En toen het kind, met de tranen zijner moeder eer dan met hare melk

opgevoed, zich tusschen andere kinderen begaf, werd het gevlucht,

bespot, geplaagd, alsof zijn aangezicht eenen boozen duivel

verried;--toch was het zoo zoet en verduldig, dat het nooit eenige

teekens van gramschap of van drift tegen zijne vervolgers toonde;

alleen zijn vader wist, wat gal er zich in het hart van zijnen zoon

vergaderde.

Nu was het kind een man geworden. Ondanks al het lijden hadden de

spieren zijner leden zich ontwikkeld en hem eene tamelijke kracht

geschonken. Hij gevoelde in zich den dorst naar gezelschap, naar

uitstorting des harten, naar achting; maar de haat en de vervolging,

waaraan hij gewijd was, hadden hem niet verlaten: hij mocht zich

nergens, waar menschen waren, aanbieden, of laster, spotternij en

hoon vielen hem ten deel; en zoo hij dan niet als een verworpene

slaaf met een genade afbiddend gelaat zich verwijderde, werd hij als

een hond met slagen afgedreven. Voor hem geen recht op aarde; het

gebed alleen was hem toegelaten, en het was slechts bij God, dat hij

biddend om troost en verlichting mocht smeeken.

Dit was het leven van den persoon, die zoo vol wanhoop, zoo vol

zielepijn, dáár tegen den populierboom rustte....

En nochtans, er was in zijn hart gevoel en liefde, in zijnen schedel

vernuft en geest; zijne wezenstrekken waren edel, zijn tred fier en

mannelijk, zijne stem zacht en ernstig.... Hij riep op dit oogenblik

verstaanbaar tot den Hemel, terwijl hij zijne twee armen omhoog hief:

"O God, o God! indien Uw heilige wil mij om te lijden geschapen

heeft, geef mij dan ook de macht om den last te dragen. Mijn hoofd

brandt! Mijne zinnen verdwalen! Bescherm mij, Heer, voor wanhoop en

vertwijfeling! Laat mij de troostende gedachte uwer goedheid ... en

uwer rechtvaardigheid, want doodende twijfel zinkt in mijnen boezem."

Zijne stem verdoofde langzaam en smolt weg in een onverstaanbaar

gemor; dan, zich plotseling vooruitwerpende, liep hij met snelle

schreden door de Schuttershofstraat, tot bij den Driehoek, en draaide

de Houtstraat in. Van dan af vertraagde hij allengskens zijnen gang,

en men kon bemerken, dat eene dwingende gedachte hem beheerschte;

want bij poozen bleef hij beweegloos staan gelijk iemand, die, om

beter te kunnen overdenken, de beweging zijner leden wederhoudt.--Op

eens kwam een schraal en droog geratel uit zijne borst op, een

geluid, gelijk aan het gekrijsch der nachtrave. Hij zuchtte:

"Ho! de dorst brandt in mijnen boezem als vergif,--ik moet drinken!"

Dit zeggende, liep hij met looze stappen nevens de huizen, en bleef

eene korte poos staan voor al de vensters, waaruit het licht

straalde; doch telkens vervolgde hij zijnen weg, want hij hoorde

stemmen van menschen in de huizen klinken, en dit was hem genoeg om

zich met spoed te verwijderen. In de St-Jansstraat hield hij voor

eene herberg wat langer stil en luisterde met meer acht aan alle

vensters; na dit onderzoek kwam eene uitdrukking van blijdschap op

zijn gelaat, en hij sprak binnensmonds:

"Ha! daar is niemand in,--ik zal kunnen drinken!"

De klink van de deur oplichtende, ging hij binnen. Ongelukkige! Hij

dacht, dat niemand er zich in bevond, omdat hij niets hoorde; maar

hoe vond hij zich bedrogen, toen hij zag, dat de kamer opgevuld was

met allerlei personen, die met de kan in de hand rondom eene tafel op

iets schenen acht te geven.

Een der gasten speelde, tot vermaak der anderen, uit den haaszak, en

was juist bezig met zich tot het uitvoeren van eenen wonderbaren

kunstgreep te bereiden, toen de onbekende wandelaar voor het venster

luisterde. Daar de omstanders op de handen van den speler acht

gegeven hadden, om het geheim van den kunstgreep te ontdekken, hadden

zij zich niet verroerd en met stilzwijgen het spel van hunnen makker

nagezien.

