"Zie, Quinten, dit heeft de Abdisse mij voor uw werk gegeven

HENDRIK CONSCIENCE

Avondstonden

INHOUD

Quinten Massys

De engel des goeds en de geest des kwaads

De nieuwe Niobe

Weetlust en geloof

Het beulskind

De geest

De schoolmeester ten tijde van Maria Theresia

De kwade hand

Striata Formosissima of de Dahlia's-koorts

[Illustratie: De abdisse nam het boek uit handen der non.]

QUINTEN MASSYS

Omtrent den jare 1480 stonden bij de Gasthuisbeemden, te Antwerpen,

eenige kleine huisjes, welke het klooster van ter Zieken toebehoorden

en aan geringe menschen werden verhuurd. Zij waren meestal bewoond

door ambachtsgezellen, die van hun arbeidsloon met moeite genoeg

konden overhouden om de wekelijksche huurpenningen te betalen; of wel

door oude lieden, die met de grootste zuinigheid van het geld, dat

zij in jongere jaren gespaard hadden, nu moesten leven.

In een der minst vervallene dezer huisjes woonde in dien tijd eene

weduwe met haren eenigen zoon. Alhoewel zij niets in eigendom op de

wereld bezat, hadden niettemin vreugde en genoegen altijd onder haar

dak gewoond; zij droeg hare armoede met het grootste geduld en zou

niet licht haren nederigen staat tegen eenen beteren verruild hebben.

Haar geluk bestond in de arbeidzaamheid van haren zoon en in de

zuivere genegenheid, die hij haar toedroeg. Daar zij eene teedere

moeder was en al het gevoel van haar liefderijk hart op haren zoon

gekeerd had, was het haar een genoegzaam gelukzalig lot, zich door

hem zoo bemind te zien. In hare gebeden, in al hare zuchten was de

naam van haar kind gemengd; en de liefde, welke zij hem had

toegewijd, was in eene soort van zelfverloochening verkeerd. Haar

zoon, die zijne moeder met gelijke teederheid betaalde, werkte dag en

nacht om haar niets te laten ontbreken, en, wanneer hij maar gissen

kon, dat zij iets verlangde, spaarde hij het zweet zijns aanschijns

niet, maar zwoegde, totdat hij geld genoeg gewonnen had om zijne

moeder het verlangde voorwerp te schenken. Door arbeidszucht was hij

zoodanig bekwaam geworden in het smidsambacht, dat hij uitoefende,

dat niemand hem in het smeden van allerlei kunstvoorwerpen te boven

ging, en hij een ruim loon voor zijnen arbeid ontving. Dit was eene

der redenen, waarom de woning der weduwe met meer smaak versierd was

en zij als eene der meest-bemiddelde huurlingen der huisjes van ter

Zieken werd aangezien. Haar zoon, die in zijn werk buitengewonen lust

vond, zong en was blijde zonder ophouden; ook had men zijnen echten

naam vergeten, om hem dien van _vroolijken smid_ te geven.

Sedert eenige maanden was op eens in het huis der oude weduwe al dit

genoegen, al die vreugde vergaan; nu waren het slechts tranen, die er

vloeiden, zuchten die men er hoorde, en het zingen van den vroolijken

smid was eene zaak, waaraan de geburen niet meer dachten, dan om zich

gelukkige tijden te herinneren.

Het was op eenen Maandag;--de weduwe zat met natbeschreide wangen bij

het bed, waarop haar zoon lag uitgestrekt. Die sterke jonkman, welke

zoovele jaren den voorhamer met gemak en losheid had behandeld, die

zooveel zweet voor zijne moeder had gestort, was nu als in een

ontvleesd geraamte veranderd. Men kon op zijnen blooten hals

gemakkelijk de ingekrompen spieren zien bewegen; zijne

sleutelbeenderen lagen zoo zichtbaar onder zijne huid, alsof zij als

met een doorschijnend lijnwaad waren overtrokken geweest: zijn gansch

lichaam scheen als weggesmolten. Zijn aangezicht droeg geen het

minste teeken van pijn: alleenlijk was er eene diepe droefheid op

afgeschetst, en men kon duizende hartgrievende woorden lezen in de

flauwe oogen, die hij op zijne moeder gericht hield. Van tijd tot

tijd kwam er nog eene uitdrukking van zaligheid zijn mager aangezicht

beglanzen: het was wel geen lach, maar iets onverstaanbaars, eene

geheime gedachte, die zijne oogen meer deed blinken en hem meer van

het graf, dat op hem gaapte, scheen te verwijderen. Dan vatte de

bedrukte moeder, ziende wat hevige zielestrijd van hoop, van liefde

en van doodende foltering in haren zoon omging, zijne beenige hand en

zuchtte vol ontroering; een enkel woord rolde slechts van hare

lippen, de naam van haren stervenden zoon:

"Quinten! o, Quinten!..."

Nadat zij elkander aldus ruimen tijd bezien hadden, begon de weduwe

opnieuw overvloedige tranen te storten en sprak eindelijk met doffe

stemme:

"Quinten, mijn arme zoon, verlangt gij niets? Hebt gij geenen dorst?"

"O neen, moeder; maar gij? Ik zie u niets eten? Gansche dagen weent

gij om mij, en gij krenkt uwe gezondheid.--O, wat ben ik

ongelukkig!--Ik zal sterven, dit voel ik; niet door de ziekte van

mijn lichaam--dit zou mij misschien het leven sparen, maar er is

iets, o God!--iets, dat mij sedert lang naar het graf trekt, iets,

dat mij 's nachts de rust beneemt en bij dag om den dood doet

wenschen.--O, moeder, moeder!"

En niettegenstaande zijn uitgedroogde lichaam onbekwaam scheen om nog

veel vochts te bevatten, stroomden op eens de tranen als bij beken

over zijne dorre wangen.

De weduwe stond van haren zetel op, en, haar verdriet met geweld

verbergende, sloot zij het kranke lichaam van haren zoon met teedere

drift in hare beide armen en zoende de tranen van zijn aangezicht.

"Quinten," zuchtte zij, "o, zeg wat uw hart zoo benijpt. Zeg het toch

aan uwe moeder! Misschien zal ik die geheime pijn genezen kunnen.--En

dan, Quinten, dan zou ik u misschien niet verliezen. Ware dit

mogelijk!"

Quinten sprak niet; alleenlijk stuurde hij zijne blikken nog

onbeweeglijker in de oogen zijner moeder, zonder dat zijne tranen

ophielden van overvloediger op zijne wangen te rollen.

"Zeg het mij toch," hernam de moeder, "zeg mij wat geheim er in uw

hart ligt. Ik bid u, in Gods naam, spreek!"

Een zucht, zoo naar als een gehuil, ontvloog der borst van Quinten;

hij bedekte zijn aangezicht met beide handen en sprak met eene stem,

die zulke geweldige ontroering te kennen gaf, dat men mocht vreezen,

dat zijn levensdraad ging breken:

"Gij hebt honger, moeder; sedert drie dagen hebt gij niets gegeten.

Denkt gij, dat ik het niet weet? O, zekerlijk, ik zal sterven;--ik

zie u vergaan als eene schaduwe en gij lijdt om mij, om uw kind

alleen!"

"Is het anders niet?" antwoordde de moeder met moed en schier blijde

fierheid. "Troost u dan maar en heb daarom zooveel hartepijn niet.

