Nadat de _Chasseurs-Niellon_ acht maanden in volle rust op de dorpen
gelegen hadden, werden zij op eenen regelmatigen voet ingericht, onder
de benaming van 2^{de} regiment jagers te voet, en kregen nu eerst
soldatenkleederen van groen laken met roode boordsels.
Er liepen geruchten, dat de Hollanders bezig waren met het vergaderen
eener groote krijgsmacht, en dat zij eenen inval in België wilden wagen.
Deze geruchten ontstonden en vergingen menigmaal.
Ondertusschen werden wij, op het einde der maand Juli 1831, al te zamen
op eene heide omtrent Turnhout vergaderd. Daar werd, onder het aanheffen
van een ontzaglijk gejubel, uitgeroepen, dat vorst Leopold, als eerste
koning der Belgen, zijne intrede in Brussel had gedaan en volgens
voorvaderlijk gebruik 's lands grondwet had bezworen.
Twaalf dagen later, in den nacht van den 1^{sten} tot den 2^{den}
Augustus, terwijl wij gerust in onze logementen te Oud-Turnhout sliepen,
werden wij eensklaps door de alarmtrom gewekt en liepen op de gewone
vergaderplaats der compagnie te zamen.
Men leide ons door de duisternis en langs afgelegen banen naar eene
onmeetbare heide tusschen Ravels, Baerle-Hertog en Weelde. Hier vonden
wij het overige van ons regiment, alsook een ander bataljon
vrijwilligers, reeds gelegerd.
Men deed ons de wapens en patroontasschen onderzoeken, ten einde met den
morgen strijdvaardig te zijn; want de vijand was met groote macht over
de grenzen gekomen en bevond zich niet verre van ons. Wij hoorden
inderdaad, in de richting van het dorp Weelde, gebriesch van paarden en
bijwijlen een zeker onuitlegbaar dof gerucht, dat ons de nabijheid van
eene groote menigte menschen aankondigde.
In de duisternis drukten wij elkaar met geestdrift de handen; wij waren
blijde, dat het ons eindelijk werd vergund, ons bloed voor het vaderland
te vergieten. Niemand onder ons twijfelde aan de overwinning; onze moed
was groot, en ons vertrouwen zonder palen.
Op mij deed echter het naderen van eenen grooten veldslag eenen diepen
indruk; na in de eerste machtspreuken en wederzijdsche aanhitsingen te
hebben deelgenomen, liet ik het hoofd op de borst zinken, en ik dacht
aan mijnen vader en aan al wie mij te huis dierbaar waren. Deze zucht,
naar de beminde dingen is als het testament der ziel: wie jong is en
verre van zijne geboorteplaats in een groot gevaar verkeert, zal altijd
gevoelen, hoe zijn geest een droevig en teeder vaarwel toewerpt aan al
wat zijn hart betreurt en vreest te zullen verliezen.
Om den lezer eenigszins de voorvallen te doen begrijpen, welke gaan
volgen, is het noodig eenige inlichtigen over dezen inval der Hollanders
te geven.
Het Belgische leger was in eenen beklaaglijken toestand; te Brussel had
men den tijd besteed aan de gewichtige beraadslagingen over onze
onvergelijkelijk schoone Grondwet en over de keus eens Konings. Op het
papier had men eene eerbiedwekkende krijgsmacht ingericht, doch deze
bestond niet werkelijk. Geen voorraaddienst voor oorlogstijd was er
ingericht; niets was voorzien: de regimenten vóór den vijand hadden
zelfs niet meer buskruid onder hun bereik, dan men op eenen enkelen dag
verbruiken kon. Vele generaals en de meeste officieren hadden nooit
eenen regelmatigen krijg gevoerd: moed en onversaagdheid was er genoeg;
maar ondervinding en beleid ontbrak er gansch.
De Belgische krijgsmacht,--buiten de burgerwachten, die meer hinder dan
hulp bijbrachten,--kon beloopen tot de 30,000 man en was in twee groote
afdeelingen gescheiden. De eerste, het _Scheldeleger_, lag rondom
Antwerpen, onder bevel van generaal De Tieken de Terhove, die zijn
hoofdkwartier op het dorp _Schilde_ hield; de tweede, het _Maasleger_,
lag rondom Hasselt, onder bevel van generaal Daine.--Tusschen deze beide
legers bleef een afstand van dertien uren gaans!
De Hollanders hadden integendeel hun leger tot den inval met eene
uiterste doelmatigheid vergaderd en ingericht; hunne krijgsmacht, onder
bevel van den Prins van Oranje en den Prins van Saksen-Weimar, telde
40,000 man geregelde troepen en 30,000 man der _schutterij_; daarenboven
4,000 ruiters en 72 stukken geschut.
De eene helft der Hollandsche troepen rukte langs Limburg tegen het
Maasleger in; de andere helft zakte naar Turnhout af, om op Antwerpen
in te dringen.
Ons regiment jagers te voet, dat met eenige onregelmatige bataljons op
de Ravelsche heide lag, vormde de zoogenaamde _brigade d'avant-garde_ of
voorwacht. Wij waren al te zamen 800 man en hadden twee veldkanonnen;
een twintigtal jagers te paard waren ons toegevoegd om den postdienst te
verrichten.
De afdeeling der Hollanders, die te Weelde op den Belgischen bodem had
stand gevat, was eene voorwacht van 1,000 man.
Van al deze bijzonderheden wisten wij niets; slechts één ding was ons
bewust, namelijk dat de Hollanders dáár waren en dat wij gingen
strijden.
Zoohaast de morgenschemer de nachtelijke duisternis had vervangen,
werden de twee vleugelcompagniën van elk bataljon als scherpschutters
tegen den vijand gezonden; de middelcompagniën, waartoe ik behoorde,
bleven langen tijd als _réserve_, werkeloos bijeengeschaard.
Een hevig geweervuur bleef den ganschen dag aanhouden; maar dewijl men
uit gebosschen en van achter boomen schoot, hadden wij weinig
gekwetsten. Eenige Hollandsche jagers werden krijgsgevangen gemaakt, of,
beter gezegd, zij liepen tot ons over. Geen enkele kende Hollandsch of
Fransch: allen waren Pruisen of Zwitsers.
Naarmate het geweervuur duurde, begon men het gebrek aan voorraad te
gevoelen: op den middag reeds kwamen de jagers te paard de pakken
kardoezen uit de patroontasschen der middelcompagniën halen, om ze naar
de scherpschutters te dragen.
De gedachte, dat wij eerlang zonder buskruid vóór den vijand zouden
staan, verontrustte onze officieren. In mijne tegenwoordigheid deed onze
dappere generaal Niellon onzen eenigen, doch ledigen voorraadwagen
bijbrengen, en riep eenen sergeant uit onze compagnie, met name Nagels,
eenen stoutmoedigen jongeling uit Fontaine-l'Évêque. De generaal schreef
met potlood, en den kop van zijnen zadel tot lessenaar nemende, een
bevel om buskruid te halen.... naar Antwerpen! De sergeant zou met den
_fourgon_ over den steenweg vliegen; en, verongelukten er paarden, hij
moest maar andere bij de boeren nemen, al ware het met geweld der
wapenen.