De dorstige vreemdeling beefde op het gezicht van zoovele menschen,

en deed eenen stap terug naar de deur om het huis te verlaten; doch

ziende, dat de hoofden nieuwsgieriglijk naar hem gekeerd waren, en

vreezende vervolgd te worden, ging hij tot den toog en eischte eene

kan bier van de waardinne. Deze bezag den geheimen gast met

wantrouwende oogen en poogde zijn aangezicht onder den rand van

zijnen hoed te ontdekken, maar hij, dit bemerkende, boog het hoofd

dieper en ontging dus haar onderzoek.

Terwijl de waardin de trappen van den kelder afliep om het gevraagde

bier te halen, hadden de andere gasten het oog naar den vreemdeling

gewend, en spraken elkander suizend in het oor; een van hen scheen in

gramschap ontstoken en deed door zijne toornige gebaren genoeg zien,

dat hij groote begeerte had den onbekende te mishandelen. Deze hield

den rug tot hen gekeerd en wachtte beweegloos naar het bier, zoodanig

bevende van angst en vrees, dat zijne lenden onder zijnen mantel

rilden. De waardinne spoedde zich een weinig meer dan naar gewoonte,

en reikte weldra de volle kan aan dengene, die hare nieuwsgierigheid

had opgewekt.

De jongeling dronk met haast en ledigde in éénen teug de kan tot op

de helft; dan deze op den toog plaatsende, gaf hij eenen Stooter van

twee stuivers aan de waardinne. Gelijk zij hem eenen Blank wilde

teruggeven, kwam een der gasten met drift van de andere zijde der

kamer toegesprongen, vatte de kan van den toog en smeet het bier, dat

ze nog bevatte, in het aangezicht van den bevenden jongeling.

"Vervloekt beulskind!" schreeuwde hij. "Hoe? gij zult in ons

gezelschap komen drinken? Wat let mij, dat ik u op staanden voet hals

en beenen breke? Maar gij zijt gelukkig, kerel, dat ik mijne handen

aan uw lijf niet wil vuil maken, radbraker!"

De ellendige, dien men beulskind genoemd had, was waarlijk de eenige

zoon van den scherprechter van Antwerpen; zijn naam was Geeraart, en

hij was weinig boven de twintig jaar oud. Het was daarbij gemakkelijk

te verstaan, waarom hij zoo van de menschen schrikte, aangezien de

haat en de verachting hem vervolgden. Hetgeen hem nu gebeurde,

geschiedde telkenmaal als een scherprechter zich in een gezelschap

van burgeren dorst begeven.

De ongelukkige Geeraart boog verduldiglijk het hoofd en bezag het

bier, dat van zijne kleederen leekte zonder een enkel woord tegen

zijnen wreeden vijand te spreken. Deze hield echter niet op van hem

alle hoonende scheldwoorden toe te werpen, en riep eindelijk tegen de

waardinne:

"Zie, vrouw, morgen zal ons gezelschap van hier naar den Sebastiaan

verhuizen: wij zullen ons geld hier niet meer verteren.--Gij zoudt

ons misschien morgen wel uit de kan van den beul doen drinken!"

"Daar! daar ligt de kan!" riep de waardinne met benauwdheid en

gramschap, terwijl zij den steenen pot op den grond aan stukken

wierp. "Kan ik daar aan doen, dat dit galgekind in eens eerlijken

mans huis komt?"

En zich tot Geeraart keerende:

"Gaat gij uit mijn huis gaan, schelm? Menschenpijniger! Vertrekt gij

nog niet, beulenras?"

De jongeling had tot dan alles met onderwerping aangehoord; doch bij

al die bittere verwijtingen was de mannelijke fierheid in zijn hart

opgekomen, en in stede van op het geschreeuw der waardin te

vertrekken, hief hij het rijzig hoofd in de hoogte en antwoordde haar

met koelheid:

"Vrouw, ik zal heengaan. Ik, alhoewel beulszoon, zou voor mijnen

evenmensch meer medelijden gevoelen. Mijn vader pijnigt menschen,

omdat de wet en de menschen hem er toe dwingen, maar gij allen

pijnigt mij zonder nood en zonder dat ik u ooit iets hebbe misdreven.

