sloeg den arm om hare lenden, trok ze met geweld aan hare zijde en
bleef, bitterlijk weenend, tusschen de twee kranke wichtjes liggen.
Hare andere kinderen zaten in de nabijheid hunner moeder, en
schreiden met hartverscheurend snikken.
Op dit oogenblik vertoonde zich aan de deur der zaal een persoon,
wiens kleeding geheel van zwart laken was; zijne verschijning op dit
tooneel geleek sterk aan de komst van den bode des doods;--doch hij,
die akelige tooneel aanziende, boog het hoofd en wischte twee
blinkende tranen uit zijne oogen.
"Rampzaligen!" zuchtte hij.
[Illustratie: Daar lag haar zoon op den rug uitgestrekt.]
Op den klank dezer stem ontwaakte mevrouw Van Valburg; zij vloog op van
den grond, en tot den geneesheer loopende, viel zij voor hem op de
knieën, hief de handen tot hem, en riep tusschen eenen vloed van tranen:
"O, heer Schippers, heb medelijden met mij! Red mijne kinderen om Gods
wil, red ze van den dood! Zie, ik kruip voor u,--ik kus het stof uwer
voeten als eene slavin! Zult gij mijne kinderen redden?"
De geneesheer hief haar haastig van den grond op, en in zijne
ontroering bracht hij zijnen arm om haren hals, alsof hij haar een
teeken van liefde wilde geven, maar hij was door hevig medelijden
buiten zich zelven. Hij bleef een oogenblik stilzwijgend in hare
oogen staren, doch herriep weldra zijnen moed,--en tot de lijdende
kinderen gaande, sprak hij:
"Ongelukkige moeder! Gij brengt tranen in mijne oogen, terwijl ik
hier al mijne kalmte noodig heb. Wees bedaard, het kwaad is misschien
niet zoo erg, als gij het u inbeeldt. Gevaarlijk is deze ziekte, maar
niet altijd doodelijk; en hoezeer de toestand uwer beide kinderen ook
schrikkelijk zij, blijft mij niettemin nog eenige hoop over."
De knecht kwam op dit oogenblik met nog eenen geneesheer in de zaal.
De heer Schippers hernam:
"Pieter, leid uwe meesteresse met hare vier gezonde kinderen in een
vertrek, dat aan den anderen kant des huizes gelegen zij. Mevrouw,
die maatregel is noodig. Ga, en geef u niet te veel aan uwe droefheid
over; zij kan een schadelijken invloed op uwe kinderen hebben."
Zooals de knecht het bevel van den geneesheer wilde uitvoeren en aan
zijne meesteresse zeide, dat hij bereid was om haar te vergezellen,
liep zij nog eens naar hare kranke kinderen, kuste ze nog eens
huilend en riep met verpletterd wee:
"Eugène! Virginia! vaartwel voor eeuwig.... O, God! ik zal u nooit
meer zien...."
Zij waggelde op hare beenen en ging ten gronde storten; maar de
knecht ontving haar in zijne armen en bracht ze met hare vier
kinderen in eene afgelegene kamer. Hier viel zij als zonder gevoel in
eenen leunstoel, liet het hoofd slap op de borst hangen, en verroede
zich niet meer dan om van tijd tot tijd met de handen eens te tasten,
of hare kinderen nog omtrent haar waren.
De knecht had haar verlaten om de geneesheeren te gaan helpen; doch
na eenige oogenblikken werd hij door hen teruggezonden naar de kamer,
waar mevrouw Van Valburg zich bevond. Hij kwam dan zachtjes omtrent
zijne meesteresse en nam het oudste meisje, dat reeds teekens van
ziekte gegeven had, van haar weg. Hij ging op de punten zijner voeten
als een dief, en deed alle moeite, om niet door de moeder gemerkt te
worden;--maar dit was te vergeefsch. Zij opende de oogen met eenen
grievenden schreeuw, wierp zich vooruit naar den knecht en rukte hem
het kind uit de armen.