Ondertusschen vuurden wij zonder verpoozing op de Hollandsche
voorposten; zij deden eveneens op onze uitgezette schutters.
Zóó kwam de nacht zonder ander voorval; in mijne compagnie had elk man
nog tien kardoezen, en er moesten dagen verloopen, eer wij er andere
zouden bekomen.
Wij konden niet begrijpen, waarom men ons niet had laten vooruitgaan, om
den vijand in zijne legerplaats aan te vallen; voorwaar, zoo meenden
wij, hij zou bij onze verschijning de wijk genomen hebben, vermits hij,
ondanks zijne groote macht, ons niet durfde aangrijpen. Het gebrek aan
buskruid had velen verbitterd, en in stilte werd er onder de soldaten
reeds gemord van verraad en verkooperij.
Den volgenden morgen, toen de nachtelijke dampen in de hoogte stegen,
zagen wij eerst op de verre kimmen eene grijze streep, die scheen te
bewegen; zij verlengde zich over de gansene heide.
Allengskens werd het ons duidelijk, dat het een drom ruiters was,
waarschijnlijk kurassiers, want van hunnen hals tot achter hunne paarden
daalde een wijde mantel, die hun in ons oog de gestalte en de vormen van
reuzen gaf. Op de ruiters volgde eene dikke wolk voetgangers, wier
duizenden en duizenden geweren met bliksemend gefonkel in de eerste
zonnestalen schitterden. Het hield niet af; welhaast scheen in het
verschiet de gansche heide, zoo wijd het gezicht reiken kon, met
vijandelijke scharen overdekt.
Gedurende den nacht was het gansche leger der Hollanders zijne
voorposten genaderd; en, terwijl de kurassiers eenen omweg deden, om de
baan naar Antwerpen te gaan bezetten, ontplooide het zijne drommen over
de vlakte, als om ons den strijd aan te bieden.
Met verbaasdheid, doch zonder vrees schouwden wij op de onmeetbare reeks
vijanden, die langzaam en met uitgespreide vleugelen naar ons kwam
afgezakt. De krijgsmacht, die wij zagen, mocht tot de 20,000 man
beloopen; zij voerde 40 stukken geschut en had eene talrijke
ruiterij;--wij waren 800 man, hadden geene ruiterij en slechts twee
veldkanonnen.
Wij stonden met den rug tegen een jong mastboschken; vóór ons, op
eenigen afstand, lag een veen of waterplas. Onze twee veldkanonnen waren
wel honderd stappen vooruit, achter den hoek van een ander dennenbosch
verborgen en met schroot geladen.
Ik vergat den krijg en het gevaar, zoozeer greep het ontzaglijk
schouwspel mijne inbeelding aan; de zon was in eene helderblauwe lucht
opgerezen, en zij fonkelde zoo tooverend in het glinsterend ijzer der
wapenen, dat de reeks der Hollandsche troepen mij voorkwam als een
stroom van tintelend vuur.
De losbarsting van een tiental zware kanonnen riep mij op uit mijne
vergetelheid: ik beefde en was vervaard ... maar bij de tweede ontploffing
was die ontsteltenis of liever die siddering des harten reeds verdwenen:
er bleef mij niets over dan de overtuiging des gevaars en eene koortsige
zucht om te strijden, als moest de dadigheid van den kamp mij verlossen
van een gevoel, dat mij lastig en pijnlijk was.
De kanonskogels der Hollanders vielen meest in het veen en deden het
water wonderhoog ten hemel springen; slechts één onzer gezellen werd
gedood door eenen kanonsbal, die hem vóór den mond was heengevlogen,
doch hem niet anders had geraakt.
Wij morden hevig en wilden vooruit; maar onze officieren smeekten ons,
dat wij toch niets zonder bevel des generaals zouden bestaan,--en,
dewijl de officiers in ons regiment zoo niet ontzien, echter meestal
bemind werden, bleven wij, tandenknarsend van ongeduld, in onze rangen
staan.
Nog eenige oogenblikken, en het Hollandsche leger zou tot onder bereik
van geweervuur ons genaderd zijn; wij zagen dien gewenschten stond met
blijdschap te gemoet.
De vijand hield zijne slagorde staan; hij zond door eene opening een
zestiental lanciers te paard op ons af; wij hielden ons gereed om er
duchtig onder te schieten. Deze ruiters zouden slechts eene verkenning
doen en bespieden, welke macht de Belgen tegen hunne vijanden konden
stellen.
Alzoo de lanciers met hunne oranjekleurige vaantjes een eind vooruit
kwamen gereden, begaven zij zich, tot hun ongeluk, onder het bereik
onzer twee verborgene kanonnen. Eene dubbele losbarsting galmde over de
heide: tien of twaalf ruiters en zoovele paarden vielen dood of gewond
ter aarde; de overigen vluchtten in allerijl terug naar de slagorde huns
legers.
Op dit gezicht van dit eerste voordeel, hoe gering het ook ware,
ontstond er een onbeschrijfelijk gejubel onder de Belgen, en allen
sprongen vooruit onder het donderend geroep van: "_Leve de Vrijheid!
Leve Leopold!_"
Geen twijfel of deze 800 man zouden zich zonder aarzelen tegen den
ontelbaren drom des vijands geworpen hebben; en wie weet wat er ware
geschied? Een zekere dood was hun, wel is waar, beschoren; doch hoe duur
zouden zij in die eerste drift hun leven niet verkocht hebben? Misschien
had de indruk van zulk heldhaftig bezwijken zwaar gewogen in de
weegschaal der latere gebeurtenissen.... Maar de meesten dezer
opgewondene strijders moesten, uithoofde van het veen, eenen omweg doen,
en dit gaf den officieren den tijd hen te wederhouden.
Terwijl de oversten met open armen aan het vermetel vooruitloopen
tegenstand boden, donderde het geschut der Hollanders met vernieuwde
kracht; hunne gansche slagorde zakte vooruit, als om wraak te nemen over
het gebeurde, en wij hijgden van blijde ontsteltenis bij de nadering van
den slag.
Op dit oogenblik kwam een onzer jagers te paard onzen generaal eene
haastige boodschap brengen. De Hollandsche kurassiers hadden de baan
naar Antwerpen afgesneden; de Belgen waren langs alle zijden omsingeld!
Hoezeer de vrijwilligers huilden van woede en zich de vuisten ten
bloede beten, er was niets aan te doen; wij moesten de heide verlaten,
terugwijken naar Turnhout, en verder eenen doorgang naar het binnenland
zoeken, om, ware het mogelijk, aan eene zekere nederlaag of
gevangenneming te ontsnappen.