Honger lijden voor u, mijn Quinten? Voor u? O, God zij mij getuige,

dat ik in voor mijn kind te lijden den eenigen troost vind, die mij

nog op aarde overblijft."

"Armen hebben, die tot niets goed zijn!" riep Quinten met wanhoop,

"naar den arbeid als naar de zaligheid snakken, en weten, dat zijne

moeder van honger vergaat, zonder haar een stuk zuur brood te kunnen

bezorgen! Hemel, ik ware uwe genade onwaardig, indien ik niet

stierf!"

Die uitgalmingen hadden hem zeer vermoeid; ook viel zijn hoofd, dat

hij door drift had opgeheven, machteloos neder; dan voegde hij met

meer kalmte bij zijne eerste woorden:

"Maar, moeder, blijft er ons dan niets meer over, dat eenige waarde

heeft, niets, waarvoor men ons een brood geven zou?"

"Niets, mijn zoon," antwoordde de oude vrouw mistroostig, "ik heb

alles verkocht,--denk niet meer aan zulk middel."

De ongelukkige Quinten wrong zich met zooveel wanhoop in zijn bed,

dat zijn gebeente onder het deksel kraakte.

"Gij zult dus van honger sterven!" riep hij woedend uit. "Ik, die

reeds bij den dood ben, ik zal u voor mijn bed zien bezwijken? O,

neen, dit zal niet zijn.... Ho, ik zal opstaan en u doen zien, wat

de liefde van eenen zoon tot zijne moeder vermag.--Geef mij mijne

kleederen, en indien gij, eer twee uren verloopen zijn, niet gegeten

hebt, dan straffe mij God met het eeuwig vuur!... O, moeder, moeder!

de zoete Jezus heeft zich over mijne zondige woorden niet

vergramd.... Ik gevoel kracht! Ik leef!"

Inderdaad, het scheen, dat de jonge Quinten eensklaps uit zijne

ziekte was opgestaan; hij bewoog zijne armen als iemand, die zich tot

zwaren arbeid bereidt; en de bewegingen, welke hij deed, waren zoo

los en zoo krachtig, dat zijne moeder niet begrijpen kon wat dit

beduidde; zij dorst zich gansch niet overgeven aan de hoop van een

mirakel in haren zoon te zien, en bleef verbaasd en twijfelend op hem

staren!

Intusschentijd had Quinten met ongemeene vlugheid al zijne kleederen

aangetogen; maar wat geweld hij ook deed om de zwakheid zijns

lichaams te overwinnen, men kon echter genoeg zien, dat er weinig in

zijnen toestand was veranderd; want zijne bewegingen werden

allengskens langzamer en trager en zijn adem korter, totdat hij

eindelijk, door de onmacht overmeesterd, zijne moeder nog eens bevend

omhelsde, en dan van wanhoop huilend, in eenen stoel nederviel en

riep:

"O, lieve moeder, ik wilde voor u gaan werken.... maar--ik kan niet!"

Op dit oogenblik ging de deur van het huisje open, en eene non van

het klooster van ter Zieken, hebbende een korfken aan den arm, trad

binnen.

"Moeder Massys," riep zij, "ik breng iets voor onzen zieken

Quinten.--Maar wat is er dan, goede lieden? Wat ongeluk is hier

gebeurd, dat gij beiden daar zit en weent?"

De moeder noch de zoon antwoordden op deze vraag. Daar zij eerlijk

waren en nooit om hulp van anderen hadden gebeden, weerhield de

schaamte hen, van over hunnen nood iets te kennen te geven.--Waar is

toch de vlijtige arbeidsman, die zonder pijn smeekend zal zeggen: ik

heb honger?

De non gaf geene acht op de stilzwijgendheid dier ongelukkigen; zij

plaatste den korf, dien zij droeg, op eene tafel en nam er eene

flesch uit; dan schonk zij daaruit eene goede teug rooden wijn in

eenen beker.

"Quinten," riep zij met blijdschap, "dit zal u wat moed geven en u

uitermate versterken: daar, drink het uit!"

"Indien mijne moeder het drinkt," sprak Quinten met een biddend

gelaat, "beloof ik, dat ik tien missen voor u zal hooren, zuster

Ursula!"

"Drink maar," hernam de non, "ik zal uwe moeder ook eenen beker

geven."

"O, dan hoor ik er twintig!" riep de ontroerde smid met eenen traan

van vreugde in elk oog.

Wanneer zij nu beiden op het aandringen van zuster Ursula eene teug

wijns genuttigd hadden, bracht de non haren korf onder Quintens

gezicht, zeggende:

"Ho! ik heb nog al iets zie maar."

Niet zoodra had Quinten zijn oog in den korf gestuurd, of hij hief

zijne armen ten hemel en riep:

"Goede Ursula, gij weet niet wat gij ons brengt. Aan u durf ik het

toch zeggen, aan u, die ons als een engel van barmhartigheid komt

laven en troosten. Zuster ... zuster, mijne oude moeder heeft in

drie dagen niet gegeten."

"Och Heer, is het mogelijk!" galmde de non uit. "Spoedig dan maar,

hier is een fijn tarwebrood voor u en een goed stuk vleesch."

De ontsteltenis der weduwe was zoo groot, dat zij niet van het brood

nuttigen kon; hetgeen toch voor dit oogenblik zoozeer niet behoefde,

want de gedronken wijn had haar genoeg krachten gegeven. Terwijl de

non bezig was met haar tot eten aan te manen, had Quinten

ongevoeliglijk eene der handen van zuster Ursula tot zich getrokken,

zonder dat deze het had bemerkt. Na weinige oogenblikken echter rukte

zij deze met geweld terug, want zij had eenen brandenden adem er op

gevoeld.

"Maar Quinten," riep zij, "wat doet gij dan?"

"Vergeef mij, zuster," zuchtte de jongeling, "o, vergram u niet op

mij, indien ik uwe hand bevochtigd heb; het zijn tranen van

dankbaarheid en van eerbied!"

De non werd rood door een gevoel van schaamte, want het gezicht van

Quinten, dat alsdan beweegloos op haar gevestigd was, had eene

ongemeene kracht: men zou gezegd hebben, dat hij haar aanbad. Dan, om

zich uit die lastige gesteltenis te redden, begon zij eensklaps van

wat anders te spreken.

"Ja, moeder Massys," zeide zij, "er zijn tegenwoordig vele zieke

menschen; hier in de gebuurte zelfs liggen er drie te bed: de

wolwever Veken, de timmerman Balens en Hans de tapissier. Bij de twee

eersten draag ik ook zoo al wat, als ik het ergens krijgen kan; maar

de tapissier Hans werkt op zijn bed voor ons klooster...."

"Wat doet Hans voor uw klooster, zuster?" viel Quinten haar haastig

in de rede.

"Hij schildert gedrukte beeldekens voor de begankenis der

melaatschen," was het antwoord; "hij doet het wel niet goed, maar

omdat hij ziek is, zien wij daar niet nauw op.--Zie, daar zijn er,

die ik juist bij hem heb afgehaald."

Een pak beeldekens uit den korf nemende, gaf zij deze aan Quinten,

die ze één voor één overzag.

"Zuster," sprak hij eindelijk, "dit zou ik, dunkt mij, beter kunnen."

"Och, gij lacht er mede, Quinten! Hans de tapissier moet dagelijks

beelden in zijne tapijten weven, daarom kent hij er al wat van; maar

gij, die een smid zijt,--dit zou u niet gaan, geloof ik."

