gelieven verbrak, had Geeraart aan zijne Lina het eeuwige vaarwel
niet meer herhaald, willende haar meer pijnen sparen; desniettemin
scheen dit vaarwel aan den jongen beul onwederroepelijk, want hij had
het vast en onwrikbaar besluit gevormd, het zuiver en edelmoedig
meisje nimmer aan zijn schandig lot te verbinden.
Met onzekere, doch snelle stappen doorliep hij de straten, die van
de Vlierstege naar zijne woning leidden, kwam eindelijk, eer hij het
nog bemerkte, bij de Stadvest en klopte aan eene deur, die bij klaren
dag, door hare bloedroode verf, het huis van den scherprechter
aanduidde.
Zoo haast de knecht opendeed, vroeg Geeraart:
"Welnu, Jan, is de Schout hier geweest?"
"Ja, hij gaat daareven weg.--Uw vader heeft mij bevolen, u te zeggen,
dat hij u wacht."
Geeraart klom de trappen op en trad in de kamer, waar zijn zieke
vader op een bed lag uitgestrekt.
De oude beul was bleek en mager; men kon zien, dat eene uitmergelende
kwaal zijne wangen geploegd had en zijne verglaasde oogen in zijn
hoofd had teruggetrokken.
Alhoewel de terende ziekten het lichaam zoodanig uitdrogen, dat niets
dan de beenderen en de huid daarvan overblijven, laten zij echter aan
de ziel al hare krachten, ja, zelfs schijnt het, dat, naarmate het
lichaam vergaat, het denkvermogen sterker wordt. Zóó was het ook met
den ouden beul: ofschoon zwak en krank van leden, was zijn geest zoo
vrij als van een gezond mensch. Toen zijn zoon binnentrad, keerde hij
naar hem zijne blinkende oogen, doch sprak niet.
Geeraart vatte met haast eenen stoel en plaatste hem bij het
hoofdeinde van het bed: dan stak hij zijne hand onder het deksel, om
de magere hand van zijn vader te zoeken, en ze drukkende, riep hij
met bevende en dorre stem:
"Vader, vader, de Schout is hier geweest! Zeg mij, wat is mijn
vonnis?--Zal ik beul zijn?"
"Mijn zoon," antwoordde de vader treurig, "ik heb bij den Schout alle
pogingen uitgeput. Hij wil niet, dat onze knecht uwe plaats
neme.--Geld noch gebeden kunnen hem vermurwen; gij zult beul zijn,
mijn ongelukkige zoon."
De droeve jongeling had dit vonnis wel vooruitgezien, en toch was die
bevestiging hem een pijnlijke slag. De siddering der ontsteltenis
liep over zijn gansche lichaam, en hij neep de hand zijns vaders met
struiptrekkende kracht. Die beweging was slechts oogenblikkelijk; hij
verviel welhaast in zijne gewone droefgeestigheid en zuchtte:
"Het is dus morgen, morgen, vader,--dat de laatste hoop op geluk mij
moet ontvallen. Morgen zal het bloed van een slachtoffer op mij
terugspatten. Nu begint voor mij die schandelijke levensloop.....
Betaalde moordenaar! Moordenaar!"
"Mijn zoon," viel de vader met ontroering in zijne rede, "bereid u
tot een leven van martelie en van pijn; ieder hoofd, dat gij zult
afslaan, zal als een steen op uw hart terugvallen, en wanneer er
steenen genoeg op uw hart zullen liggen, dan zult gij sterven gelijk
ik nu sterf..... Maar er is hierboven een Rechter, die het lijden
vergoedt."
Geeraart eigende zich het pijnlijke deel uit de woorden zijns vaders
toe, zonder het troostvolle vooruitzicht te hooren. Hij ging voort:
"Ho! nu versta ik den haat der burgeren tegen mij. Kan ik niet alle
dagen geroepen worden om eenen van hen te dooden, hetzij eenen
onnoozele of eenen misdadige? En nochtans, indien zij zien konden,
wat er op dit oogenblik in mijn hart omgaat, zij zouden mij niet
haten. Zij denken, dat een beul behagen vindt in bloedvergieten; en
wanneer hij, bij het zien van den blooten hals eens slachtoffers,
bleek wordt en beeft, dat zijne handen het zwaard niet meer dragen
kunnen, dan werpt men hem dood met steenen, omdat hij niet beul
genoeg is en dat het medelijden hem verzwakt."