In goede orde, en nog gereed tot eenen hevigen tegenstand, trokken wij
af naar Turnhout. De stad had het voorkomen van een graf: geen levend
wezen was er op de straten te zien; deuren en vensters waren gesloten
gelijk in het midden des nachts. Dit vertoog deed eenen ongunstigen
indruk op onzen geest, en het was inderdaad niet aanmoedigend, al de
inwoners dus gevlucht of verkropen te zien, alsof zij, reeds vroeger dan
dien dag, ons onbekwaam hadden geacht om hunne haardsteden te
verdedigen.
In Turnhout bleef ons regiment niet stil; wij trokken de Herenthalsche
baan in en slingerden door bosschen, voetpaden en veldwegen immer met
versnelden marsch voort.
Het was uitermate heet; de oogstzon brandde onverdraaglijk boven onze
hoofden; wij hadden eten noch drinken.
Reeds te Casterlee deed de felle dorst het bevel der officieren voor
eene wijl miskennen. Er stond in dit dorp, in den hof des pastoors, een
groote appelboom, overladen met vruchten, die slechts twee maanden later
eetbaar zouden zijn. De boom werd door honderden mannen bestormd,
beklommen, gebroken en ontbladerd. Men smeekte, men vocht om eene beet
der wrange vruchten.... De zure smaak, meende men, zou het branden van
den dorst koelen.
Zoo bleven wij acht dagen tusschen Lier en Leuven in de grootste hitte
dwalen, elken dag tien of twaalf uren gaande, zonder voedsel en drank,
en letterlijk verzengd door de hitte. Wij aten de schors der mastboomen
en droegen voor den dorst eenen geweerkogel in den mond; des nachts
lagen wij op den grond en verstijfden van den overvloedigen morgendauw.
Men zeide onder ons, dat wij nog altijd door de Hollanders ingesloten
waren, en dat ons gaan en komen voor doel had aan de vervolging des
vijands te ontsnappen, om ons omtrent Leuven met het groote Belgische
leger te vervoegen.
Wat hiervan zij, wij kwamen dikwijls op banen en in dorpen, waar het
Hollandsche leger ons inderdaad was voorafgegaan; want wij vonden
onderweg _pompons_ en andere kleine dingen, die onze vijanden al gaande
hadden verloren.
Op eenen middag hield men ons staan in de nabijheid van een dorp,--ik
meen dat het Boisschot heet,--waar nog het stroo lag, dat den Hollanders
tot nachtleger had gediend.
Uitgeput van vermoeidheid en van honger, lieten wij ons op een veld
nedervallen om te rusten; wij hadden daags te voren weinig voedsel
gevonden, en van dezen dag hadden wij nog niets gegeten.
Mij werd bevolen, dat ik met een tiental mannen van goeden wil naar het
dorp zou gaan, om nooddruft voor onze compagnie te zoeken en met dank of
met geweld, te nemen wat er te vinden was.
De stoutste en ruwste vrijwilligers boden zich aan. Toen wij in het dorp
kwamen, waren de inwoners gevlucht; wij braken de deuren met kolfslagen
open, doch ontdekten niets dat eetbaar was.
In het midden van het dorp vonden wij eenen man en eene vrouw, die hun
huis niet hadden verlaten. Op onzen eisch om brood of ander voedsel te
hebben, antwoordden zij ons klagend, dat de Hollanders daags te voren
alles hadden weggenomen. Mijne vrijwilligers, door de wanhoop des
hongers gedreven, begonnen den man met het plat van de sabel te slaan en
hem met nog ergere behandeling te dreigen.
Na langen tegenstand leidde de verschrikte man ons achter in den hof, en
groef daar uit den grond drie zeer groote roggebrooden, die in eenen zak
gewikkeld waren. Wij namen de brooden mede en ook den zak.
Na vruchteloos nog vele ontruimde huizen te hebben doorzocht, kwamen wij
buiten het dorp in eene leemen hut, waar eene jonge vrouw met een kind
van drie of vier jaar zich bevond. Op onze dreigende vragen haalde zij
eene roggeboterham uit de wiege van haar kind; en ons die toereikende,
zeide zij met tranen in de oogen:
"Ziet, vrienden, dit is al wat mij overblijft: ik had het bewaard voor
mijn arm schaapken."
Reeds had een mijner makkers de boterham aanvaard, en meende er een stuk
af te bijten; maar de anderen hielden hem met geweld terug en deden hem
het geringe stuk brood in den zak werpen.
Door een diep medelijden met de ongelukkige moeder aangedaan, wilde ik
haar de boterham doen terug geven. Te vergeefs; het spreekwoord is waar:
hongerige magen hebben geene ooren.
Dan vatte ik de hand der vrouw en vroeg haar of zij in een naburig dorp
voor geld geen brood zou krijgen.
Op haar bevestigend antwoord staken al mijne makkers de hand in den
zak; de meesten gaven elk een stuk van vijf en twintig centen; eenigen
gaven iets minder, ik gaf iets meer, en zoo kreeg de arme vrouw omtrent
vijf franken.... Tranen ontliepen haar nu nog overvloediger; het was van
dankbaarheid: hare stem klonk de weldadige _stroopers_ zegenend
achterna.
Onderweg maakten mijne gezellen een _komplot_ aangaande de boterham; zij
werd gedeeld: wij kregen ieder een stuk zoo groot als een vinger.
Op het bivak werden de drie roggebrooden eerst met sabelhouwen in groote
brokken gehakt en dan verder met messen gesneden. Van den kapitein tot
den laatsten soldaat, elk bekwam er iets van.
Den 10^{den} Augustus, in den namiddag, gingen wij voorbij de
wijnheuvels van het dorp Wesemael, op ongeveer anderhalve mijl van
Aerschot. Hier vonden wij vele karren met brood en vleesch, die ons tot
voorraad waren bestemd.
Men hield het regiment staan, en brandwachten werden op groote afstanden
uitgezet, alsof wij ter dezer plaatse op bivak zouden blijven; de
weinige jagers te paard, die ons van Turnhout af hadden vergezeld,
werden op hoogten en op verre banen gezonden, om alle nadering van
gevaar intijds te kunnen vernemen.
Uit elke compagnie riep men eenige stoute mannen te zamen; dezen zouden
naar Wesemael gaan en halen wat er noodig is tot het koken van
vleeschsoep.
Na een half uur tijds stond voor iedere compagnie eene groote koeketel,
op steenen verheven en met water gevuld. Men hakte het vleesch met
sabels aan stukken en legde het in de ketels; vele mannen kwamen
toegeloopen met koolen van alle kleuren, met selder, met ajuin, met
salade: al wat maar groen en eetbaar was, wierp men boven de zwemmende
bonken vleesch. De vuren kraakten, de aangehitste vlammen kronkelden
rondom de ketels, en al de mannen der compagnie stonden met begeerigen
blik en vochtigen mond de veel belovende bobbels na te zien, die in
menigte uit den grond van het ziedende water opklommen.