Quinten stond met geweld van zijnen zetel op, en zich met fierheid

tot de non keerende, sprak hij:

"Zuster Ursula, er is noch smid, noch tapissier, noch schilder, die

eene pomp maken zal gelijk de pomp, die Quinten Massys op de

Handschoenmarkt gemaakt heeft! Het is waar, ik heb nooit met verven

gewerkt en zal wellicht in het eerst eenige beeldekens bederven;

doch, zuster, vergeet niet, dat een zoon, die voor zijne moeder

arbeidt, geen gewoon werkman is.--Misschien zou ik kunnen gelukken;

er is iets, dat mij het zegt."

"Welnu dan, Quinten, daar zijn ongekleurde beeldekens. Beproef wat

gij kunt. Uwe moeder kome met mij naar ter Zieken, ik zal haar verven

en penseelen medegeven."

"Ga, moeder, ga spoedig!" riep Quinten met verrukking. "Och, nu zal

ik kunnen werken,--en, geluk ik in mijnen arbeid, dan genees ik

zeker, want gij zult om mij niet meer honger lijden. Ga gauw!"

Wanneer zijne moeder met de non vertrokken was, liet hij de

beeldekens, het eene na het andere, door zijne handen gaan,

overdenkende, wat deel hij blauw, geel, rood of groen maken zou. In

die eenzame overweging gloeide hem het hoofd zoodanig, dat zijne

magere wangen nog een overblijfsel van warm bloed verrieden; hij

bewoog de vingeren zijner rechterhand boven de printen, alsof hij

reeds aan het schilderen ware geweest. De beeltenissen, die hij onder

het oog had, waren gebrekkelijk en slecht,--hij zag dit wel; want in

zijne leerjaren had hij zich de teekenkunst gemeen gemaakt, hetgeen

genoeg bleek uit al de kunstwerken, welke door hem in ijzer waren

gesmeed.

Zijne moeder met de verven teruggekomen zijnde, ging hij te bed,

schikte een vierkant plankje voor zijne borst, en begon zoo half

zittende te schilderen. De oude weduwe was dermate nieuwsgierig, om

te zien, welken uitslag die arbeid hebben zou, dat zij met angstige

nauwkeurigheid al de bewegingen van het penseel volgde.

Alhoewel Quinten zeer langzaam arbeidde, had hij toch, na een uur

tijds, eene print met de schoonste kleuren, met de zuiverste tinten

bedekt.

Over zijn eigen werk als opgetogen, riep hij:

"O, moeder, zie, ik zal nu ras genezen,--het gaat mijne verwachting

te boven!"

De oude vrouw kende niets van de kunst, die Quinten aan haar oordeel

aanbood; doch zij liet zich door de blinkende verven verrukken, en

stond in bewondering en als verbaasd voor het geschilderd

beeldeken.

"Quinten," riep zij, "wil ik dit eens naar ter Zieken dragen om te

laten zien!"

"Straks, moeder, als ik er nog eenige gemaakt heb. Kom, geef mij dit

terug, opdat ik het vóór mij legge."

"Gaat gij ze dan altemaal op dezelfde wijs schilderen, Quinten?"

"Neen, moeder, maar er zijn op dit nog vele gebreken, en ik zal het

bezien, om ze in het tweede te verbeteren."

De oude vrouw was zoo blijde, zoo verrukt, alsof haar een

onuitsprekelijk geluk overkomen ware; niet juist omdat haar zoon de

beeldekens wel geschilderd had, want daar wist zij in het geheel

niets van; ook beloofde zij zich ten hoogste het loon van eenige

stuivers voor zijnen arbeid, indien hij dan nog slechts als goed

aanvaard werd; maar zij verheugde zich in de welgemoedheid van haren

zoon, die nu, door de drift des arbeids ondersteund, in veel beteren

staat scheen te zijn en na het voltooien der derde print de eerste

woorden van een zijner vergetene liedekens, bij wijze van uitroeping,

had laten hooren. Van tijd tot tijd onderbrak de verrukte moeder het

werk van haren zoon om hem te omhelzen, waarop hij dan lachende

bemerkte:

"Wel, moeder, laat mij toch arbeiden; gij laat mij niet voortgaan!"

De vierde print afgewerkt zijnde, drong de weduwe zoodanig bij haren

zoon aan, om ze naar ter Zieken te mogen dragen, dat hij eindelijk er

in toestemde; en moeder Massys liep, zou gauw zij kon, naar het

klooster, dat op eenige boogschoten in de nabijheid der stad lag. Zij

klopte even haastig en wachtte met jagend harte, dat men haar kwame

openen.

Eene stokoude non verscheen bij het kijkschuifken, en ziende, dat het

eene geringe burgervrouw was, die aangeklopt had, deed zij langzaam

open en vroeg:

"Wat moet gij hebben, vrouw?"

"Is zuster Ursula in het klooster?"

"Neen, zuster Ursula is uitgegaan;--kom morgen weer."

Bij deze woorden vatte zij de deur en deed aan de oude vrouw een

teeken, alsof zij zeggen wilde: "ga weg, dat ik de poort sluite!"

Moeder Massys gevoelde diep verdriet over de afwezigheid van zuster

Ursula, en kon, als door een dwingend gevoel wederhouden, geenen stap

doen om het klooster te verlaten.

"Heb gij nog iets te zeggen?" vroeg de non.

"Ja, zuster," antwoordde de oude vrouw, de printen van onder hare

huik halende, "gelief de goedheid te hebben de beeldekens aan zuster

Ursula te toonen en te zeggen, dat Quinten Massys, de smid, die

gemaakt heeft."

De non bezag de haar aangebodene voorwerpen met eene uitdrukking van

misprijzen. De beelden moesten gewis niets aangenaams vertoonen: haar

gelaat gaf dit genoeg te kennen.

"Och God, wat zijn dit voor leelijke beeldekens!" riep zij. "Men

walgt van ze te zien; voor geen geld wilde ik er zoo een in mijn

kerkboek!... Ik zal ze toch wel aan zuster Ursula toonen."

"Zijn ze niet goed, zuster?" vroeg de bange moeder.

"Foei, 't is schande zulke dingen te schilderen," was het antwoord,

dat zij kreeg.--En hiermede kon zij vertrekken.

Het hart verpletterd en de ziel vol droefheid, keerde de moeder naar

haren zoon. Zou zij hem dit zeggen en hem terug in zijne doodende

wanhoop dompelen? Maar kon zij hare tranen wederhouden en hare

gelaatstrekken en zuchten genoeg bedwingen, om niet te verraden, wat

loon zij bekomen had?

Zij bedroefde zich nochtans ten onrechte over de harde woorden der

non; want die hadden eene andere oorzaak dan die, welke moeder Massys

er aan toekende. Om dit te verstaan, moet men weten, dat de printen,

die door Quinten geschilderd waren, allerlei melaatschen,

gebrekkelijke en pestzieke menschen voorstelden; de jonge smid had

deze zoo natuurlijk geschilderd, misschien door overmaat van gevoel

nog overdreven, dat de non, die afgrijselijke vertooningen ziende en

door de waarheid er van geraakt, zich eene walg gevoeld had en daarom

riep: "foei, foei, het is schande!"

De moeder, die reden niet kennende, had verstaan, dat de wijze,

waarop de printen geschilderd waren, voor leelijk en slecht door de

non beoordeeld was geworden.

