Al den moed, al de krachten, welke hem nog overbleven, vereenigende,

hief Geeraart het zwaard boven den hals van den veroordeelde, met een

waar voornemen om wreedelijk toe te slaan. Hij wist niet, de

ongelukkige, waar hij zich bevond, wat hij deed, of wat hij dacht;

gansch verloren van schaamte en schrik, was hij in razernij ontstoken

en ging eenen slag geven zoo zwaar, als er ooit een op het schavot

gegeven werd; maar op dit oogenblik draaide de veroordeelde het hoofd

om, en, het dreigende zwaard ziende, liet hij eenen jammerlijken

schreeuw. Dan verloor Geeraart in eens al zijnen bijeengeraapten

moed, en hij liet het zwaard op het lichaam van Herman vallen, doch

zonder kracht en zelfs zonder hem te wonden.

De misdadige, die bij het voelen van den slag eene ijskoude over zijn

gansch zenuwgestel had gevoeld, en gedacht had dood te zijn, sprong

plotseling recht, en zijne armen tot het volk reikende, riep hij om

hulp, schreeuwende, dat men hem moedwillig martelde.

Er hoefde niets meer om de razernij der menigte te ontsteken; het

medelijden gaf in zulk oogenblik eene verf van edelmoed aan de

gewelddaden, die zij wilde plegen.

"Slaat dood! Slaat dood den menschenpijniger!" was alles wat men

hoorde. Steenen vlogen om het hoofd van Geeraart; doch niet

menigvuldig, want steenen waren er weinig op het Galgeveld te vinden.

De verstomde jongeling kwam vooraan op het schavot, kruiste de armen

over elkaar, en, zich voorstellende als eenen martelaar, die wil

sterven, riep hij met krachtige stem:

"Daar, werp mij dood, bloeddorstig volk!"

Dit bracht de woede ten top; vrouwen, kinderen en goede burgers

vluchtten langs alle kanten van het Galgeveld, en er bleef niets meer

op dan het schuim der stad, het kwaadwillig en razend grauw, dat met

ongemeen geweld naar het schavot toedrong en den beul er wilde

afhalen, ondanks den tegenstand der gerechtsdienaars. Het was een

geschreeuw en een gewoel, dat men hoorde, noch zag; eene zee, welke

hare schuimende baren ten hemel opwerpt, geeft geen zoo volmaakt

denkbeeld van verwarring en woede.

Rondom den beul op het schavot waren al de gerechtsdienaren

vergaderd, met inzicht om hem te beschermen; maar nog meer om den

veroordeelde vast te houden, die nu met geweld poogde uit de handen

te geraken. Op dit oogenblik klom een geheime persoon zeer langzaam

op het schavot, en, bij den beul gekomen zijnde, suisde hij hem de

volgende woorden in het oor:

"Geeraart, Lina bezweert u bij uwe liefde voor haar, dat gij haar nog

eens komt spreken; zij staat daar beneden;--volg mij!"

En dan sprong hij zelf langs de rechterzijde onder het volk, om

Geeraart de plaats aan te duiden. De jonge beul gehoorzaamde aan eene

liefdegedachte en besloot zijne goede minnares ten minste een laatst

vaarwel te zeggen, eer hij nu sterven ging; hij liep van het schavot

tot bij Lina, die daar dicht nevens stond te weenen. Frans, de

geheime persoon, die hem geroepen had, smeet hem zijnen mantel op de

schouders en zette hem zijnen hoed op het hoofd; dan den arm van Lina

aan dien van haren minnaar voegende, sprak hij zachtjes tot haar:

"Ga stil en onverschillig door het volk tot in het boschken, achter

de tweede mik!"

Ziende, dat Lina zijn bevel uitvoerde en dat Geeraart sprakeloos zich

liet leiden, alsof hij van gevoel ware beroofd geweest, liep hij

langs den tegenovergestelden kant van het schavot en begon daar zulk

een geschreeuw en gerucht te maken, dat de menigte, geloovende dat

hij den beul onder handen had, onstuimiglijk naar die zijde kwam

gedrongen, en den weg vrij liet voor Lina en Geeraart. Met een listig

inzicht deed Frans niet dan roepen:

"Slaat dood! slaat dood! Hier den menschenpijniger! Zijn lichaam

moeten wij hebben."

