HET MEISJE.--En toch, ik bemin mijnen zoeten Jezus boven alles; mijne
liefde en mijne ziele eeuwig aan God!
DE ENGEL.--Heil, heil, zij heeft gezegepraald! Geloofd zij God in
den hooge!
DE DUIVEL, _in zijne echte gedaante_.--Doemenis, doemenis, zij heeft
overwonnen! De afgrond zal nu weergalmen van mijn smartgehuil....
Gevloekt, du engel des lichts! (_Hij vliegt heen in de ruimte_.)
V
DE ENGEL, HET MEISJE, DE BROEDER
(_De hof verkrijgt zijne vorige gedaante; de broeder ontwaakt en
staat op_.)
DE ENGEL.--Rosa, dijn oogenblik is gekomen; leg dij neder met dijn
hoofdeken in mijnen arm.
HET MEISJE, _zij ontwaakt als uit eenen droom_.--Broeder, broeder!
DE BROEDER.--Wat verlangs du, Rosa?
HET MEISJE.--Haast dij; neem op mijne wangen eenen afscheidskus voor
dij, en eenen voor moeder.
DE BROEDER.--O, Rosa, du zals ons toch heden niet verlaten?
HET MEISJE.--Zie, daar staat de engelbewaarder; mijn hoofd rust in
zijnen arm; hij ontsluit mij in zijne gouden vleugelen.... Hoor, het
hemelkoor zingt mij tegen. Ha, ik vaar op naar het hoog vaderland!
DE BROEDER.--Lief zusterken, daar hebs du de twee zoenen.
DE ZUSTER.--Vaarwel, broeder; zeg moeder, dat zij spoedig kome, en
kom du insgelijks; vader zal ik in den hemel vinden en als gij beiden
zult gekomen zijn, zullen wij te zamen zingen voor des Heeren troon.
Vaarwel, daar slaat de engel zijne vlerken uit,--ik stijg op met hem
langs de baan des lichts!
DE BROEDER.--Dood!
DE NIEUWE NIOBE
VERHAAL
Wat onder Godes hand niet buygen
wil, dat breekt. J. CATS.
Voor eenige jaren, en wel in het midden van 1832, leefde te Antwerpen
eene rijke weduwe, met name Clotilde Van Valburg. Daar zij uitnemend
schoon van aangezicht en van leden was en niet beroofd van dien
spelenden geest, dien de Franschen _esprit_ noemen, had zij zich,
volgens eene uitheemsche denkwijze, aangezien als uitsluitend
geroepen zijnde tot het genieten van allerlei vermaak en wereldsche
vreugde. Even gelijk alle vrouwen van dien aard, vreesde zij de
ernstige gedachten, de edelmoedige ontroeringen, als de vijanden van
een zoet en droomig leven: ook was zij ongevoelig geworden voor
alles, wat niet rechtstreeks tot hare wulpschheid behoorde. Een
ongelukkige was voor haar een voorwerp van onverschilligheid, zoo
niet van afkeer; hare kinderen zelven, alhoewel schoon als engelen,
zag zij niet met dit moederlijk gevoel aan, dat wel het allerlaatste
uit den boezem eener vrouw vervliegt.... Maar een kleed, dat niet
naar haren zin gemaakt was, het breken eener nietswaardige
Chineezerij, het zien van een juweel aan den hals eener andere dame,
en zulke kinderachtigheden meer, konden haar dermate ontroeren, dat
zij somwijlen er om te werk ging, alsof de grootste rampspoed haar
overkomen ware.
Deze vrouw bevond zich op zekeren dag in eene kleine zaal harer
prachtige woning. Zij lag half uitgestrekt op een rustbed van rood
damast en hield de oogen weifelend gevestigd op de bladen van een
boek, dat met de schildering van het Parijsche leven niet veel goede
zedelessen bevatte. Las zij er in?--Misschien wel; doch wie haar zag
en haar niet geleek, zou gezegd hebben, dat de luiheid haar belette
de oogen gansch te openen.--Alles in die plaats gaf getuigenis van
den rijkdom en van den beuzelachtigen smaak der meesteresse; de
schouwplaat en de venstertafelen waren overladen met die brooze
voorwerpen, welker gebruik voor eigenaars en aanschouwers een
raadsel is, en die van de kinderspeeltuigen veeltijds alleen in prijs
verschillen. Het licht, dat met moeite van buiten in dit verblijf der
weelde drong, was niet klaar en levendig als het licht der zon; maar
het werd hier bij middel der venstergordijnen gedwongen, zich in eene
flauwe, roosachtige tint te hervormen, en aan alles eene wellustige
en verleidende verf te geven.