"Clotilde!" riep zij, op haar kind met dwaasheid blikkende, "mijne
Clotilde, gij, mijn allerliefste telg,--gij, die den naam uwer moeder
draagt ... gij zoudt sterven! Ik zou u overleveren in de handen des
doods!"
Maar zij gevoelde tegen hare borst de krampachtige trekken der leden
van het kind en zag, hoe diep hare oogen reeds in den schedel
gezonken waren.
"Clotilde!" zuchtte zij in de uiterste moedeloosheid, "bezie uwe
moeder nog eens, mijn arm kind;--gij ook verlaat mij, gij, mijn
evenbeeld! Het zij dan zoo! Daar, Pieter, daar is mijn kostelijkste
schat.... Vaarwel, vaarwel!"
En zij liep naar den stoel, in welken zij zich als een steen en
deerlijk huilend vallen liet.--Na eenigen tijd met starende oogen,
misschien in zwijm daar gelegen te hebben, kwam er meer leven in
haar, en het was merkbaar, dat schokkende gedachten beurtelings in
haren geest opstegen. Eensklaps wierp zij zich op de knieën, met de
handen tot God. Het brandend gebed, dat zij den hemel toezond, was
onvatbaar; de woorden vergiffenis, genade, hoovaardigheid, zonde
lieten alleen met eenige klem zich tusschen hare verzuchtingen
hooren. Zij geleek in dien stond de boetende Maria Magdalena, en
stortte bloedtranen over haren ganschen levensloop. Dit gebed, die
biecht tot God, duurde lang; dan eindelijk stond zij op met niet min
hartpijn, doch met een weinig meer kalmte, en riep met luider stemme
den knecht, die onmiddellijk verscheen.
"Pieter," vroeg zij, "hoe gaat het met Eugène, met Virginia, met
Clotilde? Ho! spreek, mijn vriend, verberg mij de waarheid niet...."
De knecht borst in tranen los; doch antwoordde niet op hare vraag.
"Genoeg! genoeg!" hernam zij met holle stem, "ik versta uwe smart.
God wil het! Ik heb sedert weinig tijd geleerd, mij aan Zijnen
almachtigen wil te onderwerpen. Kon ik door deze onderwerping Zijne
genade, Zijne barmhartigheid winnen! Maar, eilaas, ik voel het wel,
de beproeving is nog niet gedaan.--Pieter, mijn vriend, ik verzoek
u, dat gij u spoedig naar mijnen zaakwaarnemer begevet: zeg hem, dat
hij heden nog den wissel betale van mijnheer Soeteveld, die gevangen
zit. Neem ook deze beurs; zij bevat eenige goudstukken. Draag ze tot
vrouw Soeteveld, mijne schoonzuster, dezelfde, die hier dezen morgen
was, en bid haar, dat zij onmiddellijk gelieve bij mij te komen.
Verhaal haar mijn ongeluk en mijn lijden; zij zal niet weigeren. Nu
ken ik ze!"
De knecht nam de beurs en verliet haar. Zij, door het gebed merkelijk
verlicht, ging tot hare drie overblijvende kinderen en bezag ze
beurtelings met gespannen aandacht. Geene verandering op hun gelaat
bemerkende, begon zij hen te zoenen en te streelen met eene
uitdrukking, die nog genoeg verdwaaldheid verried; want men zou
gezegd hebben, dat eene dwaze vreugde op eenmaal de droefheid in haar
hart vervangen had.--Maar die blijdschap moest van korten duur zijn.
Terwijl zij, in de leunstoel neergezeten, met moederlijken wellust op
hare overblijvende kinderen staarde, was de nijdige cholera reeds
bezig met zijnen gloed in hunne lichamen te ontsteken. Plotseling
viel de jonge Frederik als een looden beeld achterover op den grond,
en spartelde met ijselijke grimmingen en met eene ratelende ademing;
zijne voetjes sloegen als hamers op den vloer, en al zijne leden
kromden onder de trekkingen der akeligste krampen.