Gedenkt, dat gij tegen God misdoet, wanneer gij mij als eenen hond

behandelt!"

De stem van den jongeling was zoo zoet en zoo treffend, dat de

waardin zich er over verwonderde; zij kon niet begrijpen, hoe het

mogelijk was, dat iemand zoo zachtmoedig bleve, nadat men hem zoo

hard had behandeld. Een traan blonk in haar oog, en den Stooter van

den toog opvattende, wierp zij hem Geeraart toe, zeggende:

"Daar, ik wil uw geld niet: neem het en ga met vrede!"

Degene, die het bier in Geeraarts aangezicht gesmeten had, raapte den

Stooter van den grond, en, hem bezien hebbende, wierp hij hem met

afschrik op eene tafel.

"Ziet, ziet, er is bloed aan den Stooter," riep hij, "menschenbloed!"

Al zijne makkers drongen rondom de tafel, en deinsden van schrik

weder achteruit, alsof zij het lijk gezien hadden, waarvan zij dit

bloed waanden voort te komen. Een algemeene schreeuw van smaad en

afgrijzen werd tegen Geeraart uitgegalmd.

De jongeling wist, dat dit verwijt valsch was; want hij had

denzelfden Stooter nog dien avond, tijdens het lof, van eene

stoelenzetster in de kerk ontvangen. De onrechtvaardigheid zijner

vijanden vervoerden hem dermate tot gramschap, dat hij zijne koelheid

gansch verloor, en van toorn zoo bleek werd als een linnen doek.

Zijnen hoed dieper op het hoofd geplaatst hebbende, sprong hij in

woede tot bij de tafel, waarop de Stooter lag, en borst als een dolle

leeuw tegen zijne vijanden uit:

"Boosaardigen! Wat raast gij van bloed? Ziet gij niet, dat dit stuk

geld van eene slechte stof is, en dat het rood schijnt gelijk alle

andere Stooters? Maar, neen, de lust tot kwaad verblindt u. Gij zegt,

dat ik een beulskind ben,--ja, zoo wilde het God!--doch gij zijt

verachtelijker dan ik, en ik ben trotsch en hoogmoedig, dat ik noch

bij naam, noch bij daad aan zulke bedorvene menschen, als gij zijt,

gelijk!"

Even waren die woorden hem ontsnapt of vuistslagen en stampen vielen

van alle kanten op hem; hij weerde zich dapper en dwong meer dan

éénen vijand to zwichten; doch het getal was te groot voor zijne

macht....

Verwenschingen en smaadwoorden klonken verward in de kamer; kannen en

glazen vielen tusschen de omgeworpene tafels en stoelen aan stukken;

de waardin riep om hulp....

Na eenigen tijd geworsteld te hebben, bevond Geeraart zich te midden

der straat, nog gansch verdwelmd en bezeerd van de slagen, die hij

had ontvangen. Hij schikte zijnen mantel, deed de blutsen uit zijnen

hoed, en vervolgde zijnen weg op dezelfde wijs als hij hem had

begonnen, zonder nog aan dien twist te denken. Veel schrikkelijker

zaken spreidde zijn geest in de duisternis voor zijne oogen uit.

[Illustratie: Hij weerde zich dapper en dwong meer dan éénen vijand

tot zwichten.]

Gedurende den tijd, dien Geeraart in dit krakeel versleten had, was

er ergens eene maagd, wier hart hevig klopte, en die met benauwdheid

op de komst van het beulskind wachtte, alsof een geheim voorgevoel

haar zeide, dat iets hem moest miskomen. Zij alleen was een engel van

troost en lafenis voor den ongelukkigen jongeling, en beminde hem

uitermate,--omdat zij wist, dat hij van iedereen veracht en versmaad

was. Hare liefde had aan de berispingen harer moeder, aan de

verwijtingen harer geburen en aan de bespotting der andere meisjes

wederstaan. Ja, wanneer men haar het ambt van Geeraarts vader als

een scheldwoord toewierp, en dat men haar beulsvrouw of nog erger

noemde, verblijdde zij zich, omdat zij dan den edelmoed en de

zuiverheid harer liefde gevoelde en dacht, eene aan God aangename

drift te voeden. Zij had gelijk, de goede maagd; want geen geld of

goed hebbende om, volgens den wil des Heeren, hare ongelukkige

evenmenschen bij te staan, schonk zij integendeel den kostelijksten

schat haars harten, de vlam eener zuivere min, aan den ongelukkigste

harer stadgenooten.