Deze zaal nochtans was opgeluisterd door de tegenwoordigheid van zes
allerschoonste kinderen, die heel zachtjes en zonder het minste
gerucht te durven maken, op het grondtapijt bezig waren met in een
groot boek beeldekens te zoeken. Zij durfden niet spreken en drukten
elkander hunne blijdschap of verwondering met teekens en gebaren uit;
want zij wisten, dat bij de geringste stoornis hunne moeder hen
oogenblikkelijk naar een ander vertrek zou verbannen hebben. Het
oudste dier lieve kinderen kon twaalf jaar oud zijn terwijl het
jongste slechts zijn derde jaar bereikte. Zij waren drie broederkens
en drie zusterkens, en schenen elkander vurig te beminnen; want een
zoete en lieftallige glimlach zweefde op hunne aangezichten, en hunne
handekens ontmoetten elkander zeer dikwijls.... Ik heb menigmaal
zulke tafereelen geschilderd gezien, waarop een zestal engelen
zinnebeeldigerwijze een zuiver en nog onnoozel vermaak
voorstellen.... Ja, het was wel zoo:--die fijne kinderwezens, dit
helder gelaat, door achterdocht nog niet gerimpeld,--die blonde
haren, door ouderdom nog niet verzwart, door het vuur nog niet
gezengd,--die poezelige armkens en losse leden, door arbeid of
overdaad nog niet verstramd.... de menschelijke natuur in al hare
frischheid, zoo groen en zoo lief als de eerste kruiden, de eerste
bloemen der Lente!
En gelooft gij, dat de moeder dezer engelenbeelden haar oog met meer
vermaak op hen sloeg dan op het besmettend verhaal der uitheemsche
verdorvenheid? Neen, zij bezag hen niet. En toch was haar hart niet
gansch ledig van moederliefde; maar het was vervuld met de liefde tot
de wereld.
Nadat zij aldus ruim een uur lang op het rustbed was blijven liggen,
zonder zich verroerd te hebben, werd er zachtjes aan de deur
geklopt, en een knecht trad, na gegeven oorlof, binnen. Hij boog zich
en sprak:
"Madame, eene vrouw heeft zich gedurende dezen morgen reeds viermaal
aangeboden, om in uwe tegenwoordigheid toegelaten te worden. Ik heb
ze altijd afgewezen;--zij schijnt eene gemeene burgerin."
"Gij hebt wel gedaan, Pieter. Men late mij met vrede: ik ben
_onzichtbaar_ voor zulke lieden. Maar indien Eugène De Valenge komt,
laat hem binnen, en betuig hem veel eerbied. Gij weet wel, de jonge
Franschman, die mij gisteren van het _concert_ naar huis geleidde?"
De knecht deed een bevestigend teeken met het hoofd en hernam:
"Ik vergat u te zeggen, madame, dat de vrouw, van wie ik zoo even
sprak, in de voorkamer uw antwoord wacht. Zij weent, dat het een hart
breken zou, en schijnt van uwe goedheid iets te willen afsmeeken."
Mevrouw Van Valburg stond op van haar rustbed en trapte twee- of
driemaal met ongeduld op het tapijt. Dan riep zij:
"Wel, wel! Nooit rust! Nu, zeg op: wat is het voor eene vrouw? Hoe is
haar naam?"
"Madame, zij is slecht gekleed en deed zich aanmelden onder den naam
van Carolina Soeteveld, zeggende, dat zij uwe schoonzuster is."
Dit laatste woord was des knechts lippen niet zoo haast ontvallen, of
eene roode kleur, waarbij ook wel iets purperachtigs was, beklom het
aangezicht van mevrouw Van Valburg. Zij bracht haren wijsvinger
vooruit en antwoordde met gramschap:
"Pieter, ik verbied u deze vrouw te laten binnenkomen; zeg haar, dat
ik niet te huis ben. Ga!"