En dan wierp hij met steenen naar de gerechtsdienaars en de

duisternis, die nu reeds alles met een twijfelachtig grauw gekleurd

had, lieten Lina toe haren minnaar uit het gedrang te leiden, zonder

dat men hem herkende; want de mantel en de hoed van Frans bedekten

genoegzaam zijn beulsgewaad. Nochtans, eer de twee gelieven het

aangewezen boschken bereikt hadden, was het schavot door het grauw

ingenomen geworden; men had den veroordeelde verlost en laten loopen,

en men wilde nu met geweld den beul hebben. Terwijl men de

gerechtsdienaren mishandelde, om hen te doen zeggen, waar de

scherprechter zich bevond, was er een man die de daad van Frans

bemerkt had, toen deze den mantel over Geeraarts schouder wierp: hij

had gezien langs welken kant de vrouw met den verkleeden man

verdwenen was, en dacht nu met recht, dat dit ongetwijfeld de beul

moest zijn.

Niets aanhoorende dan zijne woede, liep hij uit al zijne macht door

de wegen van het Galgeveld en zag eindelijk Geeraart met Lina, een

weinig verder, achter een boschken verdwijnen. Razende van vreugde en

toorn, kwam hij op de bevende gelieven aanvallen; en Geeraarts mantel

afrukkende, zag hij het beulsgewaad. Zonder meer scheldwoorden te

uiten, hief hij zijnen zwaren gaanstok in de hoogte en gaf den

ongelukkigen jongeling zulken harden slag op het hoofd, dat hij

gevoelloos ten aarde stortte. De wreede moordenaar wilde zijne woede

verder nog op het slachtoffer, dat voor hem lag, uitwerken; maar

Lina, die nu eerst van hare verslagenheid was teruggekomen, wierp

zich vooruit naar hem, en hare twee armen om zijn lichaam slaande,

weerhield zij hem, niettegenstaande zijn geweld. De wanhoop en de

wraakzucht hadden haar eene kracht bijgezet, welke haar anders niet

behoorde; zij wrong hare teedere arme zoo stuiptrekkend om zijne

lenden, dat zij hem in banden sloot, gelijk eene tengere slang, die

eene machtige prooi in hare kronkels wil verworgen. Het gezicht van

het lichaam haars minnaars, dat daar voor levenloos voor haar lag,

had haar tot die ongemeene razernij vervoerd. Begrijpende, dat het

beter was, met een eenigen vijand, dan met vele te doen te hebben,

schreeuwde noch kermde zij, opdat geen mensch op hare stem zou komen

toegeloopen. Gelukkig, dat het geraas der menigte, die op het midden

van het Galgeveld nog even hardnekkig en even verward naar den beul

zocht, het geschreeuw van Geeraarts moordenaar verdoofde; want anders

ware Lina gewis in korten tijd van een aantal andere vijanden omringd

geweest. Op het oogenblik, dat zij hare laatste krachten in eene

geweldige poging verspilde, en voelde, dat zij niet langer tegenstand

kon bieden, kwam Frans, haar broeder, juist achter het kreupelbosch

uit, en zag zijne zuster vechtende tegen iemand, die hem onbekend

was. Het lichaam van Geeraart gaf hem toch seffens het raadselwoord

van hetgeen er omging.

Een dolle schreeuw van wraakzucht ontvloog zijne borst. Eer Lina hem

bemerkt had, sprong hij toe; en zijne twee zware handen op de

schouders van den onbekende leggende, rukte hij hem achterover op den

grond.

"Lina!" riep hij, terwijl hij den neergevelden man bij de beenen naar

het Galgeveld sleepte, "trek Geeraart tusschen het kreupelbosch;

indien hij nog leeft, is hij voor altijd gered en verlost.--Spoed u!"

Deze woorden gesproken hebbende, sleurde hij zijnen vijand met

zooveel snelheid van daar weg, dat deze geenen tijd had om iets vast

te grijpen en weinige klachten kon voortbrengen. Zoodra was Frans

niet te midden van het volk geraakt, of hij begon overluid te roepen,

altijd zijn slachtoffer voortsleepende:

"Zege, zege, hier is de beul!"