U zeggen, hoe het hart der moeder zich scheurde bij dit gezicht, ware
onmogelijk; zelfs zou het niet te begrijpen zijn, hoe eene vrouw
zonder sterven die onophoudende zielsfolteringen kon doorstaan,
indien men niet wist, dat kort opeenvolgende schokken de veerkracht
van het zenuwstel verminderen. Dan, mevrouw Van Valburg zag gedurende
eenige stonden haar kind voor zich op den grond rollen en met de
nagelen het vleesch zijner handen scheuren; zij blikte als in eenen
steen veranderd op dit afschuwelijk tooneel, totdat zij eindelijk
opsprong, en het kind vattende, er mede naar de zaal liep, waarin de
geneesheeren zich bevonden.
Hier ontvloog haar eerst een gil ... en zij stortte machteloos met
haar kind op het tapijt.--Arme moeder! Zij had met een vluchtigen
blik haren Eugène en hare Virginia gelijkt zien liggen.
Toen zij langen tijd daarna ontwaakte, bevond zij zich in de zaal en
in den stoel, dien zij verlaten had. Eene jonge vrouw hield een harer
handen en was met teedere zorg bezig, haar tot het leven terug te
roepen. Mevrouw Van Valburg zond hare oogen dwalend rond het vertrek,
en scheen hare herinneringen bijeen te rapen; hare twee kinderen bij
zich ziende, sprak zij tot de jonge vrouw met altijd groeiende
kracht:
"Carolina, ik was plichtig aan wreedheid en onrechtvaardigheid jegens
u. Uwe woorden zijn als eene voorzegging geweest;--gij ziet het, ik
ben rampzalig en verlaten. De Heer heeft mij bezocht en geslagen in
alles, wat mij dierbaar is. Ik hoop nochtans, dat Hij mij niet alleen
op de wereld zal laten; misschien zal Hij in zijne goedheid mij het
leven van een mijner kinderen schenken; maar daartoe heb ik uwe
vergiffenis noodig. O, zuster, de blinddoek is mij ontvallen! Zeg
mij, vergeeft gij mijne misdaden?"
De jonge vrouw smolt weg in medelijdende tranen en zuchtte:
"O, mevrouw, ik heb God voor u gebeden! Mijne vergiffenis is u lang
vergund. Ik versta uwe smart en uw lijden, want ik ben ook moeder, en
bemin de kinderen mijns broeders als mijn eigen kroost. Ho, ik wil u
niet verlaten, vóórdat wij eenigen uwer kinderen gered hebben; wij
zullen te zamen weenen en bidden, en misschien zal de Almogende zijne
barmhartigheid over ons laten dalen. Ja, ik voel het, gij zult nog
moeder zijn, en u verblijden in den lach dergenen, voor wier leven
gij vreest."
"O, Carolina, zeidet gij eene tweede maal de waarheid! Ziet gij niet,
hoe bleek mijne Regina reeds is? Maar luister op mijne woorden en
onderbreek mij niet.--Ik heb niet eerlijk met u gehandeld, Carolina.
Het is waar, ik heb u de erfenis van uwen oom ontroofd: het is waar,
ik was eene wulpsche, hoovaardige en wreede vrouw.... De
opgeblazenheid had mij blind gemaakt, maar het ongeluk scheurt den
sluier met onweerstaanbare kracht: ik ben niet meer, die ik geweest
ben, en heden zou het mij eene blijdschap zijn, dat gij mij den naam
van zuster gulhartig wildet schenken. Ik versta nu ook de macht van
God en den troost van het gebed; maar dit alles is niet voldoende tot
mijne verzoening met Hem, die mij straft. Hoor, ik kan u het
ontroofde goed niet teruggeven, mits het op de hoofden mijner
kinderen staat; maar ik zal ze opvoeden in de kennis van het
onrechtvaardig bezit en hun de wedergaaf er van als een punt van
hunnen godsdienst doen betrachten. Wat mij aangaat, ik zeg u, dat van
heden af, de helft mijner inkomsten u toebehoort...."
"O, ik wil niet," riep de jonge vrouw.