Zij was even binnen de deur harer woning, wanneer haar zoon haar

reeds toeriep:

"Welnu, moeder, wat zegt men er van?"

De bedrukte moeder, viel weenend in de armen van haren zoon en kon,

uit overgroote droefheid, geen enkel woord spreken; tusschen hare

tranen streelde zij met dolle drift haren armen Quinten, die zijn

hoofd op de borst zijner moeder had verborgen. Hoe grooter, hoe

ondraaglijker de rampen dezer ongelukkigen waren, hoe levendiger

hunne liefde scheen te worden. Indien hunne doffe zuchten niet hadden

getoond, wat pijn hen folterde, zou men licht gedacht hebben, dat

blijdschap hen vervoerde; want zij gaven elkaar de hevigste blijken

eener vurige teederheid. Een innig gevoel van martelpijn dreef hen om

elkander onderling aldus te troosten; want zij verstonden beiden de

uitgestrektheid hunner bittere ellende.

Eindelijk zuchtte Quinten:

"Moeder, lieve moeder, wat nu gedaan? In alles bedrogen, van allen

verstooten, o God!"

"Mijn kind," riep de moeder wanhopig en met verdwaaldheid uit, "mijn

dierbaar kind! ik heb u met mijne melk gevoed, ik heb altijd voor u

als eene slavin gewerkt, toen gij nog jong waart.--Gij hebt mij ook

bemind en als een goed zoon en door uw dagelijksch arbeidszweet voor

uwe moeder gezorgd. Welaan, Quinten, indien het dan toch zijn

moet,--indien wij sterven moeten, en dat de ziekte u, en de honger

mij in het graf sleepen moeten ... o, dan blijft er ons toch nog eene

zalige zekerheid over:--wij sterven samen!"

Eene lange omhelzing volgde op deze woorden; men hoorde niets meer in

de kamer, dan alleenlijk de hijgingen van twee met smart overladene

boezems en soms nog eene stille stem, die suisde:

"Moeder, o, lieve moeder."

Reeds hadden zij ruimen tijd, stilzwijgend en weenend, elkaar in de

armen gedrukt; want in hunne oneindige treurnis waren zij door liefde

tot elkaar als verengeld en hadden wellicht deze wereld gansch

vergeten,--toen zij eensklaps aan de deur eene stem hoorden, die

vroeg:

"Waar woont de smid Quinten Massys?"

De oude vrouw droogde met haast de tranen van haar aangezicht en

wilde de deur gaan openen; doch reeds eer zij deze bereikt had,

drongen vier personen te gelijk in de kamer.

De twee eersten, die er binnentraden, waren de vrouw Abdisse van het

klooster ter Zieken en een geestelijk persoon, welke haar vergezelde.

Achter hen kwamen zuster Ursula en eene andere non, een groot boek

onder den arm dragende. Al deze personen stuurden met verwondering

het oog naar Quinten, die zijn penseel had neergelegd en beschaamd en

bang op een bitter vonnis wachtte.

De Abdisse, wat dichter bij hem naderende en hem zijne eerste printen

toonende, vroeg met eene stem, die van veel welwillendheid getuigde:

"Zijt gij het, jongeling, die deze printen geschildert hebt?"

"Ja, vrouw Abdisse," antwoordde Quinten met een bang hart, "maar ik

hoop, indien ik uwe gunste mocht verwerven, dat ik mettertijd meer

bekwaamheid krijgen zou. Vergeef mij, eerwaarde Vrouwe, dat ik deze

bedorven heb. O, vergeef mij, in den naam mijner ongelukkige moeder!"

"Bedorven?" riep de Abdisse met verbaasdheid, "gij zijt wel

ootmoedig, jongeling. Ik ben gekomen om u te zeggen, dat niemand ooit

schooner beeldekens gezien heeft dan die, welke gij geschildert

hebt!"

Deze woorden waren als een donderslag voor den verstomden Quinten;

eene kleur als doodsverf verbleekte nog zijn aangezicht, en zijne

leden beefden, alsof hij door eene schielijke kwaal ware getroffen

geweest. Terwijl die ontroering hem schokte, stak hij zijne armen

naar zijne moeder uit en riep:

"O, moeder! lieve moeder!"

De blijde vrouw verstond hem; zij wierp zich vooruit en viel hijgend

tegen de borst van haren zoon.

Bij dit treffend tooneel van liefde en vreugd gevoelden de vier

personen, die het aanschouwden, zich zoo diep geraakt, dat hunne

oogen zich met glinsterend vocht vervulden.

"Quinten Massys," riep de Abdisse, "zoudt gij iets voor mij willen

doen?"

Op het hooren van de stem der Abdisse had de moeder haren zoon uit de

nauwe omhelzing losgelaten; doch zij hield eene zijner handen vast en

bleef bij hem staan. Quinten antwoordde in verrukking:

"Spreek, mevrouw, ik ben uw gehoorzame dienaar."

De Abdisse nam het boek uit de handen der non, en het aan den

jongeling toonende, vroeg zij hem, of hij de printen der Passie onzes

Heeren, welke er in stonden, voor haar wilde schilderen. Quinten gaf

voor, dat hij dit niet durfde ondernemen, uit vrees van het kostelijk

missaal te bederven; doch de loftuigingen, die hem door de Abdisse en

den geestelijke toegestuurd werden, gaven hem ten laatste moed genoeg

om dit groote werk te aanvaarden.

Zoohaast zij de belofte hadden verkregen, maakten de vier personen

zich bereid om te vertrekken; doch zuster Ursula naderde eerst bij

Quinten en suisde hem in het oor:

"Ga maar voort, jongen. De Abdisse is over uw werk ten hoogste

voldaan,--zij kan er niet van zwijgen."

En met zachtere stem voegde zij er bij:

"Uwe moeder zal nu nooit meer gebrek lijden. Heb maar goeden moed!"

Dit laatste gezegde gaf aan Quinten meer zalige ontroering dan men

kan begrijpen; hij stuurde eenen dankbaren blik tot zuster Ursula en

zuchtte:

"Voor u,--voor u zal ik altijd bidden,--en mijne moeder ook!"

Toen de Abdisse met haar gevolg vertrokken was, keerde de gelukkige

vrouw zich tot haren zoon en wierp twee goudguldens op zijn

schilderbord, roepende:

"Zie, Quinten, dit heeft de Abdisse mij voor uw werk gegeven! Wij

zijn rijk, mijn kind, oneindig rijk! Nu ga ik meteen uit, om alles te

halen, dat u in uwe ziekte ontbroken heeft!... En gij zult genezen,

mijn lieve Quinten! Al onze pijn is uit; nu zullen wij weer vroolijk

leven!"

"Heb ik het u niet gezegd, dat een zoon, die voor zijne moeder

arbeidt, geen gewoon werkman is? O, ja, het lijden, dat ik bij het

zien van uwen nood moest uitstaan, heeft mij tot schilder gemaakt.

Het is God zelf, die daarom mijne zwakke hand bestierde!".

* * * * *

Quinten schilderde tamelijk lang aan het boek der Abdisse; maar toen

het werk voltooid was, kon men er reeds wonderlijken voortgang in

bespeuren, waarom hem ook eene milde belooning geschonken werd. Hij

kreeg dan ander werk van dien aard, dat hij ter voldoening van

iedereen afmaakte.--Eindelijk verveelde het hem, op gedrukte printen

te schilderen; hij begon zelf zijne beelden aan te leggen, en,

alhoewel hem dit moeilijker viel, overwon hij in korten tijd al de

hinderpalen, welke de kunst hem aanbood.

