AL DE LEERLINGEN.--Hoera! Hoera!--Pakt hem!--Hoe na of ik had hem!

Hier, daar, pst! pst!

(_Zij werpen met klakken en cahiers naar den kever. Alles geraakt het

onderste boven in de school. Vr. Van Laer, die voor de kevers

schrikt, weet niet, waar zich te bergen. Tot overmaat van ongeluk

vliegt de kever haar in het haar._)

VR. VAN LAER, _met bange stem_.--Och! och! meester, verlos mij van

dat ongediert of ik krijg er iets van. Foei, foei, het is venijn!

(_De meester neemt den kever van haar hoofd_.) Ai, mij! daar houd ik

eenen schrik van. Het zinkt altemaal in mijn' beenen. Wel, meester,

wat beklaag ik u,--wat moet gij al uitstaan van die deugnieten. Dat

het de mijne waren, ik zou ze anders leeren dansen.

DE MEESTER, _met gramschap rondziende_.--Ik zal u straks spreken!

(_Stilte_.) _Allons_, Victor, vermaak nu eens eene pen. Eerst op

haren rug, dan op haren buik ... zooals ik u gezegd heb. (_Hij geeft

eene pen en een pennemes aan Victor_.)

VICTOR, _met ongeduld_.--Weet ik nu haren buik, eh? Waar is nu haar

buik?

DE MEESTER.--Snijd er maar stoutelijk door, Victor.--Geef ze maar

eene goede snee.

(_Victor snijdt met drift, doch in stede van de pen den bek af te

snijden, geeft hij zich zelven eene diepe snede in den vinger en laat

zich huilend achterover vallen. Hij bloedt sterk._)

VR. VAN LAER, _bleek van schrik en angst. Zij neemt Victor in hare

armen_.--Och God! och Heer! Mijn arm kind is dood.--Ziet eens wat

snee. (_Zij beziet den verbaasden meester met woede_.) Meester

Verdonck, ik weet niet, hoe gij niet beschaamd zijt om dit kind een

mes in zijne hand te geven. Daar moet gij toch bot voor zijn.--Dis is

uwe schuld....

DE MEESTER, _met spijt_.--Hij kon toch geene pen vermaken zonder mes,

madam.

VR. VAN LAER.--Zonder mes! Zonder mes! Gij zijt nog veel dommer dan

al die onbeleefde luieriken, die gij daar hebt zitten ... met uwen

rug en uwen buik! Maar ik zal er wel op passen, mijn kind te laten

bederven in zoo een nest. Hij zal naar eene andere school gaan. (_Zij

heeft al sprekende haren zoon een doeksken om den vinger gewonden_.)

Kom aan, Victor.--Kom naar huis, mijn kind.

DE MEESTER.--Maar, madam, gelief....

(_Vr. Van Laer vertrekt. Victor bij de deur zijnde, keert zich nog

eens om en steekt zijne tong spottend tot de meester uit_.)

DE MEESTER, _pijnlijk en met diepe droefheid tot den

leerlingen_.--_Eh bien_, serpenten dat gij daar zijt! Schorpioenen!

_Trêtert_[41] mij dood ... toe, spaart mij niet.... Drie

bloedspuwingen en eene tering op de long ... dat is nog niet genoeg,

niet waar?--Geeft mij nu nog eene geraaktheid,--maakt mij lam aan

armen en beenen! Dan zult gij blij zijn, eh, hartvreters? Dan zult

gij lachen, eh, monsters? (_Hij bedaart een weinig en zegt met

neerslachtigheid_:) Hoe kunt gij toch zooveel verdriet toebrengen aan

dengene, die zijn leven als een slaaf doorbrengt, om u te onderwijzen

en u eens waardige en nuttige leden der samenleving te maken?--Hebt

gij geen medelijden met uwen armen meester, die zich ziek schreeuwt

om u te leeren....

EDWARD, _schreeuwende_.--Meester! meester! Piet heeft een' vlieg met

een strooiken aan heur gat!