Maar nauwelijks was de knecht sedert eenige oogenblikken vertrokken,
of men hoorde in de voorkamer eenige klagende gillen,--een gerucht
als van eene worsteling. De deur der zaal vloog open.--Eene nog jonge
vrouw sprong er binnen en viel op hare knieën voor de voeten van
mevrouw Van Valburg. Deze was rood van toorn of van schaamte,
misschien van beide die gevoelens te gelijk. Zij hief het hoofd met
trotschheid op en zag verachtend neder op de ongelukkige, die de
handen smeekend tot haar uitstak. Mevrouw Van Valburg wees hare
kinderen de zaal uit en sprak, zich tot de geknielde keerende:
"Welnu, wat beteekent dit? Waartoe deze komedie? Zeg op, wat wilt
gij?"
De jonge vrouw stuurde eenen blik als een gebed in de oogen van
mevrouw Van Valburg, en zuchtte weenend:
"O, mevrouw, spreek toch zoo niet tot mij! Ik ben ongelukkig en
totterdood toe bedroefd. Ontferm u over eene rampzalige, die uwe hulp
op hare knieën afbidt...."
De ongevoelige dame liet de geknielde zitten en ging eenige treden
van haar weg; dan het boek in de hand genomen hebbende, antwoordde
zij met eene gemaakte koelheid:
"Ik heb geenen tijd om op al dit gekerm acht te geven. Verlangt gij
iets van mij, zoo is de tooneelmatige wijze de rechte niet om tot uw
doel te komen; en mits ik wel zie, dat ik het verhaal uwer
geschiedenis niet zal ontsnappen, begin dan en maak het zoo kort
mogelijk."
Het was gedurende die bitsige woorden zichtbaar op het gelaat der
jonge vrouw, dat zij zich diep er door gehoond vond; doch eene
geheime oorzaak dwong haar ontgetwijfeld tot het verdragen daarvan:
want zij bewoog hare armen met pijnlijk ongeduld, en hare gebaren
schenen te zeggen: "O God, o God! ik moet het verkroppen!" Zij stond
op en antwoordde, niet zonder zekere fierheid:
"Mevrouw, er moest eene onweerstaanbare reden zijn, om mij tot dit
bezoek te brengen; want ik weet, dat de banden des bloeds, die ons
vereenigen, in u veeleer eene oorzaak van haat dan van liefde zijn.
Maar heb nu toch eens medelijden met ons,--o, red ons van schande en
armoede! Laat mijn gebed niet nutteloos zijn.... en ik zal uwen naam
zegenen als dien van eenen engel!"
Voor alle antwoord vatte mevrouw eene zilveren bel van de tafel en
deed ze twee-of driemaal klinken.
"Pieter," sprak zij tot den knecht, die haar bevel kwam ontvangen,
"men spanne mijn rijtuig in. Spoedig!"
En zich tot de weenende vrouw wendende:
"Gij ziet wel, dat, indien gij zoo voortgaat, ik den tijd niet
hebben zal om u aan te hooren. Dus nog eens, maak het kort!"
Eene lichte gramschap glom op het gelaat der ongelukkige; doch zij
weerhield zich en sprak met haastige woorden:
"Mevrouw en zuster, gij weet het: wij hebben, alhoewel in den nood,
nooit uwe hulp gevraagd; mijn man is arbeidzaam, en wij allen met
weinig tevreden; doch de hand Gods heeft ons bezocht. Mijn echtgenoot
is zijne bediening reeds sedert twee jaren kwijt geraakt, en wij
hebben, sinds dit rampspoedig tijdstip, op beloften en hoop geleefd.