Nog tien maanden bleef hij zwak en krank en kon niet verre buiten

huis gaan; maar dien tijd nam hij zoo wel waar om alles aan te

leeren, wat hem door de milde natuur niet geschonken was, dat hij,

voor de eerste maal uitgaande, overal reeds als een befaamd schilder

werd begroet.

Het geld ontbrak hem nu niet meer; hij ging met zijne oude moeder een

goed burgerhuis bewonen en bezorgde haar met dezelfde liefde, totdat

zij, haren zoon den roem zijns vaderlands ziende, welgemoed en met

zaligen vrede in zijne armen het leven ontging.

DE ENGEL DES GOEDS EN DE GEEST DES KWAADS

MIJMERING

I

(_Een broeder geleidt zijne zieke zuster in den hof tot bij eene

zitbank_)

DE BROEDER.--Mijn arm zusterken, zit daar neder. Ik zal een donzen

kussen achter dijnen[1] rug leggen;--laat dijn hoofdeken ter zijde

rusten, dat de balsemende zuiderwind op dijne wangen zich kome

verlustigen. Zie, hoe alles dij in dit oord bemint: de bloemen keeren

hunne kelken naar dijn aangezicht, de vogelen heffen hunne schoonste

liederen aan....

Daar, aan dijnen voet, vertraagt het glinsterend beekje zijnen gang

en murmelt zachter; ginds omhult de avondzonne de velden in

prachtigen purpergloed ... o, voels du niet, hoe de aangelokte zefier

in dijne blonde haren en rond dijnen ranken hals dartelt en speelt?

DE ZUSTER, _zittende_.--Broeder, de natuur is schoon, niet waar?

Alles lacht en juicht om ons heen, alles is genot en vreugde op

aarde! Waarom spreekt onze moeder mij dan immer van een schooner en

gelukkiger vaderland? En waarom blinken er tranen in haar oog, als

zij zegt, dat een beter oord mij wacht?

DE BROEDER.--Lieve Rosa, indien de tranen des menschen als edele

gesteenten met verschillende kleuren glinsterden, zouds du uit

moeders oogen witte en zwarte waterparelen zien vallen. Zij betreurt

dijne vroege opvaart naar het hooge vaderland, doch verblijdt zich,

dat de Heer de kroon der reine zielen dij geschonken hebbe.

DE ZUSTER.--Zal ik haast vertrekken, broeder?

DE BROEDER.--God alleen weet het, Rosa.

DE ZUSTER, _mijmerend_.--Daar vliegt een vogel zoo driftig voorbij!

Hij heeft een wormken gevangen om zijn kroost te spijzen. Hoor, hoe

vroolijk ontvangt hem zijn schaterend huisgezin.... Als zijne

jonkskens zullen zingen, zal ik in het hooge vaderland zijn, niet

waar, broeder?

DE BROEDER, _met vochtige oogen_.--O, zuster, spreek zoo niet! Komt

de Engel vroeger, du zals met hem gaan.

DE ZUSTER.--Broeder, de rozestruiken beloven nog zoovele bloemen....

Zal ik vertrokken zijn, eer de lieve knopjes ontluiken?

DE BROEDER.--Rosa, laat toch die droeve mijmering dijne ziele niet

overnevelen. Geniet in vrede de giften Gods. Neem deze roze, zij is

dijn beeld en draagt dijnen naam; haar geurrijk hart verkwikke dijnen

geest.

DE ZUSTER, _de bloem aanschouwende_.--Arme roze, waarom dij zoo vroeg

van dijnen stengel gerukt!... Broeder, wat zal nu het lot der bloeme

zijn?

DE BROEDER.--Zij zal verwelken en sterven, Rosa.

DE ZUSTER.--Sterven, sterven! Dit woord doet mij beven.... Sterven

moet ik insgelijks, eer ik opvare naar het hooge vaderland!

DE BROEDER.--De dood, o zuster! moge den booze schrikkelijk zijn, dij

zal hij lachend en minnelijk schijnen.

DE ZUSTER.--En nochtans, ik voel mijne borst door angst beklemd. Wat

zal er toch geschieden in het gevreesd en onbegrijpelijk oogenblik?

DE BROEDER.--Zuster, du zals eenen engel aan dijne rechterzijde zien

verschijnen; hij zal dij omringen met lichtstralen, zal dij omsluiten

in zijne armen, zijne gulden vlerken uitslaan, en met dijne ziele

juichend opstijgen tot God, die dij eene schoone plaatse in zijnen

hemel heeft voorbereid.

DE ZUSTER, _na lang stilzwijgen_.--Broeder, ik voel mijne oogen

verzwaren; onder de koesterende zonnestralen wilde ik slapen: het zou

mij verkwikken.

DE BROEDER.--Leg dijn hoofd op het kussen, Rosa; ik zal blijven waken

bij dijnen zoeten slaap.

DE ZUSTER.--Niet zóó, broeder.... het kussen aan de rechterzijde.

Dáár moet immers des Heeren engel staan?--Zies du niets gelijk eene

zilveren lichtwolk nevens mij? De engel is reeds dáár misschien?

DE BROEDER.--Neen, neen, zuster, heden zal hij nog niet komen.

Verjaag die bedrieglijke droomen en leg dij stillekens met dijn

vermoeid hoofd ter ruste.

DE ZUSTER; _zij legt het hoofd op het kussen en ontbladert

gedachteloos de bloem op hare hand._--Ontwaak mij, broeder, als ik te

lang mocht slapen.

DE BROEDER; _hij zit neder voor zijne zuster en weent._--Twee

bloemen, die verwelken!--Arme roze, daar liggen nu dijne roode

bladeren als bloedvlekken op de sneeuw harer handen gestort. (_De

zuster beweegt hare hand; de rozebladeren vallen in het stroomend

beekje_.) O, lief zusterken! Zij schetst haar smartend beeld zoo

juist!--Hare zestien jaren zijn voorbijgevloden op de zachte vlerken

der moederliefde en der vriendschap; zij heeft ze als deze bladeren

gul en blijde zien blinken en verdwijnen; maar nu,--kranslooze bloem

op gebroken stengel,--nu heeft zij geen enkel blaadje meer om het den

levensstroome te schenken. Haar hoofd nijgt loodzwaar ten grave, hare

ziel maakt zich los van het kranke lichaam, en misschien staat

waarlijk reeds de engel aan hare zijde.... Wat mag toch die ziekte

zijn? Zou de Heer uit der maagdenrei zich de zuiverste kiezen, om des

hemels zangkoor te vermeerderen? Zou de onbegrijpelijke ziekte der

maagden eene voorbereiding tot de verzaliging zijn? Mijne zuster zal

dus met de engelen zingen voor des Heeren troon.... (_Hij buigt het

hoofd en zwijgt_.)

VOETNOTEN:

1: Oudtijds, in plaats van _gij_, _u_ en _uw_, schreef men

in het enkelvoud _du, dij, dijn_. Het is te bejammeren dat deze

schrijfwijze is verloren gegaan, daar wij met _gij_, _u_ en _uw_ onze

denkbeelden niet juist kunnen uitdrukken. Nog dient er opgemerkt te

worden, dat in den tweeden persoon enkelvoud men altijd eene _s_ zet

achter het werkwoord, zoodat men schreef _du habs, du wils_, voor ons

hedendaags _gij hebt, gij wilt_.