"Ik heb dikwijls aan die tegenstrijdigheid gedacht, mijn zoon; doch
nooit heb ik ze begrepen."
"Ik wel, vader, ik heb ze lang begrepen: er behoort in elke
verzameling van menschen een slachtoffer, een ongelukkige, op wien al
de wreedheid, al de haat, die in de harten verborgen ligt, zich moge
uitstorten--en dan wordt die lijder door de maatschappij met schande
overladen, opdat men hem zonder berouw moge mishandelen en verachten;
want het is door meer boosheid, dat de mensch zijne
onrechtvaardigheid altijd billijken wil.... Maar is er dan toch geen
enkel onbeproefd middel meer over, om mijn lot te ontgaan? Ik kan mij
de gedachte van menschenmoord niet gemeen maken; het schijnt mij, dat
ik morgen waarlijk een verachtelijk schepsel worden zal; ja, ik zal
mij zelven verachten.--En geene hoop meer! Het moet zoo zijn."
"Mijn zoon," sprak de vader, met zijne oogen naar de tafel wijzende,
"neem dit boek, dat de Schout mij getoond heeft, en lees uw vonnis op
de openliggende bladzijde."
Geeraart las zijne onherroepelijke bestemming met diepen angst; hij
wierp het boek met verontwaardiging en toorn ten gronde en riep:
"Vervloekt zij de onrechtvaardige wet, die mij van voor mijne
geboorte tot bloedvergieten en tot schande veroordeeld heeft! O,
maatschappij! het is dan waar, gij hebt over mijne wieg geroepen: die
vrucht hoort mij toe, want het is de eerstgeborene van eenen beul;
men levere hem over aan den smaad der menigte; hij worde met bloed en
laster overladen, en dat hij onder zijne broederen leve gelijk eene
slang, welker gezicht men met afschrik ontvliedt.... Spotternij,
terwijl men dit vonnis over mij uitsprak, lag ik in mijne wieg het
blinkend zonnelicht toe te lachen! Vader, gelooven zij dan, dat ik
zonder hart geboren ben, en dat het mij niets geeft, zoo onder het
slijk der schande begraven te worden?"
"Gij drijft de wanhoop te verre, Geeraart," antwoordde de vader
zuchtend. "Ik versta uwe droefheid wel; zij heeft mij nu reeds
zoolang aangekleefd; maar gedenk, dat de beul in eene gemeente
volstrekt noodig is, en onderwerp u aan het lot, u door den Heer
bestemd. Misschien zult gij dan nog eenige rust in uw bitter leven
vinden."
"Rust vinden? Hebt gij rust gevonden, mijn vader? Is het de rust, die
u ten grave leidt? Zijn het tranen van vrede en van rust, waarmede
gij het hoofd van uwen zoon twintig jaren bevochtigt? O, verberg mij
de schrikkelijkheid van mijn lot niet; gij hebt den moed gehad om het
uwe zoo lang te dragen, maar ik, vader, ik gevoel mij zoo sterk niet.
En toch, sterven is sterven: indien de dood ons morgen te gelijk
treft, zullen onze zielen even vrij en even vroolijk tot den
rechterstoel des Heeren opklimmen en elkander wellicht in den hemel
terugvinden."
De oude beul hoorde met eenig genoegen, dat een straal van hoop in
het hart van zijnen zoon drong; hij vermoedde het ten minste uit
zijne woorden. Willende hem dan aandrijven om zich tot de rust te
begeven, zeide hij:
"Dit lang spreken heeft mijne borst uitermate vermoeid. Ik zal u nog
éénen raad geven.--Wanneer gij morgen op het schavot klimt, bezie dan
toch het volk niet; want al die oogen, welke door bloedzuchtige
nieuwsgierigheid blinken, zouden u ontstellen, en gij zoudt beven.