"Slaat dood! slaat dood!" was het schallend antwoord, dat als de

schreeuw van dood en vernieling uit de scharen opklom; en allen

liepen achter Frans om de slachting te mogen bijwonen. Wanneer de

broeder van Lina zich van genoeg razend volk omringd zag, wierp hij

den man, dien hij bij de beenen voorttrok, te midden onder hen, hun

toeroepende:

"Daar is de beul!"

"Slaat dood! slaat dood!"

En honderd slagen van allerlei wapens, van stokken, van steenen, van

messen, van stukken hout, vielen in eens op het lijf van den

huilenden man, die in de duisternis voor den echten beul aangezien

werd; te meer daar de woorden van verschooning, welke hij uitgalmde,

van niemand gehoord werden, maar in het algemeen geraas

versmolten.--Hij leefde geen vierendeel uurs later; de kleederen

werden hem van het lichaam gescheurd, en zijne leden zoodanig

gepletterd en misvormd dat hij niets meer van de menschelijke

gedaante behield, en dienvolgens op geene wijze te herkennen was.

Frans liet het dwaze grauw in het onedel werk voortgaan en kwam na

eenigen tijd terug bij zijne zuster, die nevens het roerlooze lichaam

van haren minnaar geknield nederzat en den Heer om genade voor hem

smeekte; hij, Geeraarts gesteltenis vluchtig onderzoekende, bevond,

dat zijn hart nog klopte en dat slechts eene bedwelming hem van

gevoel had beroofd. Zijne zuster verlatende, liep hij naar eene

gracht en besproeide met het water, dat hij medebracht, het

aangezicht en de borst van Geeraart, die dan ook allengskens tot zich

zelven kwam. Het eerste, dat hij bij zijn ontwaken gevoelde, was de

zoen van zijne lieve Lina, die nu schier van blijdschap verging en

zelfs geene woorden zou gevonden hebben om haar gevoel uit te

drukken, al ware het spreken haar niet door haren broeder verboden

geworden.

Zoodra Geeraart zijne krachten volledig herwonnen had, vertrokken zij

geheimelijk van die plaats en keerden terug naar de stad, alwaar

Geeraart zich in het huis van Lina tot den diepen nacht verborgen

hield. Toen de klokken het gevreesde middernacht aankondigden, ging

hij, van Frans vergezeld, naar de woning zijns vaders en trad

onverwachts in zijne kamer.

De oude beul, die weenend op het ziekbed den dood zijns zoons

betreurde, gaf geen geloof aan hetgeen hij voor eenen bedrieglijken

droom, eene begoocheling van zijnen geest aanzag; maar wanneer de

driftige omhelzingen van Geeraart hem overtuigd hadden, en dat deze

hem met bondige woorden zijne wonderbare verlossing had verklaard,

scheen de oude en teedere vader door ontroering te bezwijken; zijne

leden verroerden zich niet, zijne wezenstrekken getuigden kalmte;

zijne oogen glinsterden wel van vreugde, doch bleven niet min

beweegloos en met eene ongemeene scherpheid in de oogen van zijnen

zoon gevestigd. Eindelijk ontwakende, richtte hij zich met geweld op

en riep:

"Mijn zoon, mijn zoon! gij begrijpt uw geluk niet. Niet alleen van

martelie zijt gij gered, maar insgelijks van allen smaad, van alle

schande. De vloek, die over ons geslacht hangt, eindigt bij den dood

... gij zijt dood, mijn zoon!"

"En ik heb geen bloed vergoten!" galmde Geeraart met opgetogenheid

uit.

"Ga en leef verre van uwe onrechtvaardige broederen," hernam de

vader, "verlaat Antwerpen, trouw uwe goede Lina, bemin ze altijd;--de

hemel verleene u een talrijk huisgezin. Uwe zonen zullen toch geene

geborene beulen zijn, en gij zult over uwe kinderen niet weenen als

ik over u geweend heb. De schatten onzer vaderen behoeden u voor

altijd tegen armoede; gebruik ze wel en leef gelukkig...."

Zijne stem brak allengskens en verdoofde zich ten eene male, doordien

eene al te groote aandoening hem het harte schokte. Geeraart hield

zich vastgeklemd aan het magere lichaam zijns ouden vaders en bracht

slechts onderbrokene dankzeggingen voort; want hij kon, in dit

oogenblik van verrukking en blijdschap, moeilijk woorden vinden om

zijn gevoel uit te drukken.