DE MEESTER, _stampvoetend en met wanhoop_.--Ja, ja, ik weet het wel,

gij lacht met mijn verdriet ... gij zijt zoo ongevoelig als de

steenen van de straat ... ondankbaar, lomp, lui, dom,--een hoop

ezels,--zoo bot als visschen. Nagels van mijne doodkist!... (_hij

hoest twee of driemalen met pijn_.) Ja, nagels van mijne

doodkist;--want ik gevoel wel, dat gij mij onder den grond zult

krijgen, moordenaars! (_Hij haalt zijn uurwerk uit den zak. Het wijst

tien uren en een half; doch om zijn geweten te voldoen, zet hij het

op elf uren_!) Het is elf uren.--De school is uit!

(_De leerlingen springen over banken en tafels met ongemeen

gedruis_.)

DE LEERLINGEN, _van alle kanten roepende_.--Hoera! Hoera! De school

is uit!--Wie speelt er mee broekstavast?--Wie doet er mee in d'O? Wie

heeft er marbollen? Wie doet er mee Gorie, Gorie?[42]

DE MEESTER, _zijne deur toesluitende en het hoofd

schuddende_.--_Aures habent et non audient_! Alweer twee leerlingen

kwijt! Preek dan al voor dit gespuis!

VOETNOTEN:

29: _Lawijd_. Gerucht.

30: _Pennekepik_. Ieder brengt ééne of meer pennen in het

spel; men steekt of pikt er beurteling naar met een pennemes. Wie

eene pen aanpikt, wint ze.

31: _Aarzak_. Bedrieger, krakeelzoeker.

32: Goedkeuring of goede noot.

33: Schrijfboek.

34: _Okentrek_. Men schrijft een getal okens kegelwijs

nevens elkander. De speler moet, op aanwijzing van zijnen makker, al

de O's met liniën verbinden, zonder ooit eene neergeschrevene linie

te mogen raken.

35: Straten in het gemeene kwartier te Antwerpen.

36: Des middags niet mogen naar huis gaan. _Bakken_, voor

straffe later dan de anderen op de school moeten blijven.

37: Men klooft eenen krieksteen in tweeën. Met deze

schoteltjes werpt men als met teerlingen. Vallen beide met de bolle

zijde naar boven, dan heeft men _klontjen-trek_, en men trekt een

getal krieksteenen uit den inzet. Vallen ze integendeel met de holle

zijde naar boven, dan heeft men _witbier-zet_, en men is verplicht

een getal krieksteenen in te zetten.

38: Een oud schoolboek.

39: _Frank_, Vrijpostig, stoutmoedig, onbeschaamd.

40: Een Meikever of Molenaar.

41: Plagen, tergen.

42: Verschillende kinderspelen.

DE KWADE HAND

VERHAAL

Inderdaad, gebuur, het is waar: er gebeuren niet zelden dingen, die

het menschelijk verstand te boven gaan,--voorvallen, die alle

wetenschappelijke kennis beloochenen, en ons tegen onzen wil doen

droomen van onzichtbare geesten en van eene geheime en onbekende

macht. Zoo wil ik u iets verhalen, waarvan ik ooggetuige was, en dat

op mijne verbeelding eenen onvergankelijken indruk gelaten heeft.

In het jaar 1834 woonde te Borgerhout[43] eene weeze van omtrent

achttien jaar, Theresia genaamd. Zij was zoet en stil van aard, won

het dagelijksch brood met kleermaken en woonde alleen op eene

gehuurde kamer. Haar fijn gelaat droeg al de kenmerken van gezondheid

en van levensvreugd; haar eerbaar gedrag en blijde inborst deden haar

van iedereen beminnen; en daar zij zeer arbeidzaam was en dus eenen

schoonen stuiver won, achtte zij zich met recht onder de gelukkigsten

der aarde.

Een ongeloofelijk voorval kwam eensklaps van dit jeugdig en vroolijk

meisje een beklaaglijk en rampzalig schepsel maken. Dit vertelde zij

bijna in dezer voege. Zij was op zekeren dag naar Berchem[44] gegaan,

om er in dagloon vrouwenkleederen te maken en ander naaiwerk te doen.