Beeld u in, dat gij alleen met den veroordeelde op het schavot zijt,
en neem de maat van uwen slag wel waar; want zoo gij uw slachtoffer
niet in eens doodt, zullen duizende stemmen zich tegen u
verheffen;--en ik zou u wellicht niet levend wederzien. Ik zal God
terwijl bidden, dat Hij u uit medelijden de macht geve om het
noodlottig werk te volbrengen.--Ga, mijn zoon, mijn zegen zij over
u."
Reeds was het hart van Geeraart opgepropt met woorden, en gewis zou
hij nog lange klachten uitgestort hebben, doch hij zag, dat zijne
vader eenen traan zich uit het oog veegde, en besloot zijne
smartelijke gepeinzen niet te staven. Hij meende te zeggen: "O, ik
zal beven, ik zal niet kunnen slaan!" Nochtans weerhield hij zich uit
liefde tot zijnen zieken vader, en hem teederlijk omhelzende, alsof
hij eeuwig van hem ging scheiden, sprak hij met diepe ontroering:
"Slaap gerust, mijn goede vader! o ja, slaap gerust!"
In zijne kamer gekomen, sloot hij de deur vast, ging voor eene tafel
zitten en legde het hoofd op de hand; dan stuurde hij zijnen blik
naar de zijde van zijn bed, en zonder dit of iets anders te bezien,
bleef hij met beweeglooze oogleden zitten.
Als de zon des anderen daags de kamer met hare eerste stralen kwam
verlichten, vond zij den ongelukkigen voor de tafel, met de strakke
oogen op een bloot mes gehecht, dat hij tusschen zijne vingeren deed
rollen, alsof hij zich in het herblikkeren van het glimmend staal
hadde verlustigd.
III
Des anderen daags was het een schoone lentedag: de zon gloeide met
een koesterend vuur aan den doorschijnenden hemel, welks azuur hier
en daar door een gewaterd wolkje onderbroken was. De invloed der
zuivere lucht werkte krachtig op de gemoederen der burgers van
Antwerpen. Men zag overal niets dan wandelende personen, die de
rijkgekleurde Paaschkleederen met kloppend hart ontvouwd en
aangetogen hadden. De kinderen speelden huppelend in de straten, en
eene menigte kleine gevleugelde kevertjes, die in de velden zich
boven de stad verspreid hadden, kwamen aankondigen, dat de natuur,
haren schoot ontsluitende, hun het leven had teruggeschonken.
Om tien uren was al het volk bij de Lieve-Vrouwe-kerk vergaderd, om
de Sinxen-Processie te zien uitgaan. Met ontdekte hoofden zagen allen
de prachtige vanen en rijke standaarden voorbijdrijven, totdat het
ALLERHEILIGSTE hen genaakte; dan spreidden zij hunne neusdoeken op de
steenen der markt en knielden vol eerbied neder. Terwijl al het
blikkerend goud der kazuifelen en stolen de oogen der aanschouwers
deed schemeren, kwam een statig gezang van zware mannestemmen de
ontroering vermeerderen, en op dit oogenblik was er onder de menigte
geen enkele, die niet zijne aardsche woning vergat, om met zijne
verbeelding tot den woon van God op te klimmen.
Onmiddellijk na de processie volgden de gelederen der zes Gilden:
eerst de broeders van het Schermersgilde, dan de Kolveniers, de jonge
en oude Voetboog, en de jonge en oude Handboog, alle in sierlijk
gewaad en met blinkende wapenen.--Dezen ook voorbij zijnde, kwam er
eensklaps eene onstuimige beweging onder het volk; iedereen deed
geweld om zich grooter te maken en het hoofd boven de anderen te
kunnen verheffen; men klom op vensters en op palen, en een algemeene
schreeuw, met handgeklap gemengd, gaf de vreugde der menigte te
kennen:
De omgang!--Daar is de omgang!