* * * * *

Lang nog na dien tijd leefde de beulszoon Geeraart te Brussel, onder

eenen anderen naam, gelukkig met zijne vriendin en echtgenoote Lina,

die hij even teeder bleef beminnen.--En wanneer hij, ook oud zijnde,

op het doodbed eindelijk lag uitgestrekt, omringden talrijke en

deugdzame kinderen de legerstede van hunnen vader.

DE GEEST

ZEDENSCHETS

Geene stad is rijker aan plaatselijke vertellingen dan Antwerpen.

Elke straat heeft er hare _sage_ of _legende_, doch het is uiterst

moeilijk tot de kennis van een zeker getal daarvan te geraken, uit

hoofde dat zij meest geweten en verteld worden onder de allerlaagste

volksklasse, en zelfs niet tot den geringsten burgerstand opklimmen.

Het is met dit vak der nationale overleveringen toegegaan als met

vele andere: het kleine volk alleen heeft ze geheel bewaard.

Dan, het komt aan weinige schrijvers als gepast of doenlijk voor,

zich in de armste kwartieren der stad als vriend en gebuur te doen

erkennen, om door dit middel eene volksvertelling of een nog

onbekende mirakel uit den mond eener vischvrouw of eener

asscheraapster te hooren. Een bijzonder geval nochtans

verschafte mij de gelegenheid om eenige dier vertelsels af

te luisteren, zonder dat men mijne tegenwoordigheid bemerken kon.

De vertellers waren vier jongens, die bijna de mannenjaren bereikt

hadden, en bij dag op eenen winkel als leergasten van timmerlieden of

smeden arbeidden. Gewis, hunne wijze van verhalen was niet van de

fraaiste, doch een van hen vertelde met eenen zekeren zwier, met eene

losheid, die aan zijn verhaal een eigenaardig en kluchtig karakter

gaf, en mij op de gedachte deed komen, zijne woorden als eene proef

van den Antwerpschen tongval door den druk mede te deelen.

Onder het afgeslotene venster van een burgerhuis en op eenen

keldermond of val gezeten, maanden zij elkander aan om te vertellen;

de eerste, die sprak, was:

KOBE.--Zeg, Frans, kunde gij die historie, die ze Zondag in de'[2]

poesjenellekelder gesp'eld hebben? Ge w'et wel, _Snoef_[3] die

trouwtd op 't leste met de keunigin van Teurrekijë[4].

BALTE.--Die kan ekik.

FRANS.--Is dâ die va Hanefroeike?

Sus.--Och néë, we't het nie meer? Daar komtd'en[5] betooverd kornijn

in, dâ diën brief op diën tore' draegt, aen de Princers van Améreka.

Kunde gij het nie, Balte?

BALTE.--Ik kan ekik alles! Ik kan Malegijs, ik kan Smidje Verholen,

ik kan Guldentop, ik kan Sinte Peeter, ik kan Ouw[6] lampen veur

nief, ik kan den Betooverden hond, en dâ van 't Steen, en Visserke

visserke vangt me nie[7], en, och eer, ik kan er wel honderd ander,

as[8] ik ze maar wilde vertellen.

FRANS.--Ah wel, laet ons strooikentrek doen. (_Zij trekken, wie eerst

zal beginnen_.)

KOBE.--Hoera, viva! 't is Balte! Toe, van doctoor Faussius of van de'

kelder onder de Vierschaer.

Sus.--Néë, Balte, doe g' et nie. Vertelt liever van den duvel of van

tooverhekse' of van spooke'[9].

BALTE.--Ah wel, 'k zal eulie[10] 'e waerachtig vertelsel vertellen, dâ

gebeurd is op de Kleinmarkt; een bitje verder a's de Kornijnepijp, in 't

Fransch gezeed[11] _la pipe de lapin_.

KOBE.--Lapin, dat is 'en kat; ge zeg het mis.

BALTE.--Zie, dâ gauwke! Lapin is 'en kat, _pertang_![12] Neen, _poes_

is 'en kat in 't Fransch. Ze riepen ommers altyd tege' diën ouwe'

Franschman uit de Mannekestraet: _voleur de poes, de kattendief_! Dâ

wilt tege' mij Fransch spreke'! Wel gij kastekindere', hebtde geulie

op de Chantjië gewerkt? Heeft eulie vader _gardechou_ geweest, he?