Vóór maanden hebben wij eenigen handel willen drijven en daartoe eene
goede somme gelds ontleend; maar een ontrouw mensch heeft ons
bedrogen en wij hebben alles verloren. Mijn man zit in de gevangenis
om den vervallen wissel, een mijner twee kinderen ligt in het
gasthuis, mijn huisraad wordt Vrijdag door de Wet verkocht,
overmorgen word ik uit mijne woning verjaagd. Ik heb geld noch
spijze, en lijd voor allen te zamen: voor mijnen man, wiens eer
gevaar loopt; voor mijn kind dat in het gasthuis gaat sterven; voor
mijn ander kind, dat zijne moeder te vergeefs om eten vraagt en met
mij, binnen twee dagen, de straat voor woning en voor bedstede hebben
zal. O, mevrouw! zult gij in deze omstandigheid vergeten, dat uwe
kinderen en mijne kinderen niet van een geheel verschillend bloed
zijn? Zult gij eene vrouw, die moeder en ongelukkig is, van eene
andere moeder ongetroost laten weggaan?"
Mevrouw Van Valburg hoorde met tegenzin, dat de smeekende haar van
maagschap durfde spreken; zij voelde zich gekwetst en was boos.
"En wat kan ik daaraan doen?" antwoordde zij met barschheid.
"Mevrouw," hernam de klagende moeder, "ziehier mijne bede: heb de
goedheid ons eene som van drieduizend franken te leenen. Met dit geld
verlos ik mijnen man uit de gevangenis; ik neem mijn arm kind uit het
gasthuis en betaal de huur mijner woning.... Denk, wat zegeningen wij
over u roepen zullen, daar gij ons uit zulken diepen kolk van ellende
en schaamte zult hebben gered."
Zij wachtte eenige oogenblikken met angst op hetgeen mevrouw Van
Valburg haar zeggen zou, en kreeg eindelijk tot antwoord:
"Ik ben niet gewoon geld te leenen om ondankbaren te maken. Hadde uw
man zoo lang niet ledig geloopen, zoo zoudt gij niet in dezen
toestand zijn. Hoop dus niet, dat ik mijn geld besteden zal om de
luiaardij aan te moedigen. Gij kunt vertrekken; zie, dat gij u zelve
uit de ellende redt, waarin gij u zelve gestort hebt. Indien gij
denkt, dat ik u zal onderhouden, zoo bedriegt gij u niet weinig. Hebt
gij niet gehoord, dat ik u sprak van vertrekken? Dáár is de deur!"
De arme vrouw begon bij deze harde woorden eenen vloed van tranen te
storten. Het scheen, dat zij door het boezemwee, dat haar verkropte,
ging verstikken; doch op eens brak zij in woede los, en zich voor
mevrouw Van Valburg plaatsende, sprak zij met opgeheven hoofd:
"Ha, mevrouw, het was u niet genoeg eene arme door moeder uwe
dienstknechten te doen mishandelen; gij moest zelfs door uwen mond
den laster op haar ongeluk werpen en ze ter deure doen uitjagen als
eenen hond? Hebt gij uwe eigene geschiedenis vergeten? Weet gij niet
meer, dat uw man mijn broeder was, en dat de helft van den rijkdom,
dien gij gebruikt, mij onrechtvaardig is ontnomen? Weet gij ook wel,
hoovaardige vrouw, dat gij op de wereld niets bezit, en dat gij
slechts de inkomsten van een fortuin geniet, waartoe ik meer recht
heb dan gij, aangezien gij het nooit erven kunt, maar ik wel?"
Mevrouw Van Valburg, die van razernij op haar rustbed was
neergevallen, richtte zich haastig op en riep met bevende stem:
"Onbeschaamde! Wat logentaal durft gij spreken?"
"Logentaal?" hernam de andere. "Logentaal? Stelde het testament van
mijnen oom mij en mijnen broeder niet tot zijne erfgenamen in?--En
hebt gij, door uwen valschen raad, mijnen broeder niet genoopt om mij
mijn erfdeel te ontrooven? Ja, ja: want gedurende de laatste dagen
vóór den dood mijns ooms hebt gij en mijn broeder zijne woning in
bezit genomen. Gij durfdet mij zeggen, dat hij mij niet zien wilde,
en hij is gestorven, mij roepende als zijn dierbaarst kind! Wat
kwaad, wat laster hebt gij niet over mijnen goeden naam uitgebraakt,
edele dame, om mijnen goeden oom een tweede testament te ontrukken,
en mij van alles, wat zijne liefde mij bestemde, te berooven! Ik weet
het, want ik heb mijnen broeder op zijn sterfbed vergiffenis en
verzoening geschonken. Hij was niet plichtig, maar zwak.... Gij
alleen, mevrouw, gij zijt het, die mij verraderlijk hebt bestolen, en
dit laat zich nog genoeg merken aan uwen bitteren haat tegen ons...."