Vele Nederduitsche schrijvers, en hieronder de opsteller dezer

mijmering, hebben zich verstaan om den tweeden persoon enkelvoud

langzaam in de schrifttaal herin te voeren. Onze taal zal er in

zoetheid en levendigheid bij winnen, zooals men genoeg uit onderhavig

stuk zelf zal kunnen opmerken.

Ziehier hoe deze woorden verbogen worden:

M. V. O.

1. dijn, dijne, dijn,

2. dijnen, dijne, dijn,

1. van dijnen, van dijne, van dijn,

of dijns, of dijner, of dijns,

aan dijnen, aan dijne, aan dijn,

of dijnen, dijne, dijn,

of dijner, of dijnen.

1. naamval du,

" dij,

" dij, van, aan dij.

II

DE ENGELBEWAARDER, DE DUIVEL EN HET MEISJE

DE ENGEL.--Terug, du booze geest, wat koms du hier zoeken?

DE DUIVEL.--Denks du, engel des lichts, dat ik dij eene ziele zonder

strijden overlate? Drijf dijne liefde dij tot de bescherming der

menschen, mijn haat drijft mij tot hunne vervolging.

DE ENGEL.--Dijn haat! Wat heeft het maagdelijn dij gedaan?

DE DUIVEL.--Is zij geene dochter Eva's?

DE ENGEL.--Zij is het.

DE DUIVEL.--Het maagdelijn is een mensch: zij kan tot God gaan en

eene plaats voor Zijn aanschijn vinden. Ik, overwonnen,

neergebliksemd en tot den afgrond gedoemd, ik alleen blijf eeuwig

gebannen. Den verachtelijken lieveling is mijn ontnomen vaderland

geschonken.--En ik zou hem niet haten, niet vervolgen? O, te lang

reeds gesproken! De nijd brandt gloeiend in mijnen boezem. Aan mij

deze ziele!

DE ENGEL.--Zij is rein, du kans ze niet raken.

DE DUIVEL.--Welaan, wij zullen het beproeven! Du hebs de koude

waarheid, ik de verleidende logen. Beginnen wij den strijd om haar?

(_Een diepe slaap overvalt den broeder; eene nevelwolk omsluit hem;

de lucht wordt warm en balsemend; schitterende bloemen ontstaan rond

de maagd; vogelen zingen op het geboomte_.)

DE ENGEL, _met droefheid en stil_.--O, du almachtige, verleen aan

mijn arm schutskind de krachten om dezen laatste strijd te

doorworstelen. Ik kom voor dijnen troon met de beminde ziele door het

vuur der beproeving gezuiverd.... Moge ik toch niet eeuwen lang het

verlies betreuren van het zoete maagdelijn!

III

DE ENGEL, DE DUIVEL, HET MEISJE, EENE ROZE, EEN BEEKJE.

HET MEISJE; _zij ontwaakt met eenen glimlach_.--O, God, wat is dit?

Genezen! Wat zoete begoocheling!

Maar neen, begoocheling is het niet.... Mijn hart klopt krachtig;

warm bloed stroomt mij door de aderen.--Waar ben ik toch? Alles is

hier zoo hemelsch schoon! Hoe geurig de lucht, hoe prachtvol het

bloemtapijt, hoe verleidend de stemmen der lieve vogeltjes! Zou de

engel mij reeds naar het hooge vaderland hebben opgevoerd? (_De

duivel vaart in eene roze_.) Zie, daar buigt eene roze haren stengel

tot mij. Kom, lieve bloeme, lig vrij op mijnen schoot, ik zal dij

niet plukken. Hoe rijk gekleurd is dijn betooverend gelaat!

DE ROZE, _waaruit de duivel spreekt_.--Zuster, ik kom en rust op

dijnen schoot, om dijn betooverend aangezicht te zien. O, wat bens du

schoon! Geene onder ons heeft bladeren, welker verf zoo zuiver is als

de kleur dijner wangen. O, verhef dijne lange wimpers nog, dat ik

dijne zwarte oogappelen fonkelen zie! Ik benijd dijnen lieven monde

zijn koraalrood; hadde ik bladeren als dijne lippen, zoo verwelkte ik

morgen op de borst eener koninginne. O, lach nog, zuster, want dan is

dijn mond gelijk aan een rozeknopje, in welks hart de rijkste parelen

schitteren. Dan is dijne schoonheid onuitsprekelijk, verleidend als

de jongste morgenstraal!

HET MEISJE.--Du dwaals voorzeker, lieve bloeme, of sprak dijne stem

het lied, dat de rozen elkander van verre toezingen?

DE ROOS.--Neen, neen, zuster, niets op aarde is schoon als du!

Ziedaar, aan dijne voetjes, het beekje, dat zijne murmelgolfkens

wederhoudt om dijn beeld te herspiegelen en te streelen, O, mocht ik

sterven op dijne warme borst of in dijne zijden haren. Heb medelijden

met dijne arme zuster, neem ze van haren stengel, dat zij u nimmer

verlate!

HET MEISJE: _zij plukt de bloem en steekt ze op hare borst_.--Blijf

op mijne borst, lieve bloeme, en moges du lang zoo frisch en zoo

bekorend prijken.... Maar, wat onbekend vuur zinkt er in mijnen

boezem!... Roze, dijne doornen wonden mij! (_Zij werpt de bloem

weg_.) Dijne vriendschap is niet oprecht. (_De duivel verbergt zich

in het beekje_.)

HET BEEKJE, _waaruit de duivel spreekt_.--O, du allerschoonste maagd,

bekoorlijke Rosa!

HET MEISJE.--Wie sprak mijnen naam?

HET BEEKJE.--Engelinne, du hebs zoo dikwijls bij mijne frissche

boorden zitten droomen. O, wees nu ook goedertieren genoeg ... buig

dijnen zwanenhals over mij, dat ik dijn tooverbeeld ontvange.

HET MEISJE; _zij buigt zich over het beekje en beschouwt haar beeld

in den gladden waterspiegel_.--Hoe rozevervig zijn heden mijne

wangen! De meerle heeft toch geene vederen, zwarter dan mijn haar; de

gitsteen glanst toch niet vuriger dan mijne oogen; de lelie is toch

niet blanker dan mijn voorhoofd..... (_De duivel komt uit het

beekje_.)

DE DUIVEL, _spottende tot den engel_.--Ha, ha, engel des lichts, du

begins er treurig uit te zien! Voers du nog dijne verwaande taal?

Neen, niet waar? Du bespeurs wat ik op de maagd vermag. Heb ik niet

in mijn bezit de twee onfeilbare sleutelen van der vrouwen

gemoed,--ijdelheid en liefde? Één sleutel heeft reeds den boezem der

maagd ontsloten: daar huist de hoogmoed in haar hart!

DE ENGEL.--Niet als du, geest der duisternisse, zal ik roemen op eene

onzekere zegepraal. Vaar voort met dijne logenen; de zonde Adams

heeft den mensch aan dijne verleiding onderworpen. Doch, vergeet

niet, booze, dat de beproefden in 's Heeren glorie hooger staan dan

de onbevochtenen. Du bereids dus eene schitterende plaats aan de

maagd, indien zij verwint, en aan dij zelven onuitsprekelijke

foltering van eenen mensch goed te hebben gedaan.