Onder den tijd van de Marriene'?[13] Zwijgt nâ, zulle[14], want ik

begin op e' nief[15]. Nâ-w-in die straet daer stond eens 'en huis mê

vier _steugië_ zonder de zolder, zoo groot en zoo schoon a's het

paleis van 'ne keunink[16].

Maer in datd huis wilde-n-ommers in 't geheel niemand nie wonen, en

het bleef jaren lank onnuttig leeg staen, want het spookte-n-er-in.

Sus.--Ah! ah! da zal schoon zijn!

BALTE, _gestoord_.--Stilans! houd u' gezicht. Ah wel: op slag van

twelf ure dan kwam er iedere' keer 'ne geest die het huis van onder

tot boven afliep, en a's dat dan lank geduerd had, dan kwam de geest

tege'slag van den _eene'_ achter de straetpoort staen en begost[17]

zoo jammerlijk t' huilen en te schreeuwen, dat er iedereen

_compassie_ mê kreeg.

KOBE, _met bange stem_.--Zijt de gij dâ, Sus, die daer 'ne zucht

gelaten hebt?

FRANS.--Eê! hij is bang; hij beeft, ik vuel' het. Wel wâ kieken!

BALTE.--A's Kobe zijne' mond nie toehoudt, stamp ik hem van de

keldermond.

--Na, daer dierf toch niemand in datd huis gaen, al was 't dat de

geest niet dé[18] as roepen: verlost mijn' ziel! verlost mijn' ziel!

Daer wierd dan gézéed, en 'k geloof ekik datd ook wel, dat het de

ziel was van de' lesten heer, daer het huis van geweest was, en dat

diën uit gierighad[19] ene groote schat had verbeurge. En ge we't

wel, a's iemand sterft me' verbeurge' geld op zijn konsjentie, dat

hij dan zoo lank in d'hel moet blijve' brande', tot datd het geld

gevonde' weurd[20].

A's dâ nâ[21] zoo al heel lank geduerd had, dan kwam er eens 'ene'

keer enen ouwe soldaet van de' marmittenoorlog.

Dië soldaet heette sterke Jan, en dien had gezéed in 'en herberg, dat

hem veur 'ene' niet en 'ne niemendalle, om zoo te zeggen veur ze

plesier, 'ene' nacht in het leeg huis zou slapen, a's

ze hem honderd gulden op veurhand wilde' geven.

Den huisbaes die zé tege' Jan: Is dâ waer? Derfde gij in datd huis

slapen!

Ja, zé Jan zoo, want ik geef wâ schoon de knoppen, zé hem, van alle

spooken en dûvels. Dâ God bewaert, is wel bewaerd!

Ah wel, zé den huisbaes, geef me d'hand daer op, zé hem[22]; 't is

gedaen. Wâ moet ik u geven, vroeg hem.

Hoort, zé Jan, geef me maer al om te beginnen, ene wis buekenhout in

klompekes, 'en dozijn flesse' wijn, 'en fles kwak, 'ene koekpot vol

spijs en 'en goêi pan om mijn koeken in te bakke'.

Dâ zulde gij hebbe', zé den huisbaes,--en a's hem dâ gegeven had,

trok Jan tege' den aved[23] mê zijn' _provisie_ in het huis.

A's het nâ vier geslagen had, dan droeg hem zijn hout en zijne'

koekpot mê spijs in 'en kamer op d'eerste _steugie_, daer nog 'en

tafel stond mê twee stoele'.

Hij begost daer 'e' vier te maken gelak om het huis af te branden, en

hij zette zijne' koekpot daer neffe om de spijs te doen gaen.

Terwijl dat de spijs nou aen't gaen was, begost Jan de flessen een

voor een den hals af te bijten, en hij kreeg op den duer 'e' stuk in

zijne' kraeg gelak 'enen' ouwe Zwitser;--maer hij was toch nie' van

zijne' center[24] en hij wist heel goed wat hem zé of dé.

Dâ was me goed, maer a's hem na lank genoeg gedronken had, begost

zijnen beer te danse'[25]. Hij zette dan zijn pan op 't vier en hij

lapte daer 'ene' goeije pollepel spijs in.--Dan aen het kissen dat

'e' pleizier was. Het rook er zoo lakker a's aen de deur van 't

_Landswelvaren_:--zoo 'enen reuk gelak van 'en restoratie.