Nu klom de woede van mevrouw Van Valburg ten top; het bloed vertoonde
zich gloeiend onder hare wangen, en zij borst los in de volgende
bedreigingen:
"Wat gestolen?--Ik gestolen? Gij onbeschofte! Maak u uit mijn huis,
dolle schreeuwster, of ik doe u waarachtig als eenen hond op de
straat werpen. Gij zult hier zonder schaamte mijne woning door uwe
lasterlijke beschuldigingen komen onteeren! Gaat gij?... of deze bel
zal u welhaast, met of tegen dank, doen verhuizen."
"Laat af!" sprak de jonge vrouw met fiere kalmte, "voeg bij den hoon,
dien gij mij reeds hebt aangedaan, die schandelijke gewelddaad niet.
En denk niet, dat ik door mijne verwijtingen poog te verkrijgen, wat
gij aan mijne ootmoedige bede hebt geweigerd; neen, gij moogt vrij
het goud bij hoopen voor mij uitstorten, ik zou mijne hand niet
willen besmeuren door het aan te raken. Behoud uw geld en uwe
ondeugden! Ik zal lijden; maar in mijne pijnen heb ik toch dit
genoegen, dat ik mij zelve grooter en beter acht dan eene onedele
dame, die het zich geene misdaad gerekend heeft een gansch huisgezin,
door laag bedrog, in ellende te dompelen...."
Mevrouw Van Valburg was niet meer in staat om op de verwijtingen
harer beschuldigster te antwoorden; alleen de strakke uitdrukking
harer oogen gaf hare beklemde razernij te kennen. Zij dorst echter de
bel niet klinken uit vrees van grootere schande, en luisterde op
hetgeen de jonge vrouw zeide:
"Vergeet niet, wat het testament mijns ooms daarstelt: al zijne
erfgoederen, die nu op de hoofden uwer kinderen staan, zullen op mij
en mijne kinderen vervallen, indien de uwe eerder deze wereld
verlaten dan de mijne. Ik kan dus, indien het den Heere zoo beliefde,
uwen rijkdom ook nog gedurende uw leven bezitten."
Deze woorden verwekten in mevrouw Van Valburg eenen spottenden lach
en schenen haar hart van eenen zwaren steen te ontlasten. Zij sprak
met klaardere stem:
"Vrouw, gij zijt van uwe zinnen! Het feilt u waarlijk in de
hersens;--en nu ik dit merk, vergeef ik u gaarne uwe gekke redenen.
Hoopt gij dan in uwe dwaasheid, dat uwe twee magere zonen langer
zullen leven dan mijne zes schoone en gezonde kinderen? Gij zijt niet
bij uw verstand...."
"Mevrouw," antwoordde de andere, "Hij, die onze harten doorgrondt,
kent mijne wenschen, en Hij weet, dat ik het eene onvergeeflijke
zonde achten zou, den dood van een uwer lieve en onnoozele kinderen
te verlangen. O, neen! de hemel beware u een talrijk kroost!--Maar
gij, mevrouw, waarom denkt gij, dat het Gode onmogelijk zijn zou,
zijne hand over rijke menschen uit te strekken? Bezoekt Hij dan
alleen de noodlijdenden? Gij vreest niets voor uwe kinderen....
Bemint gij ze dan niet?--Ik, arme moeder, ik heb nu reeds zoo
dikwijls met tranend oog op mijne twee kranke wichtjes gestaard; want
ik vrees voor den geesel des hemels, de plaag, die zich als een
onmeetbare lijkdoek over de aarde verspreidt." Meer kalmte was in
mevrouw Van Valburg gekomen, sedert de jonge vrouw ook hare
beschuldigingen had gestaakt. Zij antwoordde schertsend:
"Wat ligt gij lieden altijd van God te praten? Misschien is dit voor
u een gemakkelijke troost; doch dit doet hier niets ter zake. Mijne
kinderen zijn niet gereed om te sterven, geloof het vrij."