DE DUIVEL, _met woede_.--Ha, du weets de snaar des lijdens in mijnen

boezem te treffen! Gevloekt, du laffe dienaar des Machtigen! O, kon

ik deze maagd doen vallen, de afgrond zou jaren lang weergalmen van

mijn vreugdegehuil.... Maar zij zal vallen; zij struikelt;--ja, daar

verheft zij op zich zelve. Zie, hoe zij hare beeltenis toelacht....

Let op, ik ga dij werks leveren! (_Hij keert terug in het beekje_.)

HET MEISJE, _in de beek ziende_.--Lief beekje, heeft dijn zilveren

plas meer maagden herspiegeld, en was er eene mij gelijk?

HET BEEKJE.--Honderd maagden hebben hun beeld in mij bewonderd. Eene

enkele was er bekoorlijk: goud en gesteenten schitterden aan haar

gewaad, frissche bloemen wiegelden zich in hare lokken. O, ik heb

gezien, hoe twintig schoone jongelingen haar volgden tot op mijne

boorden,--voor haar knielden,--om eenen blik harer oogen smeekten en

voor hare voeten kwijnend uitriepen: "O, du wreede godinne! onder

dijne oogen sterven is nog hemelzaligheid!"--En toch, engellijke

Rosa, bezat zij noch dijn betooverend gelaat, noch dijn rank lichaam;

nevens dij ware zij eene nederige doornbloeme bij de trotsche lelie!

(_Zij verlaat het beekje_.)

HET MEISJE; _zij blijft lang in mijmering verzonken_.--De schoonste

zijn! Aangebeden worden als eene aardsche goedheid!... Maar, wat

zoete stem suist aan mijn oor! Dezelfde, die mij troostte in mijne

krankheid;--zij is nu zoo treurig en zoo smartelijk....

DE ENGEL, _met diepe droefheid_.--Rosa, hebs du gansch dijnen goeden

vriend vergeten? Weets du niet meer, wie bij dijne bedsponde heeft

gewaakt, om dijne smarten licht en dijnen slaap zacht te maken?

HET MEISJE.--Ik weet het nog en bemin dij immer; maar waarom is dijne

stem nu zoo treurig?

DE ENGEL.--Rosa, du weets niet wie ik ben; en toch, van dijne

geboorte tot heden heb ik dij nooit verlaten. Ik stond bij dijne

wiege, en zond over dij den zoetsten slaap; dijne lieve droomkens

waren bloemen, uit mijne hand over dijn beddeken gestort. Ik

bestierde dijne eerste stappekens en wierp voor dijne voetjes de

steenen uit het hobbelige pad des levens. Ik, alhoewel boven den

mensch verheven, ben dijn slaaf geworden door den band mijner liefde

tot dijne ziele.... O, ik was gelukkig, Rosa, omdat het geluk dij

wachtte. Dijn hart was als de reinste spiegel, zelfs van den minsten

wasem niet besmet. Reeds teekende het dalend licht in de ruimte de

hemelbaan, die wij te zamen volgen zouden. Nog een enkel uur, en du

hoordes het engelenkoor dijnen welkomstgroet aanheffen.... Nu,

eilaas, o smarte! nu is dijne ziel bevlekt met de zonde des ijdelen

hoogmoeds.... Het licht is verdwenen ... mijn hart breekt van lijden.

HET MEISJE.--Bemins du mij dan zoozeer, goede geest? Zeg mij toch,

wat heb ik gedaan, dat dij zulke smarte baart?

DE ENGEL.--Du hebs dij in dijne eigene schoonheid verhoovaardigd.

HET MEISJE.--Du erkens dus ook, dat ik schoon ben?

DE DUIVEL.--Ha, ha, wel gezegd!

DE ENGEL.--Eilaas, het kwaad is een gulzig onkruid, dat diepe

wortelen schiet!... Rosa, de Heer gaf der hinde fijn gesnedene en

snelle voeten,--den zwane den ranken hals,--den pauwe het gulden

vederkleed,--der duive de zoete oogen,--den nachtegale het bekorend

lied. Dat zij roemen, elk op de gaven, hem door God geschonken: Hij

heeft hun niets meer gegeven.... Maar de mensch, o Rosa! zou die zich

verhoovaardigen over het zichtbaar slijk des lichaams, en met de

dieren wedijveren om de volmaaktheid van hetgene de aarde gegeven

heeft, en zij eens verzwelgen en verteren zal? Heeft hij niet een

ander en kostbaar juweel? Woont in hem niet het onsterfelijk

eigenbeeld zijns Scheppers, de ziel? Zals du die hoogste gift van God

miskennen, Rosa? Zals du ondankbaar worden?

HET MEISJE.--Neen, ondankbaar niet; maar ik verheug mij toch in de

lichaamsschoonheid, door God mij verleend.

DE DUIVEL, _tot den engel schertsend_.--Engel des lichts, eindig

toch den nutteloozen strijd; dijn pogen is ijdel. Zij wikkelt zich

vaster in mijne strikken: mij zal ze toebehooren?

DE ENGEL, _tot het meisje_.--Zie, o dierbaar schutskind, hoe dijne

woorden mijne tranen doen vlieten. Du dwaals; moge dijne zwakheid en

onervarenheid dij ontschuldiging verwerven bij den Goedertierene.

HET MEISJE.--O, ween zoo niet om mij, du goede; ik lijd in dijne

droefheid en begrijp wel, dat het nieuw gevoel mij schaden zal;

anders, hoe zou het dij smarten, dij, mijnen trouwen vriend? Kon ik

het verjagen uit mijnen boezem, ik deed het om dij te troosten; doch

mij ontbreekt de macht.

DE ENGEL, _tot den duivel_.--Achteruit, du verleider, dijn looze

strik gaat breken! (_Tot het meisje_.) Rosa, du hebs een gelaat, een

lichaam, volmaakt genoeg om door wereldlingen te worden bewonderd;

maar luister, wat du nog hebs. Dijne schoone ziel is rijk in deugden,

rein en zuiver als een diamant; zij behaagt dijnen Gode, en, blijft

zij zoo, dan zal zij eeuwig leven voor het aanschijn van den

Onnoembare. Zeg mij, Rosa, indien du slechts ééne dezer twee

schoonheden behouden mochts en de keus dij gelaten wierd, welke zouds

du kiezen?

HET MEISJE.--O, ik behielde immer de zieleschoonheid.

DE ENGEL.--Wel doets du, Rosa; eene star te meer zal daarom aan dijne

lichtkroon in den hemel blinken!

DE DUIVEL.--Du hebs in dezen strijd gezegepraald, engel des lichts;

maar niet zoo gelukkig zals du zijn in de tweede en beslissende

worsteling. Beproeven wij de ziel op den steen der wereldlijke

liefde.

IV

DE ENGEL, HET MEISJE, TWEE TORTELDUIVEN, EEN JONGELING.

HET MEISJE.--O, ja, de schoonheid der ziel duurt langer; zij behaagt

den goeden God zelven,--het lichaam alleen den mensche.... (_Er komen

twee tortelduiven op een wilgetak zitten_.) Gij, lieve tortelkens, ik

wil rein en vlekkeloos blijven als gij. Tortelinne, ik bemin mijnen

broeder zoo vurig en zoo teeder als du dijnen broeder bemins.

