Striata Formosissima_ weer! Toe, vrouw!
laat ons alles vergeten, en zie toch zoo zuur niet meer. Haal al gauw
eene goede flesch uit den kelder,--van het patersvaatje! En gij,
mijne lieve Trees," sprak hij, zijne dochter bij de hand vattende,
"vergeef mij ook, mijn kind, dat ik zoo boos ben geweest.--Kom hier,
Frans, mijn zoon!"
Hij legde de hand zijner dochter in die van Frans en riep:
"Vivat _Striata Formosissima_! Leeft lang en trouwt na Paschen!"
VOETNOTEN:
45: Een gewichtig verdrag tusschen België en Holland.
46: Dianthus Caryophyllus.
47: Lychnis Dinica.
48: Aquilegia--Paeonia--Dianthus barbatus--Digitalis
pupurea--Cheiranthus--Astrantia--Campanula--Anthirrinum--Lilium--Primula
Auricula.
49: Galanthus Nivalis.
50: Dit beteekent, dat de plant onbestendig is en vele
mismaakte bloemen geeft. ZIJ DOET HET wil zeggen, dat hare bloemen
komen, zooals zij zijn moeten.
51: Allerschoonste gestreepte.
52: Dit is een fraai weder.
53: Een dorp bij Antwerpen, waar talrijk
Dahlia's-liefhebbers wonen.
54: _Boeturen_ beteekent: jonge Dahlia's kweeken bij middel
van scheuten, die men van de wortelen afsnijdt.
55: Bij de bestreping van den Dianthus Caryophyllus of
Anjelier, te Antwerpen GINOFFEL genaamd.
56: Het is onder de hoveniers bekend, dat de veenmol
(Grillotalpa) zich bij voorkeur nederzet in de gronden, die met
paardenmest gevet zijn.
EINDE