Apolonia of Lina, zoo was haar naam, woonde in de Vliersteeg, op eene

kleine kamer, met hare oude moeder en met haren broeder Frans.--een

goeden jongen, die gedurende vijf dagen in de week zich zelven te

zweet werkte, een halven dag in de kerk ging bidden en anderhalven

dag in de herberg met drinken en zingen doorbracht, van waar hij

zelden zonder blauwe oogen terugkwam. Gedurende de vijf dagen, die

hij tot werken bestemd had, was er naarstiger, noch bekwamer

timmerman; ook bracht hij des Zaterdags en zonder feilen altijd een

goed deel gelds aan zijne oude moeder, welke hem daarom bijzonder

liefhad.

Terwijl Geeraart zich naar de Vliersteeg spoedde, zat Lina met hare

moeder bij de schouw aan het kantwerken; daar zij uit spaarzaamheid

slechts één licht branden wilden, hadden zij hare lichters dermate

geschikt, dat zij met het aangezicht naar elkaar gekeerd zaten. Wat

verder, aan de andere zijde der kamer, stond een timmermanswerkbank,

waarbij de arbeidzame Frans bezig was met iets te timmeren. Wat de

kamer zelve betreft, die was wel zuiver en met wit zand bestrooid,

wel met een kruisbeeld en eenige beeldekens van heiligen versierd,

doch niet prachtig; want de personen, welke ze bewoonden, wonnen niet

veel met het dagelijksch werk hunner handen.

Gewoonlijk kwam Geeraart om acht uren des avonds; nooit had hij dit

nagelaten zonder Lina er van te verwittigen; nu was het reeds tien

uren, en hij was nog niet verschenen. Het meisje wist niet wat te

denken, en was zoo mistroostig en zoo verstrooid, dat zij op eene

vraag, welke hare moeder haar deed, niet antwoordde.

"Wel kind," riep de oude vrouw, "wat let u dan? Komt hij vandaag

niet, dan komt hij morgen. Er zijn immers dagen genoeg in 't jaar?"

"Ja, moeder, gij zegt wel; maar ik ben bang, dat hem iets kwaads zal

gebeurd zijn: hij komt toch nooit zoo laat. De menschen zijn zoo

boos op hem"

"Ja maar, kind, hij is toch de zoon van den beul, en die hebben

altijd in den haat gestaan. Men heeft immers den beul Harmen

doodgeslagen en den beul Hansken aan den Kroonenburgtoren

verdronken?"

"En wat hadden die menschen gedaan, moeder?"

"Dit weet ik niet,--niets, geloof ik. Maar dit is, omdat de beulen

zoovele onnoozele menschen ophangen."

"Wel, de beul moet doen wat de schout hem gebiedt, moeder; waarom

verdrinken ze dan liever den schout niet?"

"Ho! ho! Lina, dit is altijd zoo geweest; en er is een spreekwoord,

dat zegt, dat in een nest, waarin vele honden zijn, de kleinste

altijd het minst eten krijgt en het meest gebeten wordt."

"Dat is een leelijk spreekwoord, moeder...."

Nog lang redekavelden zij op dien toon, totdat de oude vrouw het

waken moede werd en tot hare dochter geeuwend sprak:

"Kind, sta op, wij zullen gaan slapen, want 't is al zoo laat!"

Dit bevel behaagde het meisje niet, daar zij de hoop op Geeraarts

komst nog niet verloren had; zij wist niet wat uit te vinden, om hare

moeder op te houden. Zou zij liegen? Zich eenigen tijd daarover

bepeinsd hebbende, waagde zij toch eene kleine leugen.