Ah wel, dâ was me goed; de koek van Jan was langs den eene' kant

schoon bruin gebakken en hij goeide hem omhoog in de schouw om hem om

te draaije'.

Maer gelijk hem nou weer op 't vier stond, valt er in eene' keer iet

uit de schouw--en _pardoef_ in zijn' pan, en de koek in d'asse!

Wel honderd duzed 'k weet nie' watte! riep Jan; zoude dat hier en

daer nie' verwense? Bruin en zoo lakker! Daer lé nou mene

zieltjeskoek[26]. Maer wa wil ik er aen doen? zeét hem in zijn eige;

't is nâ toch zoo. 'k Zal maer 'ene' nieve pollepel spijs in de pan

doen, op goê val hetd uit.

Nâ, hij doet dâ, en weer aan 't kissen dat g'er de geeuwhonger zoudt

van gekregen hebben al was 't dâ g'in geen drij dage' geten hadde.

Maer Jan die laet de' steel van de pan los en hij pakt dat dink op,

dat uit de schouw gevalle' was.

Raed nâ toch eens wat datd het was?--Het was en doodsbeen uit 'enen

arm!

Jan die schiet in 'ene' lach en hij zé, zoo al lachende: Ja, denke'

ze mij verveerd te make' of veur de zot t' houwe', dan zijn ze wel

geleverd mê hun' peerdebeenen! Al was 't dat ze den heele prospot[27]

deur de schouw goeide', dan gaf ik er nog geen duit om; mê hun'

flauwzen!

Maer da was me goed; a's Jan zijne koek nou half gebakke' was, zeét

hem zoo in zijn eige': ge zult me deze' keer nie vast hebbe' vieze

mannen! 'k Zal de' koek liever half rauw binne' spele'.... En hij

steekt zijn hand uit om de koek te pakken, maer in eene' keer valt er

'nen heelen reessel beenen uit de schouw, en pardoef in Jan zijn pan

'en de koek in d' asse!

Wel Seezeke van Maderitje! riep Jan; zal ik nou al mijn spijs naer de

weêrlicht zien gaen? Wat is dâ nou weêr daer ze daer mê gegoeid

hebbe'? Dat is ge'ne kleine potternoster; het is zeker 'en ruggraet

van 'e' veuleke. Hoe flauw dat die manne' toch zijn; ze kunne' ne'

mensch nog nie' gerust laten ete'.

Ja, maer hetgeen dat in zijne pan gevalle' was, ware zoo allemael

beentjes aen 'en koor geregen en het was 'en ruggraet van ne' mensch.

Jan die begost dan zoodanig kwaad te weurre', dat hem de beenen

oppakte en gelijk tege' de' muer aen _garzelemente'_ vaneen sloeg.

Hij gink gestoord bij zijne pan zitten en sloeg er van tijd tot tijd

'ene' nieve' spijs in, maar iedere' keer dat hem de' koek wilde-n-uit

de pan neme', viel er 't een of 't ander menschenbeen in--en dat

duerde zoo lank tot dat er op 't leste 'nen doodskop in viel.

Jan die schoot in 'ene' franse koleère en hij goeide den doodskop zoo

ver als hem vliege' wou.

Dan begost hem gerust te bakken en hij had al 'en schotel vol koeken

op de tafel gezet om te gaen ete'.

Als hem nâ goed bij de tafel zat en lakker aen 't knabbelen en aen 't

zuige' was, komt er in eene' keer 'ne slag.--Jan telde, en 't was

twelf ure!

Maer Jan heft zijn' oogen op, en hij ziet daer in den hoek, daer hem

de beene' gegoeid had, 'e' leelijk geremt staen.

Want op slag van twelf ure ware' de beenen allemael aeneen gekropen,

en daer stond nâ de geest mê 'e' wit laken op zijne' rug.--En hij

was, och arme, zoo mager geweurre' van dat eeuwig rondloope' dâ ge

zijn ingewand door zijnen buik kost zien.

Jan bezag het spook zoo 'ne' zekeren tijd en hij vreef aan zijn'

oogen, want hij docht dat het nie waer was; maer als het spook hem

verruerde, dan zag hem _pormentelak_ dat het 'ene geest was.