Tegen den avond, tusschen licht en donker, was zij op de baan, om

langs de binnenwegen huiswaarts te keeren. Zij spoedde zich zeer;

want de lucht betrok met zwarte wolken, en de duisternis scheen

onverwachts haar te zullen overvallen. Het was dien dag stikkend heet

geweest, en alles deed nu vreezen, dat een schrikkelijk onweder ging

losbarsten; des te meer, daar eenige walmende bliksems reeds bij

poozen de verte verlichtten. Theresia was niet van de stoutsten; de

doodsche stilte, die over de velden heerschte, dit akelig oogenblik,

dat als de verstomdheid der bange natuur het nakend onweder

voorafgaat, al deze schrikverwekkende teekens deden haar het hart

angstig jagen en zij verdubbelde hare stappen.

Op eens sprong een zuchtende bliksem de wolken uit, en een bulderende

donder schokte den grond. Theresia bleef staan en sloeg zich in de

uiterste benauwdheid de handen voor de oogen; maar zij verschrikte

nog meer, toen zij dicht bij zich eene zonderlinge stem hoorde, die

haar vroeg wat uur het was. Het bange meisje liet hare handen vallen

en blikte met afgrijzen op een leelijk oud wijf, dat lachend voor

haar stond en weder vroeg:

"Welnu, dochter, wat uur is het?"

Zonder overdenken en gansch verdwaald, antwoordde Theresia:

"Acht uren."

Eene uitdrukking van gramschap kwam het berimpeld gelaat van het oude

wijf betrekken, en zij riep als met booze spotternij:

"Zoo, gij zijt ook van die, welke de oude, grijze menschen voor den

zot houden! Gij doet niet wel, dochter, met na de negen uren langs

deze baan te gaan. Gij weet niet wat u kan overkomen!"

Dit zeggende, klopte zij driemaal op den rechterschouder van Theresia

en ging haren weg--Onder de aanraking van het oude wijf werd het

ontstelde meisje ijskoud: zij voelde eene onbegrijpelijke huivering

over haar lichaam rijzen en haar hart als tusschen eenen band

klemmen.

Bevend en roerloos stond zij reeds eenige oogenblikken als verstomd

op dezelfde plaats, vóórdat haar de gedachte inviel het oude wijf op

het hoofd te slaan, om de kwade hand, die zij vreesde, te breken;

maar nu was het wijf reeds zooverre in een duister pad gevorderd, dat

Theresia haar niet dorst te volgen, te min daar een nieuwe donderslag

de wolken openscheurde, en de regen in stroomen over de velden

stortte.

Doornat en bijna stervend van schrik, geraakte Theresia eindelijk in

hare woning, ontkleedde zich en ging te bed liggen.

Des anderen daags, op den middag, kwam iemand der huisgenooten om

haar tot den maaltijd te roepen; maar niet zoodra had hij eenen voet

in het vertrek geplaatst, of hij deinsde met eenen naren schreeuw

achteruit, liep de trappen af en viel te midden van het huisgezin,

roepende:

"Theresia is dood!"

Op dit zeggen stonden twee mannen en drie of vier vrouwen van de

tafel op en klommen naar boven. Bij het eerste gezicht duchten zij

insgelijks een lijk te zien; doch bij het bed genaderd zijnde,

begonnen zij aan dit ongeluk te twijfelen. Theresia lag, wel is waar,

roerloos; hare eene hand scheen wel zoo slap als een koord nevens de

bedsponde neer te hangen; haar gelaat was wel doorschijnend als glas

en van gele kleur; maar hare oogen waren open en, alhoewel

afgrijselijk glinsterend, toch levend en niet gebroken. Een der

bijzijnde mannen wilde den neerhangenden arm op het bed leggen; dan,

hij verschrikte niet weinig daar hij dezen arm zoo stijf en zoo

onbuigbaar als ijzer vond. Niettegenstaande het lichaam van Theresia

al de kenteekenen des doods droeg, was er nochtans een onuitlegbaar

gevoel in de harten der omstanders: geen enkele achtte zich

verzekerd, dat het jonge meisje uit de wereld gescheiden was;

integendeel, allen hielden voor vast, dat zij nog leefde, alhoewel

zij doof bleef voor alle geroep en gevoelloos voor nijpen en

schudden.