"Mevrouw! Mevrouw!" riep de nadere; en zich hervattende: "zuster,
zuster! laster God niet. Voor weinige maanden leefden er nog talrijke
huisgezinnen, waarvan de namen zelve door de plaag zijn uitgewischt!"
De profetische toon dezer woorden maakte diepen indruk op mevrouw Van
Valburg; zij verbleekte en vroeg met ontsteltenis:
"Welke plaag? Welke plaag?"
"O, mevrouw," was het antwoord, "uwe kinderen hebben geen groot deel
in uwe liefde; want anders zoudt ge ze reeds meer dan eens in uwe
armen gesloten hebben, om ze, indien het mogelijk ware, van den
schrikkelijken cholera-morbus te bevrijden...."
Eene schielijke huivering rees over het lichaam van mevrouw Van
Valburg, en zij gaf zichtbare teekenen van vrees; doch een oogenblik
daarna, zich beschaamd gevoelende over eene aandoening, welke hare
tegenstreefster voor zwakheid kon aanzien, herstelde zij zich. Dan
naar de deur wijzende en de bel klinkende, sprak zij:
"Ik vraag, of gij nu mijne woning wilt verlaten of niet? Ik ben deze
lamentatiën moede en verzoek u spoedig te vertrekken, indien gij niet
wilt, dat u geweld worde aangedaan. En kom niet meer om mij te
spreken, want de deur blijft voor u gesloten."
"Ik ga," antwoordde de jonge vrouw, zich tot de deur keerende.
"Vaarwel!"
Mevrouw Van Valburg, zich alleen bevindende, kon, wat moeite zij ook
daartoe deed, het lastig aandenken van de cholera niet uit haren
geest bannen; de woorden der jonge vrouw klonken één voor één terug
in hare ooren, en dwongen haar ditmaal met geweld tot ernstige
overweging. Zij belde eene tweede maal; want de knecht, dien zij
geroepen had, verscheen niet. Eindelijk, vertoonde hij zich bij den
ingang der zaal; maar zijne houding was zoo vreemd, zijn gelaat zoo
bleek, en zijne bewegingen zoo vol achterdocht, dat mevrouw Van
Valburg, hem ziende, eenen schreeuw liet en riep:
"Och, Pieter, wat is er? Waarom zijt gij zoo bleek?"
"Mevrouw," antwoordde Pieter heel treurig, "ik durf u niet zeggen,
wat ongeluk ons nadert."
"Spreek, spreek, Pieter, ik beveel het u!" viel mevrouw in.
"Wel, mevrouw, de cholera-morbus is hiernaast, bij mijnheer
Tesseniers; zijn zoon Victor is reeds dood,--en dezen morgen zeide
hij mij nog goeden dag!"
Dit schrikkelijk nieuws jaagde de liefde der wereld uit het hart van
mevrouw Van Valburg, om het gansch met de ontwaakte moederliefde te
vervullen. Zij sloeg hare beide handen aan het hoofd en riep:
"O, God, mijne kinderen! Pieter, gauw, breng mijne kinderen bij mij!
Doe de meid en de kamerdienaars hier komen!"
"Mevrouw," antwoordde de knecht nog met meer treurigheid, "uwe
kinderen zijn in den hof en schijnen gezond;--ik zal ze gaan halen.
Maar wat uwe dienstboden betreft, moet ik u zeggen, dat de keukenmeid
hen door haar gekerm zoo verschrikt heeft, dat het onnoodig zou zijn
er éénen te zoeken: zij hebben allen uw huis verlaten en zijn
gevlucht."
Het is licht te begrijpen, wat droefheid en wat spijt het gemoed van
mevrouw Van Valburg beving, daar zij zich nu van alle vrouwelijke
hulp ontbloot zag; nochtans ondersteunde haar de hoop, dat hare
kinderen niet door de plaag zouden geraakt worden, en zij putte
daaruit nog eenigen moed.