Men zou meenen, dewijl wij brood in overvloed hadden, dat de honger ons
nu niet aandreef. Inderdaad, zóó was het; doch het raadselwoord van ons
innig verlangen naar de vleeschsoep ligt in _warm eten_. Het was nu
reeds eenige dagen geleden, dat wij niets anders dan koud eten genuttigd
hadden, en dan nog in ontoereikende hoeveelheid. Nu gingen wij warm
vleesch eten! In onze meening,--in de meening onzer verhongerde
magen,--was niets zoo lekker en zoo onbegrijpelijk versterkend als _warm
eten_.
Reeds toen het water slechts eenigen tijd gezoden had, waren er mannen,
die met de punt hunner bajonet, zooals zij op het geweer stak, een
koolsblad of eenen struik selder poogden op te visschen. De anderen
stelden zich tegen de rooverij: men stiet elkander weg; er werd
gevochten en geworsteld tot zooverre, dat de oversten zich verplicht
zagen bij elken ketel twee schildwachten te zetten.
Eindelijk toen de soep eenigen tijd gezoden had en de oogen vet zich
boven het water begonnen te vertoonen, riep men algemeenlijk, dat het
vleesch genoeg gekookt had. Waarschijnlijk zou het nog niet half gaar
zijn; maar van den nood eene deugd gemaakt: indien het slechts van de
warmte was doordrongen, zou het wel goed smaken.
De oversten toonden zich bereid om den algemeenen wensch te voldoen; nog
eenige minuten, en het regiment zou eten.
Wie eene gamelle had, hield ze in de hand gereed; iedereen had zijn
knipmes geopend: de lippen verroerden met die eigendommelijke
uitdrukking van iemand, die zich aan het smaken van lekkere spijzen
verwacht.
Op dit uiterst oogenblik komt een jager te paard in vollen draf
aangerend en zegt eenige haastige woorden tot den generaal. Onmiddellijk
ontstaat het geroffel der trom, die elkeen te wapen en in zijn gelid
roept. Het Hollandsche leger is in onze nabijheid; wij zijn achthonderd,
zij waarschijnlijk tienduizend of meer. Daarenboven, wij mogen niet
strijden; onze bevelen luiden, dat wij den vijand moeten pogen te
ontkomen, om ons te Leuven met het leger onder bevel des Konings te
vereenigen.... Er is geen tijd tot beraadslagen: de ketels worden
omgeworpen; sommige mannen steken een brok vleesch of een kool op hunne
bajonet; doch het ziedend water, dat hun in den hals of op hunne
kameraden druipt, doet hun het geredde voedsel wegsmijten; de oversten
dwingen de compagniën tot een spoedig vertrek.... en eenige minuten
later zijn wij verre van daar, op de baan naar Aerschot, nog immer
mijmerend van het warm eten en de lekkere vleeschsoep, die onder ons
gezicht over den grond is weggestroomd....
Wij brachten den nacht buiten de stad Aerschot door, op eene hoogte
tegen de baan naar Hauwaert, waar wij nog een gedeelte van het 9^{de}
linie-regiment aantroffen. Hier kookten wij ons vleesch op het bivak,
zonder gestoord te worden, en kregen buskruid.
In den morgen werden wij onvoorziens te wapen getrommeld; onze
brandwachten beweerden, dat eene talrijke afdeeling Hollandsche lanciers
op den steenweg naar Diest zich vertoonde. Dewijl de hoogte, waarop wij
ons bevonden, nevens voormelden weg voortloopt en hem diensvolgens
beheerscht, zouden wij de vijandelijke ruiterij pogen te bereiken en ze
van boven de heuvelen met voordeel aanvallen. Dit ten minste werd er
onder ons verteld, toen wij reeds het bivak hadden verlaten.
Uren lang gingen wij met verhaaste stappen, zonder iets te vernemen. De
zon stond te branden aan den diep blauwen hemel; het was
onbeschrijfelijk heet; en dewijl wij, zonder eene baan te volgen, dwars
door havervelden en aardappelloof onzen marsch rusteloos voortzetten,
waren wij eindelijk door hitte en dorst tot zooverre uitgeput, dat
sommige mannen zich ten gronde lieten vallen en weigerden op te staan.
Wanneer het geviel, dat wij in eenen hollen weg traden, zooals er in die
landstreek vele zijn, legden gansche gelederen, ondanks den wil der
officieren, zich met den mond tegen de vochtige wanden der baan, waaruit
een ijzerachtig water sijperde, en zoo zogen wij uit de aarde eenig
vocht op, om onzen verterenden dorst te koelen. Velen onzer zaaiden
hunne kleedingstukken langs de baan, bovenal de kapotten, om het gewicht
van hunnen ransel te verminderen.
Omtrent den middag, toen wij buiten adem en schier versmacht van dorst,
gevoelloos en met hangend hoofd voortstapten, beklommen wij eenen
heuvel, waarboven een molen en een huis stonden. Zoohaast hadden wij den
top des heuvels niet bereikt, of een bataljon van het 9^{de} regiment,
dat ons vergezelde, liep in wanorde uiteen naar een bornput, welke met
zijne hooge wip nevens het huis zich vertoonde. Een aantal onzer jagers,
dit ziende, stormden insgelijks uit hunne rangen om, ware het mogelijk,
eene teug water te bekomen.
Rondom den bornput werd er een waar gevecht geleverd: men sleurde, men
stiet, men stompte, men wondde elkander, om omtrent den emmer te
geraken. Velen, die geen ander middel zagen om hunnen dorst te lesschen,
staken hun brandend hoofd in den emmer en dronken zóó het ijskoude
water, totdat men ze er van wegrukte. De dokters en vele oversten baden
en smeekten de mannen, dat zij zich toch niet aldus aan eenen zekeren
dood zouden blootstellen; zij dreigden en sloegen met hunne degens, het
hielp niets: wij waren als razend van dorst.
Onderwijl was er een wolk andere mannen op den grooten wijngaard
gevallen, die zijne groene ranken over den gevel van des molenaars huis
uitspreidde: druiven, bladeren, twijgen, ja, het hout zelf, tot in den
wortel toe, werd verslonden en tot lafenis genuttigd en verknabbeld.
Voor vijftig cents kreeg ik twee druivekorrels van eenen soldaat onzer
compagnie; ik was gelukkig: de zure smaak bracht mij vocht in den
mond....
Na eenigen tijd bemerkten onze oversten wel, dat hunne poging om de
mannen van den bornput te houden, vruchteloos zouden blijven. De
trommen hieven den marsch aan, en wij vertrokken. Ten halve den heuvel
zag ik eenige mannen met paarse wangen en koolzwarte lippen op den rug
uitgestrekt liggen: zij waren levenloos, het koude water had hen gedood.