Ondanks alle pogingen der geneesheeren, bleef Theresia in dien staat

gedurende twee dagen en twee nachten. Op den slag van het

achtenveertigste uur ontwaakte zij vanzelve. Wreef eene wijl aan hare

oogen, als iemand, die geslapen heeft, bezag als verbaasd hare kamer

en de omstaande personen, en bogen dan in eens zoo overvloedig tranen

te storten, dat al degenen, die het zagen, met haar uit medelijden

weenden.

Iedereen sprak haar aan met troostende woorden en vroeg, hoe haar die

onbegrijpelijke kwaal overkomen was; maar zij begon telkens nog

bitterder te weenen en antwoordde niet. Na lange ondervragingen van

den dokter, riep zij eindelijk met eenen snijdenden zucht:

"O, bid voor mij: ik ben betooverd!"

Weinigen geloofden aan dit gezegde. Ik zelf, die het hoorde, achtte

deze woorden eene ijdele dwaling van eenen zieken geest. Maar het

verhaal harer ontmoeting met het oude wijf gaf ten minste aan alle

bijzijnde personen, behalve aan den dokter en aan mij, de

overtuiging, dat zij inderdaad betooverd was.

Wat hier ook van zij, het vervolg scheen hare schrikkelijke gedachte

te bevestigen. Gedurende vijf jaren bleven hare oogen even

glinsterend, hare wangen even geel en glasachtig. Geene andere

verandering bemerkte men in haar dan eene altijd toenemende

vermagering des lichaams, en al vroeg begon elkeen te zien, dat de

dood het betooverde meisje met een rood kruis geteekend had en

welhaast om zijn slachtoffer zou komen. Alle jaren, op den dag en het

uur harer ontmoeting met het oude wijf, overviel haar plotseling eene

slaapziekte, die, als de eerste, telkens achtenveertig uren duurde.

In deze zonderlinge kwaal moest zij ijselijke dingen hooren, zien en

lijden; dit kon men genoeg uit eenige afgebrokene klachten en woorden

vermoeden; maar noch beloften noch bedreigingen konden haar doen

zeggen, wat zij dan voelde of zag. Een geheim en voor haar

schrikkelijk geweld dwong haar tot stilzwijgen over dit punt. Zij

vertelde echter aan wie het hooren wilde, dat zij alle nachten, op

slag van twaalf uren, hare deur hoorde opengaan en de oude tooverheks

zag verschijnen; dat deze booze vrouw, bij het bed genaderd zijnde,

op haar lichaam klom en haar tot één uur met de knieën de borst te

pletten duwde, dat leven en gevoel haar van pijn ontgingen, zonder

dat zij schreeuwen kon of opstaan.

Eens hadden twee vrouwen, die aan deze verschijning niet geloofden,

de stoutmoedigheid genomen, om bij haar bed te waken, terwijl zij

sliep. Zij zagen de tooverheks niet: maar op slag van twaalf uren

ontsloot de slapende hare blinkende oogen en begon zweetend en met

een schrikkelijk gorgelgeluid tegen een onzichtbaar voorwerp, dat op

hare borst liggen moest, te worstelen en te vechten, en een zoo

akelig gelaat te krijgen, dat de twee vrouwen van benauwdheid de

kamer waren ontvlucht.