"Moeder," sprak zij, "laat ons nog wat wachten: nog drie bloemen en

dan is mijne kant afgewerkt."

"Wel, spoed u dan wat, kind lief; want mijne oogen gaan toe."

"Ik ga nog niet slapen!" riep Frans van zijne werkbank. "Ik moet dit

naaikussen afmaken voor de waardin uit het _Paardeken_; zij zal het

morgen vroeg komen halen."

"Jongen, jongen," sprak de moeder met eenen berispenden glimlach,

"gij zult gewis op Zondag meer in het _Paardeken_ gedronken hebben,

dan uwe beurze kon lijden. Werk dan maar om uwe schuld te

betalen.--Ik ga te bed. Vergeet niet te bidden, eer gij slapen gaat."

Zij stond op en begaf zich in een ander, klein vertrek, onder het

mompelen van een stil _goeden nacht_.

Nauwelijks kon de moeder eenige stonden te bed zijn, toen Geeraart

aan de deur klopte en door Frans werd binnengelaten.

Hij was zeer bleek in het aangezicht en uitermate droef; doch dit

verwonderde Lina niet, vermits zij zelden het voorhoofd haars

minnaars zonder de rimpelen van smartelijke gepeinzen gezien had. Met

langzamen tred ging de jongeling tot de maagd, vatte stilzwijgend

hare hand en drukte ze even stilzwijgend op zijne borst. Dit was zijn

gewoonlijke groet; maar bij gebrek aan woorden, die hij weinig

gebruikte, spraken zijne oogen de diepste dankbaarheid en de innigste

liefde.

"Geeraart," riep Lina, "wat hebt gij? Uwe hand is koud als lood! God!

er is bloed aan uwen hals...."

"Het is niets, Lina; in de duisternis heb ik mij onvoorzichtiglijk

bezeerd. Hoe gelukkig zou ik zijn, indien ik slechts aan het lichaam

mocht lijden."

Dit laatste gezegde was vergezeld van een diepen zucht, waarvan de

holle toon Lina met angst en benauwdheid vervulde. De strakheid van

Geeraarts scherpe blikken deed haar voor een vervaarlijk nieuws

vreezen. Met liefderijken kommer reinigde zij zijn hoofd van het

weinige bloed, dat uit eene geringe wonde gestort was, en vatte

ondertusschen de hand van haren minnaar, deze drukkende als om hem

moed in te boezemen en hem hare innige liefde tot troost te doen

gevoelen.

Geeraart bezag het meisje met beweeglooze oogen; men zou gezegd

hebben, dat hij zijne ziel in haar wilde overzenden; want hij staarde

met zulke kracht op haar, dat zij hem losliet en, op eenen stoel

nederzinkende, hem toeriep:

"O, Geeraart, bezie mij toch zoo niet! Het leven ontgaat mij onder uw

gezicht...."

De jongeling boog het hoofd en blikte ten gronde, doch haar weldra

opnieuw beziende, nam zijne stem eenen toon aan, die eenen

doodelijken angst verried en het hart van Lina wreedelijk

verscheurde.

Terwijl het meisje hem schier gevoelloos aanhoorde en hij op eenen

stoel voor haar nederzat, sprak hij:

"Vriendinne, luister, bid ik u, want ik zal lang spreken: mijne stem

hoort gij voor de laatste maal."

Zonder op de bleekheid der bevende Lina acht te geven, ging hij

voort:

"Nog kinderen zijnde, hebben wij samen gespeeld; iets, dat wij niet

begrepen, en dat nu in de dwingende vlam der liefde is veranderd,

trok ons tot malkaar. Dan wist gij niet, engel dat gij zijt, wat het

is de eerstgeborene van eenen beul te zijn; gij wist niet, dat

degene, die hangt en radbraakt en brandmerkt, met meer schande

beladen wordt dan die, welke door hem gehangen of gebrandmerkt

worden. Later hebt gij iets er van geweten; maar uwe zuivere ziel

wilde in de onrechtvaardigheid der menschen niet deelen, en naarmate

mijn ongeluk zich voor uwe oogen ontrolde, werd uwe liefde ook

grooter, omdat gij wist, dat ik die liefde noodig had om niet te

sterven. O, ja, zonder u zou die zielepijn mij lang gedood hebben,

want ik geloofde aan niets meer dan aan de rechtvaardigheid van den

God, die mij een beter leven bereidt en aan de onvergankelijkheid

uwer min.--De menschen vervolgen mij als eenen gevloekte; het bloed,

dat gij nog op mijnen hals ziet druipen, is gestort door hunnen

boozen haat; maar dit ware niets, mijne lieve, o neen, ik zou geene

enkele klacht voortbrengen, indien mijn lichaam tusschen twee steenen

verpletterd werd,--maar de pijn,--de foltering zit dáár!"