"Ik zweer voor God," hernam mevrouw Van Valburg, "dat ik het deel,
dat ik mij onrechtvaardig heb toegeëigend, niet meer aanraken zal! En
ik bid u, Carolina, zuster, weiger het niet. Zult gij mijne smart
door uwe verwerping verbitteren? Ho, indien ik niet op mijne knieën
uwe toestemming afsmeek, is het, omdat ik zwak en tot lamheid toe
afgemat ben. Zeg ja, Carolina, o, zeg het! Gij antwoordt niet?--Het
kost te veel aan uw edelmoedig hart dit te aanvaarden? Welnu, ik
vraag u geen woord,--slechts eenen kus van verzoening en
vergiffenis,--en dat de Heer ons zie!"
De twee vrouwen strengelden hare armen om elkanders hoofden en bleven
lang in dien kus versmolten.... Iets verhevens, iets hemelsch was er
in die verzoening!
* * * * *
Eenige dagen daarna gingen er zeer langzaam twee vrouwen over de
Schoenmarkt: eene harer was uitermate bleek en in den rouw gekleed;
de andere scheen jonger en min droef. Een klein jongsken stapte
tusschen beiden en hield van elk eene hand. De hoofdkerk ingegaan
zijnde, drongen zij door tot achter het hoogaltaar, in de kapel van
het heilig kruis. Hier deed de bleeke juffrouw het kind op de
voetbank voor het kruisbeeld knielen, vouwde zijne handjes te zamen
en sprak weemoedig:
"Bid God, Gustaafken ... voor de zieltjes van uwe broederkens en
zusterkens, en dank Hem, dat Hij u bij uwe lieve moeder gelaten
heeft."
Het kind gehoorzaamde plechtiglijk, boog zijn hoofd in eene
godvruchtige houding en zuchtte met fijne, doch roerende stem:
"Onze Vader, die in de hemelen zijt, geheiligd zij Uw naam!"
WEETLUST EN GELOOF
ZINNEBEELD
Ik wandelde alleen met mijne ziel door de naakte velden.
De Winter met zijnen kouden adem had de natuur haar tooisel ontroofd;
het geboomte was dor, de bladeren klaterden niet meer,--en alles
bracht sombere gedachten in mijn hart op.
Terwijl ik naar het raadselwoord dezer natuurversterving zocht,
vertraagden de jagingen mijns boezems onder koude gepeinzen.
Ik voelde, dat ik de rustende natuur gelijk werd; want somber
nadenken verdoofde de levenskracht in mijn lichaam.
Het levend raadselwoord stond vóór mij!
Een grijsaard met gebogen rug zat weemoedig bij de baan, op den stam
eens booms, door den storm ontworteld.
De wind joeg zijne zilverwitte lokken tegen zijn hoofd op; twee koude
tranen rolden door de rimpels zijner wangen; de scherpe winterzon
schoot hare schuinsche stralen op zijnen blinkenden schedel. Hij
bracht zijne beenige en magere hand aan zijn ooglid, en, terwijl het
smartwater op zijne wang droogde, wees hij met zijnen vochtigen
vinger vooruit en sprak:
"Zoo naakt als de velden, zoo nevelig als de lucht, zoo dor als het
geboomte, zoo koud als het ijs der slapende beek is ook mijn hart.
Want ik heb diep in mijne borst gewroet, en aan den geest, die mij
verlevendigt, rekening zijner geheimste aandoeningen gevraagd.
En naar het raadselwoord van alles, naar het onbegrijpelijk
_grondbeginsel_ gezocht.
Dit onderzoek was eene godslastering; de straf, die er op volge, was
zwaar om te dragen.
Bij ieder antwoord, dat de geest mij gaf, ontviel mij een deel mijner
genietingskracht; bij elk gevonden raadselwoord verdroogde het
troostend geloof en het steunend betrouwen in mijnen boezem.
Alles werd logen en bedrog in mijn oog: logen en valschheid, tot de
dienst Gods zelf.
De bekoorlijke schimmen der jeugd ontgingen mij ontijdig;--mijne
wenkbrauwen zonken over mijne oogen;--twee breede rimpels
verwisselden elkander steeds op mijn voorhoofd, en koude en drukkende
gepeinzen werden mijn aandeel.