Het gedurig en onuitsprekelijk lijden belette Theresia niet haar

gewoon handwerk te doen. Dezen toestand zag zij aan als haar

onwederroepelijk lot, en alhoewel zij de geburen liet begaan met

geneesheeren en middelen voor hare kwaal te zoeken, scheen zij zelve

onverschillig aan deze pogingen te blijven. Men begrijpt wel, dat

alle kwakzalvers en alle bezitters van geheimen tegen tooverij hier

waren geraadpleegd geweest. Men had alle soorten van woorden, in

bekende en onbekende talen, over de zieke dochter gesproken; zij was

met eene levende padde in hare hand gaan slapen; zij had twee

doodsbeenderen over kruis aan haar voeteneinde gelegd; onder haar

hoofdkussen had eene huif, waarmede de kinderen somtijds geboren

worden, een halfjaar lang gelegen, en nu nog droeg zij op hare borst

een stuk galgekoord, waaraan een moordenaar gehangen had. Dit alles

hielp echter niets:--de tooverheks ging voort met alle nachten het

ongelukkige meisje onder hare knieën te pletten en te martelen.

Op het einde van 1839 was Theresia reeds zoozeer vermagerd en

uitgeput, dat zij met moeite nog staan kon en dat elke dag haar

laatste dag scheen te zullen zijn. Zij had nu geheel het voorkomen

van een gekleed geraamte gekregen; hare wangen waren hol, hare

glinsterende oogen achteruitgezonken en hare lange vingeren geleken

zoovele ratelende beentjes.

Omtrent dien tijd hoorden de geburen door eene boerin zeggen, dat er

tusschen Zoersel en Schilde, te midden der heide, een stokoud manneke

woonde, dat macht had over alle tooverij en van alle kwade handen en

verwenschingen kon verlossen. Zij verhaalde, hoe hij hare koeien

onttooverd had; hoe hij de kwade hand van het kind haars broeders had

gelicht, en meer andere wonderlijke feiten, die de gebuurte deden

besluiten nog eens te beproeven, of deze man de zieke Theresia niet

helpen kon.

Men zond iemand naar Schilde, om den grijsaard te halen, en deze

kwam, na lang praten en smeeken, met den bode naar Borgerhout. Hij

was, gelijk alle zeventigjarige menschen, kromgebogen, met wit haar,

ingevallen wangen en diep gezonken oogen. Nochtans, er blonk ene

zekere edelheid op zijn gelaat, en iets slims was er op te lezen.

Zijn gang was traag, zijne stappen gemeten en zijn gezicht

onophoudend ten gronde gevestigd.

Wanneer hij in de kamer der zieke Theresia stapte, bevonden zich

daarin eenige oude vrouwen en ik zelf. Het kwijnende meisje ontstelde

zich niet bij de komst van den nieuwen wonderdoener en bezag hem met

onverschilligheid en ongeloof. Hij, zonder op haar te letten, ging

beurtelings in elken hoek der kamer eenige onverstaanbare woorden

mompelen, nam twee brandende stukken hout uit den haard, legde ze

over kruis voor de deur en ging dan eerst voor het meisje staan. Haar

eene wijl in de oogen gestaard hebbende, begon hij de volgende

ondervragingen met zonderlinge stem:

"Dochter, er is eene kwade hand aan u?"

"Ik weet het wel, man."

"Hebt gij niets op uwe _conscientie_?"

"Och neen, ik ga alle maanden te biechten."

"Hebt gij u zelve nooit verwenscht of vermaledijd?"

"Nog veel minder."

"Weet gij niet, of uw vader of uwe moeder u ooit verwenscht of

vermaledijd hebben?"

"Ik weet het niet; zij beminden mij zeer en zijn heel vroeg

gestorven."

"Hebt gij nooit eene zwarte kat gestreeld?"

"Neen."

"Hebt gij nooit te middernacht op eenen kruisweg gestaan?"

"Nooit."

"Dan zult gij waarschijnlijk gelijk hebben met te denken, dat het

oude wijf u betooverd heeft."

"O, daar ben ik zeker van."

"Wilt gij verlost zijn?"

"Moet gij dit vragen?"

"Antwoord mij!"

"Ja, ik wil verlost zijn."

De grijsaard ging hierop stilzwijgend bij het vuur op zijne hurken

zitten, en blikte stijf in de dansende vlammen, terwijl hij met eenen

onzichtbaren geest scheen te spreken.