DE DUIVEL, _tot de duivinne_.--Tot wanneer, o wreede, zals du

ongevoelig blijven voor mijne smart? Ik bezwijk van liefde en

droefheid, en du blijfs immer onverschillig. Is dijn hart dan van

steen?

DE DUIVINNE.--Ik begrijp dij niet, mijn vriend; du treurs en weens om

een onbekend wee. Zie ik dij niet gaarne? Heb ik dij verlaten om

eenen anderen broeder te volgen? Du blijfs mij altijd dierbaar, du

goede, trouwe vriend en beschermer.

DE DUIVEL.--Broeder, broeder! ik wil dijn broeder niet langer zijn;

het koude gevoel der vriendschap is weg uit mijnen blakenden boezem;

een ander vuur verteert mijn ingewand. (_De duiven vliegen weg_.)

HET MEISJE.--Zonderling is de taal des vogels! Hij wil vriend noch

broeder zijn, en toch bemint hij zoo vurig zijne gezellinne. Zoo

sprak ook weleer tot mij die arme Lodewijk, mijn speelgenoot. Ik

begreep hem niet;--hij wilde ook mijn broeder niet meer zijn,--en dan

is hij heengegaan naar vreemde landen, omdat ik zijn hartewee niet

verstond. Wat verlangde hij dan? Ik weet het niet.....

DE ENGEL, _tot den duivel_.--Mislukt is dijn aanslag op het

spiegelrein gemoed der maagd. De Heere zij geloofd!

DE DUIVEL.--Waans du, dat ik ten einde geworsteld zij? Ik wilde

slechts in haar eene herinnering opwekken; alleen den grond heb ik

bereid, om in het hart der maagd eenen onfeilbaren strik te spannen.

Zij heeft daar iets gezegd, dat niet verloren is. Du zals gaan zien!

(_Hij verwijdert zich en neemt de gedaante van eenen jongeling aan_.)

HET MEISJE; _zij ziet eenen jongeling naderen_.--Wie komt daar? O,

hemel, zou het Lodewijk zijn? Ja, ja, het is mijn speelgenoot. O

vreugde! Lodewijk, goede Lodewijk!

DE DUIVEL, _in de gedaante van Lodewijk, met droef gelaat_.--Rosa,

hebs du wel éénmaal aan dijnen ongelukkigen vriend gedacht?

HET MEISJE.--O dagelijks! Ik vergeet nimmer mijne kinderlijke

vermaken, noch hem, die ze met mij zoo trouwelijk heeft

gedeeld.--Maar du Lodewijk, hebs du in de wijde wereld dijne kleine

gezellinne niet vergeten?

DE DUIVEL.--Dijne vraag, Rosa, doorboort mijn hart als een degen.

HET MEISJE.--Waarom toch?

DE DUIVEL.--Du zals mij dan nimmer begrijpen? O, Rosa, ik ben van

hier vertrokken, den boezem verkropt door wanhoop en vertwijfeling;

ik heb gedwaald als een zinnelooze en geleden als een martelaar. In

onbekende streken heb ik mijne smart verteld aan de wouden, dijnen

naam gezegd aan de velden, dijne schoonheid verkondigd aan het

gevogelte, dijne wreedheid aan de harde rotsen. Ik heb mijne tranen

langs mijn smartelijk pad gezaaid, dijn beeld heeft mij immer

vervolgd; niets kon ik mij herinneren, dan alleen dijne betooverende

oogen en dijne wreede gevoelloosheid. Aan dij dacht ik des morgens,

des daags, des avonds en des nachts.... En du durfs mij vragen; hebs

du dijne gezellinne niet vergeten? O, engellijke maagd, o, medelijden

met mij, of ik sterf? (_Hij vat hare handen driftig in de zijne_.)

HET MEISJE, _verschrikt_.--Los, los! dijne handen branden als vuur,

dijne blikken doorboren mijn hart.... O, beroof mij niet van mijnen

zielevrede.

DE DUIVEL.--Altijd even koud! Was hetzelfde vuur in dijnen boezem, du

zouds den gloed mijner handen niet voelen. Zie, wreede, daar vergaat

mij het leven van pijn; mijne oogen breken.... Du moords dijnen

trouwen vriend, en du ziets ongevoelig neer op zijnen dood. O

erbarmen, erbarmen! (_Hij knielt voor haar_.)

HET MEISJE, _medelijdend_.--Arme Lodewijk! kon ik dijne smarten

verlichten, ik deed het gaarne.

DE DUIVEL.--Du kans het, lieve! Zeg, dat du mij toebehooren wils, dat

du niemand boven mij bemins.

HET MEISJE.--Lodewijk, ik heb eene moeder: haar bemin ik ook.

DE DUIVEL.--Het zij zoo, bemin dijne moeder.

HET MEISJE.--Ik heb eenen broeder.

DE DUIVEL.--Bemin ook dijnen broeder; maar zeg, dat du de mijne wils

zijn, dat du niets anders boven mij bemins.

HET MEISJE.--En zoo ik het zegge, Lodewijk?

DE DUIVEL.--O, lieve Rosa, dan sterf ik niet en leef eeuwig in dijne

liefde!

DE ENGEL.--Rosa, Rosa, zals du eenen mensch beminnen boven dijnen

God?

HET MEISJE.--O, ik bemin mijnen God. Maar hij sterft, mijn arme

vriend; zou ik hem niet troosten?

DE DUIVEL.--Rosa, Rosa! Haast du het zaligend woord te spreken:

reeds voel ik den dood in mijnen boezem zinken.

HET MEISJE.--Ik sprake het woord, vreesde ik niet den Heer te

vergrammen.

DE DUIVEL.--O, du bemins mij niet, wreede Rosa. Du verblijds dij in

mijnen dood. Zie, daar begint mijn hart te bloeden van smart: zie,

mijn hoofd zinkt ter aarde.... Haastig, haastig, dijn reddend woord!

DE ENGEL.--Rosa, Rosa, spreek niet, ongelukkig maagdelijn!

HET MEISJE.--Zal hij dan hulpeloos sterven, mijn arme vriend?

DE ENGEL, _haastig_.--Rosa, beslis over dijn lot; daar vóór u ligt

een menschenbeeld, dat lijdt en zegt van minnepijn te sterven.--In

den hemel, op den hoogsten troon, zit een Godmensch, die dij zijne

liefde geschonken heeft, die zijn bloed op den Golgotha bij stroomen

voor dijne zaligheid heeft vergoten....

De DUIVEL.--O medelijden, medelijden met mij!

HET MEISJE.--Ik verdwaal! Wat gedaan! Arme Lodewijk!

DE ENGEL, _met wanhoop_.--Rosa, dijn uur gaat slaan! O, lieve, zie

mijne vlietende tranen! Dáár, daar is de dood.... Haastig, spreek

dijn vonnis of dijne verzaliging.--Behoors du den jongeling en der

wereld, of dijnen God, dijnen verlosser, den minnaar dijner ziele.

Wien, wien zals du behooren, den gekruisten Jezus of den wulpschen

jongeling? Spreek!

DE DUIVEL.--Ja, Rosa, spreek.

HET MEISJE.--Lodewijk, Lodewijk, dijn aangezicht is bekoorlijk, dijne

liefde vurig en dijn lijden onuitsprekelijk....

DE ENGEL.--Eilaas, zij valt.

Avondstonden · 第 1 / 10 段