Ha, zé Jan, goeien dag, Pietje de Dood! Hoe gaget mê uw gezondhad? Me

dunkt, ik heb ouw nog meer gezien. Staetde gij nie in de kerk van

Sinte Willebors, mê het Zielenoctaaf! Ge ziet er anders maer

_armoyeus_ uit, Jan Stek! Zie, zoo 'ne koek of drij en zoo 'e' fleske

zou u deugd doen. Maer wâ zeg ik? 'k Geloof waerentig dat de koeken

deur uwen buik zouwe valle'! want ge draegt 'en _gilé_ die _à jour_

gewerkt is. A's ge nochtans eens wilt drinke', zit maer bij!

De geest die sprak nie; maer hij dé 'en teeke' mê zijne' vinger, als

of hem zegge wilde: kom gij eens hier!

Maer Jan die was slum genoeg om het niet te doen.

Aperopo, zé hem, Pietje Krakelink, wilde gij daer blijve' staen toe

morge', dâ kunde gij gerust doen. Maer a's ik gelak a's gij was, ik

ging wat aen 't vier zitte'; want dien hoek is heel _roematiek_ en

ge moest zoo eens een' valling pakke'. Ah sa, maar zeg m' eens, wat

tael spreekte gij? Zeg! is 't van _parlé fransé contre alle mense_!

Ook al niet? Gaet dan maer naer uw doodkist terug, droogzak!--Zijtde

van God, sprekt; zijtde van den duvel, vertrekt!--Maar de geest bleef

staan en dé nie als mé zijne' vinger wenken om dâ Jan bij hem zou

kome'.

Maer Jan ging gerust voort mê eten, en hij zag naer 't spook nie meer

om.

Als dâ zoo ne'n heelen tijd geduerd had, sloeg het halver een, en de

geest die hefte zijn' mager' beenen op en kwam zoo allengskens naer

Jan gegaen en hij wenkte-n-altijd mê zene' vinger.

Maer Jan stond in eene' keer op en hij riep tege' den geest:

Ah sa, Peerlala, 'k heb ouw maer één ding te zegge: ge meugt zoo veul

spreken a's ge wilt, maer van me lijf te blijven, zulle', of we

weurre kwaei vriende'! A's ge nog wat dichter derft kome', zal ik u

die fles eens op uw leelijk gezicht kapot slage'.--Ge zoudt me geeren

den nek breken, eh? 'k weet het wel; maer 't zal nie waer zijn; ge

kent me nog nie, manneke'!

De geest stak zijne' vinger uit en raekte-n-er mê aen Jan zijn

hand;--maer op d'hand van Jan was 'en heel blijn gebrand.

Wel Nondekeu! riep Jan, wilde gij zoo kennis mé mij make'? Het

schijnt da ge warm handen hebt, gebuer? Maer zoo zijn we niet

getrouwd, 'k Zal ouw dâ wel afleeren.--Arrê! dat is het eerste

koofke!

En Jan sloeg het spook mê 'en' lege fles vlak op het scheel van

zijne' kop; maer hij raekte de' geest toch nie, want hij sloeg gelak

op de' wind.

Dan wierd Jan eerst voor goê kwaed. Hij wilde de' geest vastpakken en

op de' grond slage', maer dâ liep nie af; want als hem docht dat hem

hem vast had, dan vuelden hem niemendalle.

Pas op, riep hem, dat duert nou al lank genoeg; ge kunt maer eens

gauw gaen zegge' wat dâ ge van mij hebbe' moet. Waerom komde gij mij

hier ruzie zueken, eh? 'k heb ommers mê ouw of mê uw heel familie

geen affaire? Laat me dan gerust en gaat aen.

Maer de geest dé nie a's wenken en naer de deur wijze'.

Jan pakte dan zijnen kandelêr en zé tege' de' geest; allo! laet zien

wat dâ g' hebbe' wilt. Ga veur, ik zal u volge'.

Het spook dé de deur open en wees Jan den trap af; maer Jan was wel

slummer, en hij zé altijd: ga zelf veur--want had hem veur gegaen,

dan had het spook hem zeker den nek gebroke'.

Ze kwamen dan te lange leste beneën, in de gank, en daer lag 'ene

zark mé enen ijzere' rink, die er in vast was.

Avondstonden · 第 6 / 10 段