Onnoodig zal het zijn, u den angst en de benauwdheid der bijzijnde

vrouwen af te schetsen: allen waren bleek en bevend, en zij bezagen

elkander met ondervragend en verstomd gelaat. De vreesachtigsten

zouden wel gaarne de kamer verlaten hebben; maar geene zou het hebben

durven wagen, over de brandende kruishouten te stappen, vermits zij

wisten, dat eene tooverheks daarover onfeilbaar den hals breekt.

Ondertusschen was de kamer vol rook geraakt; de arme wijven

verstikten, het zweet brak hun uit van het geweld, dat zij deden, om

niet te hoesten.

Eindelijk, na een vierendeel uurs, stond de oude man op: en weder

voor het meisje komende, begon hij dit gesprek:

"Dochter, nu ken ik uwe kwaal en degene, die de kwade hand op u

gelegd heeft."

"Is het de oude tooverheks, of niet?"

"Het is de oude tooverheks."

"O, ik weet het wel."

"Ik kan u verlossen, maar alleen door een gevecht om leven en dood.

Zeg mij, indien gij stierft, terwijl ik pogingen doe om de kwade hand

van u te lichten, zoudt gij mij dit in het laatste oordeel verwijten?

Zoudt gij dit op mijne ziel leggen?"

"Och, neen, ik moet toch sterven, als gij mij niet verlost."

"Is dit uw goed woord?"

"Ja."

De oude man keerde zich dan naar de benauwde vrouwen en sprak:

"Wenscht gij allen, dat deze dochter verlost worde? Welnu, ik kan dit

werk volbrengen; maar om het uit te voeren, heb ik iets noodig, dat

ik niet vinden kan, dan op het kerkhof van een dorp in het land van

Waas, over de Schelde. Ik zou de reis wel uit mijnen eigen zak kunnen

doen, maar zij moet geschieden met geld, dat er opzettelijk voor

gegeven wordt."

"Maar," vroeg hierop een zeer oud wijf, dat misschien ook al met

zwarte kunsten had pogen om te gaan, "maar mogen wij niet weten, wat

gij hebben moet? Wij zouden het u misschien wel kunnen bezorgen."

"Onmogelijk!" viel de grijsaard in. "Ik moet mos hebben, dat gegroeid

zij op een honderdjarig doodshoofd. Waar zoudt gij dit halen? Ik weet

in het Waasland een dorp, waar een zeer oud beenderhuis staat, en

waar honderdjarige bekkeneelen in den kerkmuur gemetseld zijn. Daar

moet ik, 's nachts te twaalf uren, met een nieuw mes het mos gaan

afkrabben, onder het uitspreken van zekere woorden. Aldus, wilt gij

een goed werk doen, zoo geeft mij twee of drie guldens om mijne reis

te betalen."

Het gevraagde geld werd door de vrouwen bijeengelegd en den oude man

gegeven. Hij hernam:

"Vrienden, ik mag niet op reis gaan zonder de verzekering te hebben,

dat drie onversaagde kerels in deze kamer waken zullen. Want, zoo

zulks de tooverheks niet belet wordt, zal zij het arme meisje uit

wraakzucht zoodanig martelen en pijnigen, dat onze pogingen misschien

voor altijd nutteloos zouden zijn. Belooft mij dan op goeder trouwe,

dat gij drie mannen zult zoeken. En ziet hier wat zij moeten doen:

een hunner zal eene handvol erwten hebben; wanneer te middernacht de

deur opengaat, moet hij met de erwten in het wilde rondwerpen. Indien

er eene erwt de tooverheks raakt, zal zij zichtbaar worden en huilend

ten venster uitvliegen.--Men behoort dat daarom open te laten. Er is

niets te vreezen, want zij heeft op de wakers geene macht."

Men beloofde de begeerte van den ouden man te volbrengen. Deze nam

zijnen gaanstok en sprak tot de zieke:

"Nu, wees nu maar getroost en gerust, dochter. Overmorgen, zal de

kwade hand gelicht zijn, en dan zult gij genezen en weder gezond

worden."

Bij deze woorden raapte hij de kruishouten op, wierp ze in den haard

en verliet de kamer.