En inderdaad, een wanstaltige visch, zwemmende in geschilderd water,
dreef langzaam tusschen de aanschouwers over de Groote-Markt. Op den
rug van het zeemonster zat Cupido, de kleine minnegod, die met een
teeken zijner machtige hand de twee waterbronnen, welke de walvisch
wel dertig voet hoog uit zijne neusgaten spoot, op de nieuwsgierigen
sturen kon. Het was aardig om te zien, hoe de burgers lachend en
gillend heenvluchtten, om uit het bereik van den vijandigen walvisch
te geraken; echter konden zij door de dikke schare niet goed
heenkomen, hoe zij ook drongen en duwden. Cupido, hunne vrees ziende,
stuurde dan den natten straal tot hen en stortte emmers water over
hunne hoofden. Men geloove niet, dat zij daarom bedroefd waren; neen,
zij juichten heviger en gaven geene acht op de schade hunner
kleederen, zoozeer vervoerde hen de blijdschap, welke dit spel hun
baarde.
Na den walvisch volgde de reus Druon-Antigoon, die zijn hoofd en
oogen verschrikkelijk wendt en keert en in de zoldervensteren der
hoogste huizen blikt. Dan nog volgden: de Dolfijnen, de Zeewagen van
Neptunus, Europa op den stier, de Parnassusberg met de Zanggodinnen,
de Maagdenwagen, de Fortuin op eenen olifant, het Koopvaardijschip,
en meer andere schoone zinnebeelden.
Iedermaal, dat er iets nieuws voorbijreed, herhaalden de burgers hun
handgeklap, hetzij om de schoonheid van het zinnebeeld zelf; of wel
om vrienden of magen, die de personen verbeelden, toe te juichen; en
mits de omgang zeer lang was, klommen er vreugdekreten op uit alle
bijzondere straten der stad. Onder den invloed van het zoete
lenteweder vonden de burgers zich meer tot vroolijkheid genegen,
hetgeen genoeg zichtbaar was aan den bestendigen glimlach, die op hun
aangezicht blonk.
Nochtans, terwijl de onbezonnen menigte zich met kindervermaken bezig
hield en van vreugde met de voeten trappelde, alsof het ongeluk haar
onbekend ware, was er ergens een mensch, wiens leven steeds vol
bitterheid geweest was, en die nu, eilaas, in den poel der smart zoo
diep verzonken lag, dat hij den grond er van gevoelde.
De arme Geeraart zat weder bij het bed van zijnen vader, stilzwijgend
met de armen op de borst gekruist, en ineengezonken als een mensch,
wiens spieren hunne veerkracht verloren hebben; hij was niet meer die
jongeling met de schoone zwarte haren, die aan zijn bleek gelaat
zooveel mannelijkheid gaven; neen, nu was hij zoo oud geworden als
zijn zieke vader. Diepe rimpels hadden zijne wezenstrekken in
verschillende richtingen geploegd ... en iets anders,--schrikkelijk
teeken! getuigde, hoe zijn hart den nacht te voren was gemarteld
geworden: zijne haren waren wit als sneeuw! Door de foltering des
gemoeds was zijn zenuwstel dermate gevoelig geworden, dat het minste
gerucht hem deed beven; en telkens dat de klok van St.-Jacobs één uur
meer uitriep, liep koud zweet hem van het aangezicht, en zijne witte
haren rezen te berge op zijn hoofd.
Het sloeg twee uren namiddag, toen zulke ontroering den lijdende
Geeraert voor de zesde of zevende maal kwam treffen.
"Mijn ongelukkige zoon," sprak de vader, "heb moed; deel mij uwen
angst mede, misschien zullen mijne woorden u eenigen troost geven.
Gij zit daar reeds zoo lang zonder spreken."