Na een uiterst moeilijken marsch en veel gaan en keeren, zonder een voor
ons merkbaar doel, kwamen wij des avonds, toen het reeds donker was,
boven eene hoogte bij het dorp Lubbeck, op twee mijlen van Leuven.
Hier sloegen wij ons bivak neder en kookten aardappelen in koeketels,
welke wij uit het dorp hadden gehaald.
Onze oversten zeiden ons, dat er des anderen daags een beslissende
veldslag zou geleverd worden; zij vuurden onzen moed aan, herinnerden
ons de dagen der omwenteling en bezwoeren ons om als ware Belgen voor
land en Koning te strijden.
In de vlakte, beneden de heuvelen, was de Hollandsche krijgsmacht
gelegerd; zij had haren staf bij het dorp Winghe; doch hare voorposten
strekten zich tot in onze nabijheid uit.
Onze uitgezette brandwachten hadden de gewoonte, elkander van verre
onverpoosd de volgende woorden toe te roepen: "_Sentinelles, prenez
garde à vous!_" waarop de Duitsche of Zwitsersche soldaten, die rondom
het bivak der Hollanders waakten, den onzen spottend toeriepen:
"_Was der Hund sch..... fresst du !_"
Het meerendeel van het Belgische leger bevond zich te Leuven, onder
bevel van Koning Leopold; ons regiment, met twee bataljons van het
9^{de}, was een der voorwachten. Diensvolgens mochten wij ons overtuigd
houden, dat wij bij het krieken van den komenden dag den eersten
aanstoot des vijands zouden doorstaan hebben.
Alhoewel deze zekerheid wel van aard was om ons den slaap moeilijk te
maken, waren de gekookte aardappelen niet zoohaast genuttigd, of allen
legden zich ter aarde, en vielen, onder de vermoeidheid bezwijkend, in
eenen zwaren sluimer. Ik luisterde nog eene wijl op den roep der
schildwachten, die akelig door de nachtstilte rondom ons bivak herklonk
en voortliep; ik dacht aan onzen zonderlingen toestand, droomde van
Borgerhout en mijnen vader, en sloot dan insgelijks de verzwaarde
oogleden ... om, evenals mijne makkers, ze niet meer te openen dan
onder den knal van geweren en kanonnen....
V
Terwijl wij dus in volle vergetelheid sliepen, was er een Hollandsch
regiment jagers in stilte ons genaderd. Deze scherpschutters, over den
grond kruipend, hadden zich in eene linie uitgespreid, in een breed
haverveld, dat zich nevens ons bivak verlengde.
De eerste morgenschemer daagde in het Oosten; wij sliepen nog even
bewusteloos en vast..... toen eensklaps eene donderende ontploffing ons
tegelijk deed opspringen. Honderden kogels huilden ons rondom de ooren;
velen onzer makkers waren getroffen en lagen te spartelen in hun bloed.
Er bleef een oogenblik van onbeschrijfelijke verwarring onder ons; dus
verrast, opschietend uit den loodzwaren slaap, duizelig en dwaas, grepen
wij het eerste geweer het beste en begonnen tot verdediging op de
vijandelijke jagers te schieten, wier hoofden wij nu in groote menigte
boven de haver zagen uitsteken. Zij gaven ons geenen tijd om onzen
toestand te herkennen, en vuurden onophoudend op onze dooreenslingerende
schaar.
Mijn vriend en ambtgenoot, de fourier Walgraff, die zich te verre
vooruitgegeven had, werd op eens door drie kogels, waarvan een in de
zijde, getroffen en viel neder; de drie gebroeders Grad, Jules, Ange en
Lucien, liepen tot dicht bij de Hollandsche schutters en haalden, onder
eenen hagel kogels, den gevallen fourier uit het bereik des vijands weg,
Lucien ontving een geweerschot in den arm[2].
Welhaast gelukte het onzen oversten, ons in gelederen te schikken, en
dan boden wij den vijand een hardnekkigen, doch hopeloozen tegenstand.
Een soldaat mijner compagnie, Blancpain genaamd,--een zeer bloode kerel,
die beroemd was, omdat hij eenen ganschen emmer aardappelen in eens kon
opeten,--kreeg eenen kogel op het kruis zijner draagbanden en sloeg met
zooveel geweld achterover, dat hij mij bijna omverre wierp. Men wilde
hem wegrukken, ofschoon hij gevoelloos scheen als een lijk; doch hij
opende de oogen met zonderlinge verbaasdheid, en vroeg gansch eenvoudig
aan mij:
"Fourier, ben ik niet dood?"
Men hief hem van den grond en duwde hem opnieuw in zijn gelid.
Onderwijl werd het geweervuur met groote hevigheid voortgezet, totdat
een andere troep jagers onze vijanden kwam versterken.
Dan deden de oversten ons een honderdtal stappen terugwijken en brachten
ons bij het dorp Lubbeck in eenen boomgaard, die omringd was met eene
dikke beukenhaag, welker stammen over kruis in elkanderen waren
vastgegroeid.
Van achter deze beschutting verdedigden wij ons nog eenigen tijd met
voordeel, alhoewel een hagel kogels over onze hoofden en tusschen onze
gelederen huilde. Velen onzer gezellen werden getroffen; bij het
schetterend geknal der geweren mengde zich ook bijwijlen de pijnlijke
schreeuw der gekwetsten.
Wij hadden moed genoeg, en het voorbeeld van onzen grootmajoor Maenhout
ware alleen toereikend geweest om ons onversaagdheid in te spreken. Deze
bataljonsoverste was te paard gezeten en meer dan anderen blootgesteld
aan het vijandelijk vuur. Onze officieren wilden hem doen afstijgen;
doch hij, met eenen koelen glimlach op de lippen, sloeg zijn paard
streelend met de hand op den hals, om het te bedaren, terwijl hij
onbewogen zeide:
"Pietje, Pietje, stil, Pietje; het is niets, Pietje!"
Op dit oogenblik verscheen eene Hollandsche batterij veldkanonnen boven
den heuvel; zij stelden zich op eenen afstand van ons, borst los met
ontzettend gedonder en stuurde eene wolk schroot op ons af. Gelukkig was
het schot te hoog gemikt; het regende bladeren en takken van de
appelboomen, onder welker kruinen wij stonden.
De plaats was niet meer te behouden; nutteloos zouden wij tot den
laatsten man vernietigd worden, indien wij langer in den boomgaard
bleven.
Al strijdend weken wij terug tot den hollen weg, die naar Leuven
afdaalde; wij werden door het geschut der Hollanders vervolgd en moesten
dikwijls onze richting veranderen, om in de plooien des gronds eene
borstweer tegen de vijandelijke ballen te zoeken.
Hoezeer wij ook in gevaar verkeerden, drukten wij elkander onze
bewondering uit over de snelheid, met welke het Hollandsch veldgeschut
zich bewoog; en waarlijk, het scheen over heuvelen en diepten te
vliegen.