Ik bereikte den Winter des levens, zonder de zachte schaduw des
Zomers of de vruchten van den Herfst gezien te bebben."
* * * * *
Medelijden drong in mijnen boezem, en ik antwoordde met zachte stem:
"O, vader, indien de nevel des ouderdoms boven uw leven hangt, indien
de aarde uw hoofd tot zich trekt.
Kunt gij dan uw treurend hart niet meer door heugenis van betere
tijden troosten en voeden? Kan de hoop op een zalig en beter leven u
niet verkwikken en ondersteunen,--dat gij weenend ten grave zinkt?"
"Kind!" hernam de grijsaard met eenen galbitteren glimlach, "gij kent
des menschens leven niet!"
Eens was ik jong en vermogend, als gij nu zijt; rozen blonken op
mijne wangen,--en alles lachte mij toe in de gulle natuur.
Mijn oog verstond hare tooverende kleuren en spelende gedaanten.
En dan bewonderde ik het werk des Scheppers; want dan geloofde
ik.--Ik kon bidden en danken.
Maar de dagen der kindsheid gingen voorbij,--als het schitterend
dwaallicht, dat bij eenen zoelen zomernacht zich blij en dansend
verheft en uitdooft--om nimmer, nimmer weder zoo vroolijk te
schijnen.
Ik geloofde alsdan, dat het leven altijd vreugde genoeg geven zou om
het lijden te kunnen vergeten.
En blijde trad ik als een nieuweling in de groote wereld.
Mijne gulle hand drukte de hand van allen: ik dacht dat de liefde met
de zielen der menschen geschapen was.
Dit geloofde ik, want rijkdom was mijn aandeel.
Eens kwam de armoede mij met hare magere armen omhelzen,--en ik riep
mijne vrienden met vertrouwen te hulp. Dan zag ik dat er weinig
liefde in 's menschen hart is.
Want zij verlieten mij allen en lachten spottend om mijne wanhoop.
Ik zag hen ieder een deel mijner have wegdragen.
Een eenige bleef bij mij. In ongeluk en rouw droogde hij het zilte
water op mijne wangen.
En hij dronk met mij uit den galbeker des rampspoeds.
Ho!--op mijn hart en in mijn hart was zijn verblijf,--mijn boezem
klopte zoo dankbaar tegen den zijnen!...
Maar de dood, de nijdige dood wierp hem eenen schicht in de borst;
En het gapend graf ontving zijn lichaam,--en de koude aarde bedekte
den eenigen mensch, dien ik beminde op aarde....
En het was voor eeuwig!
Dan zocht ik het geluk in de min.
Rustig en arm leefde ik van het werk mijner handen,--en het
arbeidszweet vloeide menigmaal brandend op mijn aanschijn.
Ik kreeg eene teedere vrouw en liefderijke kinderen.
En ik voelde in mijn hart het genoegen en de vreugde herleven.
Aan God dacht ik niet!
Maar dan ging er eene plaag, een schrikkelijke geesel door de
wereld.--De zeise des doods liep over de aarde;
En al de hoofden, op welke ik mijne rust en vrede gebouwd had, werden
geslagen.
Mijne vrouw, mijne zonen, mijne dochters kwamen beurtelings op mijnen
boezem den geest geven. Ik heb hen allen daar op mijne knieën zien
liggen en sterven in onuitsprekelijke lichaams en zielsfolteringen.
Toen de oogen mijns eerstgeborenen verdwaalden, en zijne ziel reeds
tweemaal op zijne lippen was geweest,
Dan bad ik den Heer om genade;
Doch nu hoorde Hij mijne smeeking niet;--want eene afgrijselijke
stuiptrekking wrong de leden mijns zoons te zamen, en dreef den
geest, die hem bezielde, uit het zwakke lichaam.
Wanhopig lag ik tusschen hunne koude lijken. Ik riep hen in mijne
zinneloosheid.
De dooden hooren niet!...
Dan toog ik de besmette lucht, die hen omringde, met den adem in
mijne longen. Hoe zoet ware mij de eeuwige slaap geweest!