De kinderen kwamen huppelend in de zaal, en, blijde zijnde, dat zij
door hunne moeder geroepen waren, dreven zij welhaast door hunne
liefkoozingen de droefheid van haar gelaat. Zij had evenwel bemerkt,
dat haar oudste zoon de laatste tot haar gekomen was en zich niet zoo
vlug als naar gewoonte had getoond. Hare zes kinderen dan met eene
nog voor haar onbekende liefde in hare armen gesloten hebbende, bezag
zij nauwer haar oudste zoontje en bevond, dat eene schielijke
bleekheid over zijn gelaat rees. Een angstig voorgevoel deed haar
beven.
"Zijt gij ziek, mijn lief kind?" vroeg zij.
"Neen, moeder," was het antwoord, "maar mijne ooren tuiten. Ik zie
altemaal lichten voor mijne oogen.... Ai mij! nu krijg ik pijn in
mijn lijf."
Mevrouw Van Valburg sprong op als uitzinnig, en riep uit al hare
kracht op den knecht, die ook schielijk kwam toegeloopen.
"O, Pieter," huilde zij, "Eugène heeft de cholera. Gauw, loop om
dokters en heelmeesters, de eersten de besten. Zend ze altemaal, die
gij vindt; en vergeet mijnheer Schippers niet. Zoek mij ook eene
vrouw. Och, Pieter, ik smeek u, loop u buiten adem,--ik zal uwe
moeite niet onbeloond laten!"
De knecht verdwenen zijnde, keerde mevrouw Van Valburg zich om naar
hare kinderen....
Maar hoe pijnlijk was niet de gil, die als eene doodsklacht uit hare
borst opsteeg! Dáár lag haar zoon op den rug uitgestrekt, zich
rekkende, alsof hij zijne ledematen breken wilde; de teenen zijner
voetjes wrongen zich krakend; zijne oogappelen zaten diep in zijn
hoofd en gaven hem het voorkomen van een levend lijk.
Ho!--hij, die gezien hadde, hoe deze moeder zich, zoo lang zij was,
bij haar kind nederwierp en zijn mismaakt wezen met tranen
besproeide,--hoe zij haren mond op zijne blauwe lippen plaatste en
geweld deed, om een deel harer ziel in zijn lijdend lichaam over te
zenden; hij, die gezien hadde, hoe razend van wanhoop zij opstond en
met het kranke kind de zaal rondliep, alsof zij den dood, die het
vervolgde, wilde ontvluchten;--en hadde hij daarbij gehoord, hoe zij
het vertrek met een wild en akelig gehuil vervulde ... o, hij zou
gewis de helft van zijn leven opgeofferd hebben om die vrouw uit eene
zoo zieldoodende smart te redden. Maar de liefde eener moeder is geen
onfeilbaar schild tegen den dood.--Het kind werd koud op de borst
dergene, die bevend hare handen over zijne kromgespannen leden dreef;
zijne wangen vielen in, alsof het vleesch onder de huid versmolten
ware; zijne vingerkens berimpelden zich, alsof zij in warm water
waren geweekt geweest; en, helaas! het vlies zijner oogen verdroogde
en werd dor! Nochtans, het kind was niet van gevoel en verstand
beroofd; want tusschen al zijne pijnen had het de liefde zijner
moeder nog door eene streeling betaald, en nu riep het met eene stem,
die klonk als bevend glas:
"Drinken, drinken! ik heb dorst!"
De verdwaalde moeder liep met haar kind naar de keuken en laafde het
met het eerste vocht, dat onder hare hand zich aanbood; dan keerde
zij met altijd groeiend verdriet in de zaal terug.
In hare geestverwardheid had zij het gekerm harer schreiende kinderen
niet gehoord; zij had ze zelfs van zich weggestooten, toen zij haar
nageloopen en zich aan hare kleederen vastgehecht hadden. Het scheen
haar, dat een spook haar vervolgde en haren zoon grijpen wilde; de
aanrakingen harer kinderen hadden haar iedermaal eene ijzing van
schrik over haar lichaam gejaagd. Vermoeid, viel zij eindelijk met
haar kind tegen den grond, en beiden bleven niet bewusteloos, maar
roerloos liggen. Terwijl naderde een harer kleine dochtertjes bij
haar hoofd en sprak knielend....
"Och, moeder, mijne ooren tuiten ook ... ik heb ook pijn."