Geeraart bracht de hand zijns vaders op zijn benepen hart en drukte
ze bevende; hij hoorde aan den toon van zijns vaders woorden, dat dit
stilzwijgen hem pijnigde. Met eene droge, doffe stem antwoordde hij:
"Mijn vader, ik meet den afstand, die mij van de eeuwige schande
scheidt. Nog vier uren, en ik zal een vloekbaar en een gevloekt
schepsel zijn;--mijne handen zal ik in het bloed van mijnen
evennaaste gedoopt hebben. O, ijselijke zekerheid! Dan is de weg des
levens achter mij onherroepelijk gesloten.... Er is geen terugkeeren
meer aan: ik moet voortgaan zonder omzien, in de baan der schande en
der verfoeiing; en indien een medelijdend mensch,--eene vrouw, o,
Lina, Lina!--indien een mensch mij de hand toereikt, zal ik weten,
dat ik hem geene hand kan teruggeven dan eene, die met menschenbloed
is besmet geweest!--Mijn vader, ik kan u niet uitdrukken wat ik
gevoel; mijne zinnen zijn ontsteld. Zou ik het u zeggen? O, ja, gij
moogt daarbij mijne pijnen afmeten: dezen nacht heb ik mijne hand
naar een mes uitgestrekt om mij te dooden--doch het scheen mij, dat
uwe hand de mijne met kracht wederhield. Ik dacht dan aan de
droefheid, welke mijn dood u zou veroorzaakt hebben, en ik heb
geweend totdat het mes mij ontvallen is."
Gedurende die woorden had de schrik zich op het magere aangezicht van
den ouden beul afgeschetst; twee tranen rolden op zijne wangen; en
het was zichtbaar aan de uitdrukking van zijn gelaat, dat een akelig
vooruitzicht hem bedroefde. Met smeekende stem riep hij uit:
"Mijn zoon, zie den weedom uws ouden vader aan; bepeins, hoe hij
lijden moet bij uwe woorden. Weet gij wel, Geeraart, dat gij mij uwen
gewissen dood aankondigt? en dat gij mij zegt: dezen avond zal mijn
lichaam door eene razende menigte aan stukken getrokken worden, en
gij, mijn vader, zult mijne verstrooide ledematen op het Galgeveld
niet meer vinden; want men zal mij verpletteren en scheuren, en mijn
lijk zal onder de voeten van het volk gemalen worden. Weet gij,
wreede zoon, dat uwe woorden die schrikkelijke voorzeggingen
behelzen?"
"Ja, dit weet ik," antwoordde Geeraart met hardnekkige koelheid, die
den ouden vader eene siddering over het gansch lichaam joeg.--Wat
ijselijk geheim vond hij in het hart zijns zoons!
Met pijnlijk geweld richtte hij zich half op in het bed en zijnen
zoon tot zich trekkende, sloeg hij de twee armen hem om den hals en
omhelsde hem onder eenen tranenvloed.
"O, Geeraart!" riep hij, "ik versta u, gij wilt sterven! Gij neemt
behagen in deze zondige gedachte, in dien afgrijselijken droom. Als
een vrijwillig slachtoffer, gaat gij u aan de razernij der menigte
ten beste geven ... en ik, die oud en krank ben, ik zal alleen op de
wereld blijven? Gij zoudt mij aan de smart overlaten? Gij hebt gewis
niet aan de wreede ondankbaarheid van uw voornemen gedacht, Geeraart?"
De indruk, welken die klachten op den jongeling deden, was
verwonderlijk: hij beefde als een beschuldigde, wien men te recht
eene grove en schandige misdaad aantijgt. Ziende, hoever de
streelende verbeelding eens spoedigen doods hem van het gevoel zijns
plichts had doen verdwalen, en overwegende, wat pijn en droefheid
zijnen vader treffen moesten, indien hij hem alleen op aarde liet,
schrikte hij van zich zelven bij de overtuiging zijner wreedheid. De
gedachte, dien dag te sterven, had hem den ganschen nacht
toegelachen, en nu moest hij, uit liefde tot zijnen vader, alle
pogingen aanwenden om een leven, dat hem lastig viel, te behouden.
Hij sprak:
"Vader, o, vergeef mij,--ik begrijp mijnen plicht. Ja, ik moet leven.