De kanonskogels schoten meest over onze hoofden weg; wij vervorderden
onzen aftocht zonder merkelijk verlies en zonder onzen stap te
bespoedigen. Hier gaf onze bataljonsoverste eene bittere vermaning aan
eenen officier, die de twee handen met verrassing aan zijne schako
geslagen had, omdat een kanonsbal huilend nevens zijn oor was
voorbijgegaan.
Omtrent den middag geraakten wij behouden binnen Leuven, waar wij nevens
de Tiensche poort, uitgeput van vermoeidheid, ons ten gronde
nederzetten.
Terwijl wij in Lubbeck hadden gestreden, waren nog andere onzer
voorwachten buiten Leuven aangevallen geweest. Men vertelde ons, dat het
12^{de} regiment der Belgen grootendeels was vernietigd geworden.
Eenige soldaten van de troepen, die in Leuven gebleven waren, kwamen bij
ons en verhaalden met groot misbaar, hoe het gansche Maasleger door
verraad was bezweken en op de vlucht geslagen, zoodat wij, verkocht
zijnde door onze oversten zelven, vruchteloos aan den overmachtigen
vijand zouden pogen te weerstaan. Niets is verderfelijker in een leger
vóór den vijand, dan de verdenking dat men verraden is; ook werden wij
door deze schrikkelijke mare zeer ontmoedigd; en het is slechts later,
toen wij onzen dapperen koning Leopold evenals den minsten soldaat het
vijandelijk vuur zagen trotsen, dat er ons weder vertrouwen in den
boezem zonk.
Tot meerdere verstaanbaarheid der voorvallen dienen hier eenige
uitleggingen te worden gegeven.
Bij den inval der Hollanders op onze grenzen was het Belgische leger,
zooals gezegd is, in twee groote afdeelingen gescheiden. Generaal Daine
voerde het bevel over eene dezer afdeelingen, het Maasleger genaamd, en
was omtrent Hasselt aan het hoofd van 15000 man. Hem was bevel gezonden
om naar Leuven af te wijken en zich daar met het Scheldeleger te
vereenigen, om gezamenlijk den vooruitrukkenden vijand eenen
beslissenden veldslag aan te bieden. Misverstand in het begrijpen der
bevelen, anderen zeggen stijfhoofdigheid vanwege generaal Daine, gaf
aanleiding tot eene noodlottige vertraging in het uitvoeren der
ontvangene bevelen. Het Maasleger werd door de Hollanders afgesneden en
met overmacht aangetast; het verdedigde zich lang en moedig; doch
eindelijk werd het tot eenen verwarden aftocht gedwongen en nam de wijk
naar de stad Luik. Dáár bevonden zich nu de overblijfsels van de helft
der Belgische krijgsmacht; terwijl het gansche Hollandsche leger,
voorwaar wel 60,000 man sterk, zich gereedmaakte om Leuven te omsingelen
en ons tot eenen wanhopigen strijd te dwingen.
Ik heb later in een boek gelezen, dat de Belgen te Leuven slechts 7,000
man telden[3]. Dit schijnt mij eene onwaarheid: met de hulptroepen der
burgerwacht moest onze macht wel tot de 20,000 man reiken, zoo ten
minste was alsdan onze overtuiging, en de bestaande dingen beloochenden
ons gevoelen niet.
[Illustration: .... Eenen priester als kanonnier bij een der stukken
staan.]
Terwijl wij op de binnenvesten van Leuven ten gronde lagen en werkelijk
sliepen, bewoog zich het Hollandsche leger; zijne eene helft trok in
dikke kolommen en onder bereik van ons grof geschut over de heuvelen,
die nevens de stad zich verlengen.
Er werd van wederzijde een hevig kanonvuur geopend; en gedurende langen
tijd galmde het gedonder van meer dan vijftig stukken onverpoosd door de
lucht.
Ons regiment lag niet verre van de batterijen; alles geschiedde op
eenige stappen van ons. Mijne gezellen hadden zich in het eerst
opgericht; maar ziende, dat slechts de kanonnen tot den strijd werden
gebezigd, legden de meesten zich weder met het hoofd op hunnen ransel en
sluimerden even vast in, alsof het gebeurende hen niet raakte. Mocht ook
al een kanonsbal iemand onder hen tot slachtoffer komen uitkiezen, het
waken kon het niet beletten.
Ik, door het tooneel van den kanonnenstrijd getroffen, bleef rechtzitten
en hield het oog op de batterijen gevestigd. Dáár zag ik tot mijne
groote verwondering eenen priester als kanonnier bij een der stukken
staan en het geschut op den vijand mikken; hij droeg de kleederen van
zijn ambt en had den tikkenhaan op het hoofd. Allen, die niet sliepen,
bewonderden den pastoor, die aan de stukken zwoegde en arbeidde, als
hadde hij zijn gansche leven dezen dienst gedaan. Een angstschreeuw
ontvloog ons, toen wij in de nabijheid des priesters eenen wagen of
_caisson_ met buskruid in de lucht zagen springen. Eene wijl betreurden
wij zijnen waarschijnlijken dood; doch niet zoohaast was de dikke
rookwolk opgeklaard, of wij zagen hem ongedeerd en even werkzaam bij
zijn kanon staan[4].
Onze koning reed te paard nevens de batterijen; zijn gelaat was
onbewogen en droeg dien stempel van stille, indrukwekkende kalmte, welke
den wijzen vorst nu ook nog bij den eersten blik doet eerbiedigen en
beminnen door alwie hem nadert. Zijne tegenwoordigheid bracht moed en
vertrouwen in aller harten; de hoop dat wij, door hem aangevoerd, de
overwinning nog konden behalen, verlichtte den nevel, dien de verdenking
van verraden te zijn over onzen geest geworpen had.
Terwijl elks aandacht op het vuur der batterijen gekeerd bleef, hadden
de Hollanders op den IJzerenberg, nevens den steenweg naar Mechelen,
stand genomen. Van deze hoogte konden zij de stad Leuven tot puin
schieten. Daarenboven had eene hunner afdeelingen den steenweg op
Brussel bezet en ons diensvolgens de gemeenschap met de hoofdstad
afgesneden.
Eensklaps bracht men onzen oversten zekere bevelen; wij werden in
allerhaast in dichte gelederen geschikt en tot eene kolom gevormd. Men
zeide in weinige woorden, dat wij met den Koning aan het hoofd den
IJzerberg stormenderhand gingen beklimmen, om kost wat kost, den vijand
uit dezen dreigenden stand weg te slaan; dat wij als _voorwachtbrigade_
aan het hoofd der kolom zouden vooruitrukken en den aanval beginnen, en
wij te toonen hadden, dat de oude vrijwilligers van Niellon het
vertrouwen des Konings waardig waren....
Wij ontvingen het nieuws met blijdschap en onder luid gejubel; doch men
beval ons het stilzwijgen, om alle verwarring te voorkomen.