Doch ik kon niet sterven: de kelk was nog niet tot den bodem
geledigd....
En al wat ik beminde, zonk met hen ten grave.
Een onbeklimbare grenszuil ging tusschen den vader en zijn kroost op.
En ik bleef alleen in de wereld.
Dan liet ik mijnen blik in het verledene gaan, en ik berekende de
hoeveelheid mijner pijnen en mijner vreugden.
En ik bevond, dat de oogenblikken van waar genoegen in vergelijking
met de droefheidsstonden--waren als 1 tot 1000!
Ik riep spijtig en lasterend tot God:
Is het dan alleenlijk om te lijden en te weenen, dat Gij den mensch
hebt gevormd? Waarom hebt Gij de gevoellooze stof niet laten slapen,
opdat rust en vrede het deel der ongeschapene natuur bleve?...
En de Heer strafte mij nogmaals om mijne lastering; want mijn hart
werd koud:
Geloof ontging mij gansch,--weenen kan ik niet meer, ook niet klagen.
En dan kwam eerst de duistere gevoelloosheid mij den galbeker voor de
lippen houden;
En de dagen mijns levens werden voor altijd nevelig en duister!"
* * * * *
De grijsaard stond op, en ik zag hem langzaam heengaan.
Zijn schedel helde zwaar voorover,--hij wandelde moeilijk en ging
gebogen onder het gewicht zijner droeve heugenis.
Zijne schrikkelijke voorzegging beneep mijn hart met somber
aandenken.
Reeds zag ik in de toekomst de nare spoken van rampspoed en ongeluk
mij te gemoet treden.
Doch ik had nog betrouwen in God.
Mijn oog ging smeekend ten hemel.
En een straal van troost en genade dreef de ontijdige overdenking
weg.
Ik wendde mijne stappen naar den tempel des Heeren; want verkwikking
vroeg mijne ziel.
Mijne voeten liepen dwalend over het wentelende kerkhofpad.
En ik bevond mij op de half doorsletene knielbank van het
beenderhuisje.
Dáár ontving ik den grimmenden lach der dooden, en mijn blik viel met
angstige vervaardheid in de diepe oogen der slapende schedels.
Ik beefde en eene huiverige koude liep mij over het lichaam,--want
eene magere en beenige hand raakte de mijne.
En de grijsaard stond weder nevens mij.
* * * * *
"Kind!" sprak hij, terwijl hij met zijnen vinger eenen witten schedel
raakte, "ziet gij daar dit hoofd?--Dit was mijn vader!..."
En een vloed hartbrekende tranen en bittere zuchten verstikten zijne
stem.
En de schedel scheen spottend om zijne droefheid te lachen.
Dan de richting zijns vingers veranderende, raakte hij eenen
kleineren schedel en sprak:
"Ziet gij daar?--Dit was mijn eerstgeborene!... Jong als gij was
hij,--en hij stierf toch.
Dit is het hoofd mijner bekoorlijke vrouw.--Dit mijn vriend!...
Tusschen deze dorre schedels rust mijne hoop, mijn vrede, mijn geluk
en mijne zaligheid!
Ziet gij? de stuiptrekkende lach der martelpijnen blijft nog na het
leven over.
Daar is ook eene plaats voor u, tusschen dit gebeente, o kind.
En dan zullen uwe oogen ook hol zijn, en het water zal uwen schedel
ook wit maken en bederven...."
Terwijl ik met angst in de ziel, des grijsaards woorden als eenen
lastigen droom van mij wilde jagen, wachtte de nijdige man op mijn
antwoord. Eene vrouw met bleeke wangen sloop zachtjes als eene
schaduw voorbij.
Tusschen hare kille tranen zweefde een zalige glimlach, zoo zoet en
zoo beminnelijk als de hoop zelve.
Bloemkransen hingen aan hare fijne vingeren; zwart floers dekte haar.
Zij knielde neder op een nieuw gedolven graf en strooide de bloemen
op de aarde.