Welaan! ik zal met moed het schavot beklimmen. Dat al de smaad, al de
schande, welke een mensch dragen kan, op mij valle; ik zal opstaan
tegen den haat en de verfoeiïng! Nu vrees ik niets meer; bereid om
den slag met onverschilligheid te geven, zal ik mijne hand in het
bloed mijner broederen doopen, zonder dat een gevoel van afgrijzen in
mij opkome. Het is gezegd, zij hebben het gewild! Ween niet meer,
mijn vader, uw zoon zal beul zijn met een beulshart."
Men zou kunnen gelooven, dat Geeraart eensklaps was veranderd en dat
de afschrik van bloedvergieten in hem vergaan was, of wel, dat
mannelijke moed hem de macht gegeven had om dien schrik te
overwinnen; maar het was zoo niet. Geeraart bedroog zich zelven en
zijnen vader, en zijne woorden waren slechts voortgesproten uit de
innige razernij, die hem had bevangen, wanneer hij zich gedwongen zag
te kiezen tusschen twee besluiten, welke hem even pijnlijk, even
onmogelijk uit te voeren waren: òf zich den dood ten prooi te geven
en zijnen vader de grootste ondankbaarheid te bewijzen, òf wel beul
te zijn met hart en ziel. De foltering, voor hem uit die wisselkeus
ontstaan, was genoeg zichtbaar aan zijne houding; want hij beefde
sterker dan hij ooit gedaan had, en toen hij zeide: ween niet meer,
vader! borsten overvloedige tranen uit zijne eigene oogen, en hij
kwam met het hoofd tegen de borst zijns vaders te vallen.
In dien toestand bleven zij langen tijd, elkander pogende te
troosten, doch vruchteloos; want de oude beul vreesde niet zonder
reden, dat zijn zoon geenen moed genoeg hebben zou; en Geeraart
schrikte van een leven als hetgeen hem voorbereid was, indien hij die
eerste vonnisuitvoering kon volbrengen.
IV
Het was te zeven uren des avonds, dat de veroordeelde schipper
Herman moest gerecht worden;--men had het tot dit uur uitgesteld, uit
hoofde der volksvermaken, welke er dien dag hadden plaats gehad.
Langen tijd vóór het bestemd oogenblik zag men reeds talrijke hoopen
volks uit de St-Jorispoort naar het Galgeveld gaan om de wreede
vertooning bij te wonen.--Er is niets, dat het volk meer aanlokt dan
het beloofd gezicht van een hoofd, dat grimmend van het schavot
afrolt, terwijl vergoten bloed den grond met dampend rood komt
verven. Wat boos vermaak! Wat booze nieuwsgierigheid, die zich in het
vernietigen van den mensch verlustigt!
De mare der onthalzing deed er reeds velen op voorhand van ontroering
trillen: zij zullen gaan zien! En daar gekomen, toonen zij droefheid
en medelijden voor den veroordeelde.--Waarom? Om hunne hatelijke
natuur voor zich zelven en voor anderen te verbergen; want zij
gevoelen ook de wreedheid, die in hunne schandelijke nieuwsgierigheid
verborgen ligt.
Het Galgeveld zelf was overdekt met volk; vrouwen van allerlei stand
en ouderdom bevonden zich daar met dochters en zonen; en de oude
grijsaard, die anders niet uit den hoek der haardstede te jagen was,
had zijne laatste krachten verspild, om nog eens zijne stijve leden
tot onder het schavot te dragen, en het bloedig schouwspel eener
onthoofding bij te wonen.--Het was een grievend vertoog te zien, hoe
schaterend en hoe lachend de menigte daar wachtte, terwijl galgen,
mikken, raderen boven hunne hoofden met geraamten en halfverteerde
lichamen pronkten.