Opgevolgd door het gansche leger, trokken wij de Mechelsche poort uit,
tot aan den voet van den IJzerberg, waarboven de vijand ons verwachtte.
Hier werd onze luitenant Van Diepenbeek door eenen kogel in het
voorhoofd gedood.
De trommen begonnen storm te slaan; de horens en trompetten deden hunne
aanjagende tonen galmen; het bevel _au pas de charge!_ klonk ons in de
ooren; wij sprongen tegen den berg op en geraakten, na eene wijl van den
vurigsten marsch, tamelijk verward op de vlakke hoogte. Onvoorziens
vielen wij tegen eene machtige batterij kanonnen, die op ons losdonderde
en velen onzer makkers ter neder wierp. Deze schrikkelijke ontploffing
bracht eene zekere aarzeling in onze rangen; doch op de stem onzer
officieren sprongen wij weder met gevelde bajonet vooruit, met het
inzicht om de kanonnen des vijands te overrompelen.
Den sergeant-majoor Honoré, eenen mijner vrienden, werden de twee beenen
door eenen kanonsbal afgerukt; onzer dokter, de heer Dardespinne, deed
den gewonde op zijn eigen paard zetten om hem uit den slag te voeren. De
arme Honoré deed nog het Brabantsch volkslied in de hoogte galmen,
terwijl bloed en leven hem uit de gepletterde leden golvend
ontstroomden.
Ondertusschen werd de berg door de andere gedeelten van ons leger
insgelijks en met evenveel aandrift beklommen; de Hollanders konden dien
eersten aanstoot niet wederstaan en weken terug naar het midden huns
legers. Zij gaven aldus aan het Belgische leger tijd en plaats om zijne
regimenten te ontplooien; en, toen onze stormloop tegen de dikste wolk
der vijanden was gestuit geworden, begon er op de gansche linie een heet
gevecht, dat zich voor alsdan nog bij geweervuur en kanongebulder op
eenigen afstand bepaalde.
Hier stortte een onzer trommelaars, Bilocq genaamd, door eenen kogel in
het been getroffen, ten gronde.
Een sergeant van ons bataljon, een Brusselaar met name Jacques, was
zoodanig door strijdlust aangejaagd, dat hij bij het terugwijken der
Hollanders met eenige grenadiers zijner compagnie door hunne slagorde
was geraakt, en onverwachts tegen de ruiters aanviel, die den
oppergeneraal des vijands, Prins van Saksen-Weimar, omringden. De
Belgische sergeant richtte reeds zijne bajonet tot den prins en meende
hem te doorsteken; doch de ruiters vielen in macht op hem aan: hij en
zijne gezellen werden neergesabeld. Men wilde den sergeant voorts
afmaken en dooden; de prins weerhield zijne mannen, nam den dapperen
Jacques onder zijne bescherming en deed hem achteruit van het slagveld
dragen.[5]
De veldslag duurde voort; ik, als eenvoudig strijder kon niet weten wat
er op eenige stappen van mij geschiedde; ik zag niets vóór mij dan eene
onmeetbare wolk rook, die de slagorde des vijands afteekende; ik hoorde
niets dan de duizenden geweerschoten, die zich tot een aanhoudend geknal
vermengden, de ontzaglijke stem der kanonnen, die den IJzerberg onder
onze voeten deden sidderen, het gefluit der kogels, het gehuil der
ballen en bijwijlen ook het gekerm mijner broeders, die met afgerukte
leden of doorboorde ingewanden nedervielen en eenen pijnlijken
doodskreet slaakten of, stervend, nog den nationalen roep aanhieven:
"_Leve de Vrijheid! Leve Leopold!_"
Op dit oogenblik kreeg ons regiment bevel om zich langs de zijden des
vijands uit te spreiden en hem door een scherpschuttersvuur te
verontrusten.
Wij zakten den berg af, tusschen de stad Leuven en het slagveld; dáár
werden wij volgens krijgsgebruik over eene lange uitgestrektheid gronds
verdeeld, derwijze, dat op elke vijf of zes stappen zich slechts een
paar mannen bevonden.
De grond was zeer bewogen en de velden nog met den oogst overdekt,
zoodat wij wel de Hollanders, onze vijanden, op de helling van den berg
zagen staan, maar echter onze eigene gezellen slechts gedeeltelijk
konden zien.
Ik bevond mij met eenen soldaat boven den boord van eenen hollen weg,
die wel tien voet diepte had; en, alhoewel wij zeer van den vijand
verwijderd waren, schoten wij onverpoosd op zijne rechterzijde.
Onderwijl hoorden wij, hoe op den berg het gedonder der kanonnen
aanhoudend boven de strijders galmde en hoe de strijd daar meer en meer
in hevigheid toenam.
Eensklaps klonk over de vlakte, waar wij ons bevonden, een akelige
waarschuwingskreet: "de ruiterij! _la cavalerie! la cavalerie!_" En
inderdaad, wij zagen eene wolk vijandelijke dragonders den berg
afzakken, om ons te komen bevechten.
Men zegt gewoonlijk onder de soldaten, dat een voetganger voor eenen
ruiter niet hoeft te vreezen. Voor oude en geoefende soldaten moge dit
eene waarheid zijn; voor ons, die als vrijwilligers onzen tijd bij de
boeren hadden gesleten, was het er echter geheel anders mede gesteld.
Het gezicht van die groote mannen, op groote paarden gezeten en met
bliksemende zwaarden in de hand, boezemde ons zoo niet vrees dan toch
angst in. Wij stonden bij paren, verre van elkander, en konden onze
officiers niet zien. Zoo verlaten of afgezonderd moesten wij den aanval
afwachten der ruiterij, die in groote menigte den berg afdaalde!
Eens in de vlakte geraakt zijnde, verdeelden de dragonders zich
insgelijks in eene lange reeks; en, als hadde elk eenen scherpschutter
tot slachtoffer uitgekozen, reden zij bij paren met slingerende zwaarden
op ons los.
Ik begreep, dat mijn laatste uur gekomen was; ik voelde mij verbleeken,
mijn ingewand sidderde; en van dan af hield ik mijnen blik met zooveel
vastheid op de twee vijanden gericht, die ons schenen uitgekozen te
hebben, dat mijn makker van mijne zijde verdween, zonder dat ik het
bemerkte.
Minder dan een boogschot waren de dragonders van mij verwijderd, toen ik
mijn geweer op hen afschoot zonder er een' te raken; ik meende nog te
laden, doch ik liet de kardoes uit mijne hand vallen; want ik had
nauwelijks den tijd om de bajonet tot verdediging te vellen.
Een der twee dragonders sprong ter zijde door de haver, waarschijnlijk
om mijnen kameraad aan te vallen. Mij dacht, ik hoorde zijnen laatsten
doodskreet mij in de ooren galmen!