De grijsaard wees nogmaals op de schedels en vroeg:
"O, kind, verstaat gij het leven nu?--Begrijpt gij nu dit
raadselwoord van alles--_vernietiging_?"
"Geloof hem niet, o kind!" riep de weenende vrouw, "geloof hem niet!"
Zij hief hand en oog ten hemel en riep als eene profetes, door God
verlicht:
"Dáár woont het eeuwige raadselwoord van alles,--van leven, van
dood,--van geluk en rouw!...
Ik ben ook door God bezocht geworden,--mij ook is een echtgenoot, een
kind ontrukt: De koude aarde dekt ook hunne lijken. En echter heb ik
nog troost gevonden in dit eeuwig raadselwoord van alles:--God."
Nu ontviel mij de lastige droom van vertwijfeling.
Met dankbaarheid zoende ik de hand der vrouw, die mij verkwikt en
verlicht had; mijn hart verbitterde op den boozen grijsaard.
En ik vroeg stoutelijk naar zijnen naam.
Hij antwoordde: _Weetlust_!
En de vrouw op deze vraag antwoordde: _Geloof_!
Zij dekte mij met haren mantel; en geene enkele wanhopige gedachte
kon mij onder dat heilige scherm nog raken.
Ik kreeg rust, geluk en vrede ten deel.
HET BEULSKIND
VERHAAL
I
Den avond vóór Sinxen, in den jare 1507, was de nacht te Antwerpen
zwarter dan naar gewoonte; de donkerheid scheen voor de hand
tastbaar; het was, alsof eene dikke en ondoordringbare wolk over de
stad en tot op haren grond gedaald ware. Men hoorde in die duisternis
niets dan het nedervallen der druppelen water van de daken, die door
eenen fijnen, doch overvloedigen mistregen werden bevochtigd; en soms
in de verte het eentonig gebrom eener torenklok. De diepste stilte
heerschte in alle straten, alhoewel er nog maar weinig burgeren zich
tot de rust begeven hadden, daar het slechts negen uur in den avond
was.
Degene, die op dit oogenblik zich bij de Schuttershoven zou bevonden
hebben en den dikken nevel met zijn oog zou hebben kunnen peilen, zou
bij den muur van dit gesticht eenen man bemerkt hebben, die met den
rug tegen eenen populierboom leunde en, met de oogen wijd open en de
armen op de borst gekruist, zich gedroeg, alsof hij in den klaren dag
en bij helder weder zich aan eene bespiegeling hadde overgegeven. Van
tijd tot tijd kwamen er eenige onverstaanbare, doch krachtvolle
woorden uit zijnen mond, en dan vergezelde een driftig gebaar de
sombere uitgalming; eene korte poos daarna hoorde men een naar en dof
gezucht, eene ademing, gelijk aan die van eenen lastdrager, welke
zijn pak nederwerpt. Indien men dan het gelaat van den onbekende
hadde kunnen zien, zou men eenen lach er op hebben aangetroffen, niet
dien zoelen lach, welke de vreugd en het genoegen te kennen geeft,
maar wel die grimmende uitdrukking, welke de maat der diepste
foltering aanduidt, en in den man de plaats der wanhoopstranen
vervult. Hij lachte; maar terwijl zijne wezenstrekken een bedrieglijk
teeken van blijdschap droegen, beet hij het bloed uit zijne lippen,
en zijne rechterhand wroette met wreeden wellust in het vleesch
zijner borst.
O, ongelukkig,--duizendmaal ongelukkig was die mensch! Hoefde hij wel
de verschrikkelijke pijnen der helle te vreezen, hij, die reeds
twintig jaar de hel in zijn hart droeg?
Toen hij den eersten kreet als een groet aan het leven hooren
liet,--dan plaatste zijne moeder hem den welkomskus niet op het
voorhoofd; neen, zij stiet haar kind van zich weg. Zijn vader
gevoelde geene blijdschap; integendeel, hij bad den Hemel weenend om
den dood van zijnen eersten en eenigen zoon; ja, hij weende over die
vrucht als over de vrucht eener vloekbare zonde.