In den loop van den dag kwam de commissaris van politie twee-of

driemaal naar den ouden man vernemen; doch men zeide hem telkens dat

hij vertrokken was en dat men niet wist, of hij naar Schilde of naar

elders zich begeven had.

Niet zonder groote moeite vond men drie mannen, die stout genoeg

waren om in de kamer van Theresia te waken. Na veel gaan en komen had

men er twee aangetroffen, die het op zich namen de gevaarlijke wacht

te doen, maar op voorwaarde dat ik zelf de derde man zijn zou.

Ik had in de gebuurte den naam van stoutmoedig te zijn, alhoewel ik

inderdaad geen groot liefhebber van tooverij of geesten ben. Dan, ik

zag mij hier gedwongen den last mijner goede faam te dragen.

Omtrent elf uren des nachts klommen wij, met kloppend hart en

ontsteld door eene diepe benauwdheid, de trappen op en traden stil en

omzichtelijk, als drie spoken, de kamer in. Daar gingen wij bij eene

tafel op stoelen nederzitten, zonder spreken. Allengskens nochtans

kwam de moed in ons terug; wij begonnen met stille stem elkander het

een en ander in het oor te fluisteren. Eene flesch brandewijn werd

ontstopt, elk van ons ontstak zijne pijp en zond eenige walmen rook

het open venster uit. Theresia lag daar voor ons te bed; zij sliep

met gesloten oogen, en ware het niet hare geraamtemagerheid geweest,

zoo zouden wij niets vreemds aan haar gezien hebben. Op eene

zonderlinge wijze stonden onze gemoederen onder den invloed van den

tijd: van elf uren tot half twaalf klom onze vrijheid van geest en

werd onze stem luider en vroolijker; maar van half twaalf tot

middernacht vergingen ons allengskens de moed en de spraak tot

zooverre, dat wij bij het naderen van het plechtig uur met

onbeschrijfelijken angst bevangen waren. Geene enkele pijp rookte

nog, geen woord ontviel onzen mond; alleen onze oogen bewogen zich

met snelle blikken en wandelden met vervaardheid van de deur op

Theresia. De eenige lamp, die ons verlichtte, scheen insgelijks de

komst der tooverheks te gevoelen, want zij begon onregelmatig en op

eene vreemde wijze te branden: nu lichtte zij hevig, dan weder bijna

niet; dan sprongen krakende sprankels als vuurwerk uit het midden der

vlam....

Alzoo wij nu, bleek en bevend, elkander bezagen, kwam een helle

klokslag onze ooren treffen; wij sprongen op van schrik; de erwten

ontvielen de hand van dien, welke ze werpen moest, en vermeerderden

onzen angst door het gerucht, dat zij in het vallen maakten.

Gelukkiglijk hadden wij een geheel pak daarvan vóór ons staan. Met

opengespalkte oogen blikten wij naar de deur, niet twijfelende, of de

tooverheks zou ze gaan openen. Maar nu werd onze aandacht eensklaps

op Theresia getrokken. Deze lag met open oogen en ontwaakt; eene

ijselijke uitdrukking lijk, als om van onder een pletterend voorwerp

los te geraken, en zuchtte met ratelenden gorgel. Het was dan, dat

wij behoorden te werpen, want wij waren verzekerd, dat de tooverheks

bezig was met Theresia te pijnigen. Nog meer werden wij daarvan

overtuigd, toen het ongelukkige meisje met zwakke, doch grievende

stem deze woorden tot hare onzichtbare vijandin sprak:

"O, laat mij ademhalen. Genade! genade!--O, neen, neen, scheur mijn

hart niet met uwe nagelen.--Geef mij den slag van gratie, dat ik

sterve!"

Dan zweeg zij eene poos en hernam, alsof iemand tot haar gesproken

had:

"Gij bedriegt u: ik ben het niet, die den man geroepen heb. O, laat

mij los, trek dien brandenden priem uit mijne borst, ik zal zeggen,

dat ik niet wil,--ik zal den ouden man verjagen...."

Avondstonden · 第 8 / 10 段