Hij bracht den vinger op zijn bleek voorhoofd, terwijl hij dus

voortging:

"Weten, dat men het zuiverste leven, met de grootste goedhartigheid,

door iedereen bespot, geslagen en gehaat moet worden,--zonder ooit,

ooit, door welke edelmoedigheid het zij, iets anders dan slijk in het

aangezicht te krijgen. O, engel van goedheid, verstaat gij, dat dit

meer is dan ik kan dragen, en dat mijn hart droog wordt bij die

pletterende overtuiging?"

"Dit heb ik lang verstaan," zuchtte Lina door hare tranen. "Zijn uwe

pijnen niet in mijn hart? Komt er droefheid op uw gelaat, zonder dat

mijn oog zich met het bitter water der smart bevochtige?..."

Geeraart hield een oogenblik op van spreken, om zijne vriendin te

hooren, doch vervolgde zonder van zijne eerste rede af te wijken:

"Wij hebben ons gevleid met de hoop, dat een onverwacht voorval mij

van het beulsambt zou bevrijden, en dat wij dan gerust en onbekend in

eene andere stad zouden hebben kunnen wonen; maar eilaas, lieve Lina,

wij hebben gedroomd. Het noodlottig uur is gekomen,--morgen, ja reeds

morgen zult gij uwen ongelukkigen Geeraart met het moordzwaard in de

vuist op het schavot zien. Daarom is de hand, die den doodslag geven

moet, koud als ijs.--Daar, voel!"

En hij reikte eene lijkvervige hand aan zijne vriendin.

"Mijn vader ligt ziek te bed," voegde hij er bij, "en de Schout heeft

mij bevolen, morgen den schipper Herman te rechten!"

Alsof de zielskracht van Geeraart waarlijk in Lina ware overgegaan,

hielden hare tranen eensklaps op van vlieten, en hem beziende met

blikken, die nog strakker dan de zijne waren, vroeg zij:

"Welnu, wat eischt gij dan?"

"Ik eisch, dat gij mij vergeet en mij alleen aan de smart en aan de

verachting overlaat. O, Lina, geef mij dien troost!"

"Weegt mijne liefde u zwaar, Geeraart? Zou uw hart voor dit gevoel

ook droog geworden zijn?"

"Neen, vriendinne; maar iets anders doet mij een eeuwig afscheid van

u vragen;--gij hebt uw jong leven onder den smaad en de beschimping

der andere menschen om mijnentwil versleten, en gij hebt den zoon van

eenen beul met uwe liefde bedekt, om hem voor de schichten des haats

te bevrijden; door u alleen heb ik het geluk gesmaakt, dat mij anders

onbekend zou zijn. Ja, gij hebt u als eene martelaresse voor mij

opgeofferd. Het gevoel, dat mij aan u verbond, heeft mij tot hiertoe

verblind gehouden; maar gedenk, goede Lina, dat ik morgen niet meer

een beulszoon, maar de beul zelf zal zijn. En gelooft gij, kunt gij

denken, dat ik zooveel zelfopoffering van u zal vragen? dat ik lijden

zal, dat men u verwijte, dat de beul zelf uw minnaar is?--Gelooft gij

mij onedel genoeg om u, u, die de zuivere onnoozelheid zelve zijt, na

morgen nog met mijne handen, aan te raken? met handen, die in

menschenbloed zullen gedoopt zijn? O, zeg mij, dat gij ten minste mij

nog groot van gemoed acht, dat gij mijne ziel kent, en dat gij weet,

dat ik zulks niet doen zal, of doen kan!"