Tusschen het ineengedrongen volk en dicht bij het schavot stond Lina;
het hart klopte haar sterk in den bangen boezem, en wellicht zou zij
daar geweend hebben niettegenstaande degenen, die haar omringden;
maar zij was gekomen om Geeraart aan te moedigen, en zij gevoelde,
hoe slecht zij door hare tranen dit doel kon bereiken. Haar broeder
Frans bevond zich aan hare zijde, netjes opgekleed met eenen breeden
hoed en eenen bruinen mantel op de schouders, gelijk meest alle
burgers destijds droegen. Lina had hem den akeligen toestand van
Geeraart uitgelegd, en hij, met wilde edelmoedigheid begaafd, had
onwederroepelijk gezworen den kop in te slaan aan den eerste, die
eenen steen naar den jongen beul werpen zou, indien dit moest
gebeuren.
Daar het reeds laat in den avond en half duister begon te worden,
waren de beulsknechten werkzaam op het schavot om alles klaar te
maken, en men wachtte niet lang meer; want op dit oogenblik drong de
beulskar door het volk en werd door een algemeen geruisch
aangekondigd. De veroordeelde Herman, in zwart lijnwaad gekleed, zat
met eenen priester achter in het ruim van den wagen; Geeraart met het
groote zwaard bevond zich nevens zijnen knecht op den voortrein.
Zeggen wat er in het hart van den jongen beul omging, ware niet
mogelijk, vermits zijn gelaat niets getuigde; hij hield zijne blikken
nederwaarts gevestigd en bezag het volk niet. Voorwaar, indien het
zwaard hem niet had doen herkennen, zou men niet hebben kunnen
zeggen, wie van beiden, of hij, of Herman de veroordeelde was. Wat
men als zeker mocht aanzien, was, dat Geeraart meer door schaamte en
droefheid gepeinigd werd dan degene, dien hij rechten moest.
Gelukkiglijk voor hem had zijn vader hem verplicht het grijze haar,
dat hem een al te zonderling voorkomen gaf, te laten afsnijden,
anders hadde de menigte hem reeds bij zijne komst bespot en met
scheldwoorden bejegend.
De verdwaalde jongeling klom op het schavot zonder het te weten, en
was zoodanig door al wat hem omringde, verstomd, dat niets
bescheiden, voor zijne oogen of zijnen geest zich opdeed; hij zag
Lina ook niet, alhoewel deze hem door haren broeder meermalen teekens
deed doen.
De beulsknechten wilden den veroordeelde uit de kar op het schavot
leiden; doch deze gaf voor, dat hij zijne biecht nog niet wel
gesproken had en dat hij nu eerst zijn geweten gansch wilde zuiveren,
daar hij wel zag, dat er geen uitkomen meer aan was. Misschien
vestigde hij eenige hoop van verlossing op de aanstaande duisternis,
die langs hoe meer aangroeide: reeds konden die, welke wat verre
achteruit stonden, het schavot zelf niet wel meer zien. Het volk,
vreezende, dat de donkerheid de schoone vertooning aan zijne oogen
zou onttrekken, begon overluid om de uitvoering van het vonnis te
roepen. Dan bracht men den veroordeelde met geweld op het schavot, en
men deed hem vooraan op de knieën zitten; de knecht van den
scherprechter ontblootte den hals van het slachtoffer en toonde dien
met eenen beteekenenden blik aan Geeraart, alsof hij zeggen
wilde:--Meester, daar moet gij slaan!
Op het gezicht van het bloote vleesch, waarin hij hakken moest,
schoot Geeraart op uit zijne gevoelloosheid; zijne beenen begonnen te
trillen, dat het schavot er van beefde, en het zwaard viel hem uit de
vuist; echter werd dit voor alsdan niet bemerkt, aangezien het teeken
tot de uitvoering van het vonnis nog niet gegeven was. De knecht
raapte het moordstaal op en gaf het terug aan zijnen meester, die het
stuiptrekkend in de vuist wrong.
De Roode-Roede of bediende van het halsgerecht gaf het teeken, doch
Geeraart hoorde zijne stem, noch zag de roede nedergaan. Dan riep de
knecht, terwijl er reeds een kwaadvoorspellend gemor onder het volk
liep:
"Gauw! Meester, gauw!"