Eene zonderlinge verandering deed zich op de wezenstrekken van het

meisje bemerken; er was eene uitdrukking op gekomen, die zonder

twijfel uit een gevoel van blijdschap voortsproot, want hare oogen

blonken met een helder vuur, en een zoete glimlach bewoog hare

lippen. Zonder den hartstocht, welke haar op dit oogenblik vervoerde,

te begrijpen, gaf zij zich over aan de inspraak van haar hart, en

gevoelde die innige vreugd, welke een edelmoedig besluit met zich

brengt. Zij antwoordde zonder ontsteltenis:

"Welnu, mijn vriend, ik begrijp ten volle, wat gij zeggen wilt, wat

edel gemoed het uwe is; maar denkt gij, dat ik u niet eene gelijke

liefde toedraag, of dat ik min edel van hart ben? O, ik blijf de uwe,

morgen nog en voor eeuwig. Ik zal u beminnen, beul of niet,--hier of

op het schavot. Geeraart, ik begrijp mijnen plicht: eens word ik uwe

vrouw, ondanks den smaad der menschen, en ik zal over uw leven den

balsem der genegenheid altijd doen vloeien."

"Nooit,--nooit, Lina, wordt gij de vrouw van eenen beul. Indien ik

misdadig genoeg ware om dit te lijden, verdiende ik den eeuwigen

vloek. Zou ik met u mij in den poel van schande en verachting

trekken? O, neen."

"Nooit verlaat ik u, Geeraart: ik hecht mij onafscheidbaar aan uw

lot, en gij zelf zijt niet machtig genoeg om mij van u te scheiden.

Gelooft gij, dat ik u wil laten sterven? Vriend, indien gij wist hoe

trotsch, hoe hoogmoedig ik ben op dezen stond! Ho, ik zal met

betrouwen tot de heilige tafel gaan; want ik gevoel in mijnen geest,

dat de rechtvaardige en goede God mij om die woorden zal beloonen."

Zeggen wat de verwonderde jongeling gevoelde, is onmogelijk; hij zag

met verdwaaldheid dit kind, dat zich zoo edelmoedig voor zijn welzijn

opofferde en zich voor hem aan den smaad en de schande wilde ten

prooi geven. Ditmaal schetste een waar geluk zich op zijn gelaat, en

een zware zucht ontlastte zijne borst. Hij hief de oogen ten hemel en

riep:

"O, God, vergeef mij: ik dorst mij tegen U beklagen, en Gij hebt mij

eenen uwer engelen geschonken."

Lina voelde zich bij dit dankbaar gebed veredeld; men kon op haar

voorhoofd het rood der zedigheid en in hare oogen het vuur der

trotschheid zien blinken.

Gedurende den tijd, welken de twee gelieven aan die samenspraak

gesleten hadden, was Frans met werken voortgegaan, zonder veel acht

op zijne zuster en Geeraart te geven; doch nu zijn naaikussen

afgemaakt was, begon het waken hem schrikkelijk te vervelen. Met

zijne lamp tot bij Lina komende, sprak hij:

"Sa, Lina, ik heb grooten vaak en zou gaarne gaan slapen. Gij moest

aan Geeraart zeggen, dat hij morgen wat vroeger kome."

Ofschoon Geeraart nog veel aan zijne vriendin te zeggen had, wilde

hij echter den goeden Frans zijne nachtrust niet ontrooven; hij nam

zijnen hoed, en zich bereidende om uit te gaan, zeide hij:

"Frans, ik moet morgen op het schavot een mensch het hoofd afslaan."

"Pas maar op, Geeraart," antwoordde Frans met ongevoeligheid, "want

zoo gij misslaat, wordt gij dood geworpen gelijk de beul Harmen; maar

dan zal ik u bijstaan."

De jonge scherprechter bezag Lina met diepe droefheid en ging naar de

deur om het meisje te verlaten, eenen traan uit zijn oog vegende. Zij

wierp zich om zijnen hals en sprak de volgende woorden op

nadrukvollen toon:

"Op het galgeveld zal ik bij het schavot staan ... bezie mij dan

wel!"

En zij hoorde, met weenende oogen en benepen hart, de stappen van

haren minnaar in de straat galmen en vergaan.

II

Avondstonden · 第 4 / 10 段