Ik hield de bajonet vooruit, welbesloten om, indien het mogelijk ware,
mij hardnekkiglijk te verdedigen. De overtuiging, dat ik sterven ging,
ontrukte mij eenen zucht der treurnis, eenen afscheidsgroet aan het
leven.
Het zwaard des dragonders bliksemde mij in de oogen; hij riep, dat ik
mij overgeven zou; doch ik bleef met den verslindenden blik van den
doodsangst sprakeloos de plaats zoeken, waar ik hem of zijn paard zou
kunnen wonden.
Het moet zijn, dat het paard verschrikt of onbedwingbaar was; misschien
dat de dragonder zelf mijn wapen ontweek, om mij van ter zijde onder
bereik van zijn zwaard te krijgen; want, ofschoon dit alles
ongeloofelijk snel geschiedde, zwenkte mijn vijand twee- of driemaal
rondom mij, tot zooverre dat het mij gelukte, zijn paard eene wonde aan
den schouder toe te brengen.
Wat er verder tusschen hem en mij gebeurde, weet ik niet. Terwijl ik het
hoofd afkeerde om zijn slingerend zwaard te ontwijken, voelde ik, dat
een felle slag mij trof, en ik in eene diepte tuimelde, die voor mijne
geschokte inbeelding grondeloos scheen te zijn. Ik daalde en daalde,
alsof ik in de eeuwigheid wegzonk....
Met geweer en ransel was ik achterover in den hollen weg gestort en
bleef daar, door den val bedwelmd, een oogenblik roerloos op den rug
liggen; evenwel, het bewustzijn keerde onmiddellijk in mij terug. Ik
opende de oogen en zag verbaasd in het ronde; mijn blik ging ten hemel,
en ik dankte God, dat Hij mij zoo wonderbaar van eenen zekeren dood had
gered.
Boven mij hoorde ik nog twee pistoolschoten lossen. Ik meende de plaats
te ontloopen; doch mijn linkervoet, wanneer ik hem opheffen wilde,
ontrukte mij eenen schreeuw der pijn. Desniettegenstaande sukkelde ik
door den hollen weg voort in de richting der stad.
Toen ik den steenweg bereikte en op de plaats kwam, waar wij allereerst
stormenderhand den IJzerberg hadden beklommen, was de veldslag verloren
en het grootste gedeelte onzes legers in volle vlucht. Nog één of twee
regimenten, streden wijkend boven den berg.
De poort der stad Leuven, die op den Mechelschen steenweg uitziet,
spuwde als het ware kanonnen, karren en wagens bij honderden; de
voerlieden er van sloegen op de paarden met zweepen en sabels..... en
alles rolde als een verwarde stroom over de baan naar Mechelen.
Nevens mij stond een sergeant van mijn regiment, met name Lemaigre, die
nu kapitein is. Terwijl hij zich de haren van woede en razernij
uitrukte, zag hij in de verte eene batterij Belgische artillerie uit
Leuven komen aangerend, bestaande uit acht stukken van twaalf pond
ijzer. Geen ander overste dan een sergeant scheen over de batterij te
bevelen; en dewijl Lemaigre hem persoonlijk kende, hield hij hem staan
en bezwoer hem, dat hij toch de batterij tegen de zijde des vijands zou
stellen, om zóó onze beslissende nederlaag te vertragen en den aftocht
een ogenblik te dekken.
De sergeant des kanonniers,--mijn vriend Lemaigre noemde hem
Mathieu,--volgde den raad en brandde al zijne stukken los; eene wolk
schroot drong in de rangen des vijands, en er deed zich werkelijk eene
aarzeling in zijnen aanval op de laatste dapperen onzes legers bemerken.
Ik verliet deze plaats en sleepte mijnen voet met onbeschrijfelijke pijn
achterna, tot op eenigen afstand, waar ik over eene groote afspanning,
tegen eenen boom der baan mij nederzette.
Onderwijl was ook het laatste regiment der Belgen bezweken, en nu was
het gansche leger in aftocht.
Op dien stond liep van mond tot mond de schreeuw: "_Armistice!
armistice!_ Wapenstilstand! Vrede!"
Maar ofschoon de wijkende Belgen dit woord herhaalden, gaven zij er toch
geen gehoor aan; misschien omdat nog uit de verte eenige schaarsche
kanonschoten over de vlakte donderden.
Dan zag ik plotseling voor de afspanning onzen koning Leopold, te paard
gezeten en omringd van eenige stafofficieren; hij scheen met hen te
beraadslagen, en reed welhaast met zijn geleide naar Leuven op, in de
richting van het vijandelijk leger. Ik had het gelaat des Konings
aandachtig beschouwd: eene droeve, doch grootsche kalmte maakte het
indrukwekkend, zelfs op dezen smartelijken oogenblik.
De Hollanders vervolgden de Belgen niet; geen geweervuur liet zich nog
vernemen: er was inderdaad een wapenstilstand gesloten, waarvan de
mogelijkheid en de reden slechts door eenige uitleggingen kunnen worden
verstaanbaar gemaakt.
De Conferentie der groote Europeesche Mogendheden, te Londen vergaderd,
had de scheiding van Holland en Belgie uitgesproken; en het was om zich
tegen deze beslissing te verzetten, dat de Koning van Holland den inval
in Belgie had gewaagd. Frankrijk was gelast, desnoods met geweld de
uitvoering van den wil der Conferentie te verzekeren. Met dit inzicht
was er sedert lang een Fransch leger van 50,000 man op onze
Zuidergrenzen vergaderd. Bij het vernemen der tijding van het verlies
van het Maasleger hadden de Fransche generaals met reden gemeend, dat de
Belgen weinig kans hadden om tegen hunnen overmachtigen vijand te staan;
en zij waren met hun leger over de grenzen gerukt, om koning Leopold ter
hulp te snellen.
Juist toen de veldslag van Leuven op het hoogste was en de meeste
Belgische regimenten met groot verlies den IJzerberg afgedreven werden,
boden de eerste Fransche officieren, als zendelingen huns generaals,
zich bij den hoofdstaf der Hollanders aan, en deden den Prins Van Oranje
en den Prins van Saksen-Weimar begrijpen, dat, indien er nog één
kanonsbal geschoten werd, het Fransche leger in naam der Mogendheden,
hun eenen nieuwen veldslag zou komen aanbieden, waarin de Hollanders
ontwijfelbaar zouden bezwijken. Een Engelsch zaakgelastigde, dien wij
dien dag meermaals met onzen Koning gezien hadden, was daar insgelijks
tegenwoordig. Er werd een wapenbestand getroffen, waarbij men bepaalde,
dat alle vijandelijkheden zouden ophouden, en dat het Hollandsche leger
des anderen daags,--wel door de Franschen opgevolgd, doch
ongehinderd,--naar de grenzen zou vertrekken. Het geschiedde zoo.
[Illustration: Wij werden elk in een bed gelegd.]
Wanneer alles rondom mij stil geworden was, richtte ik mij op en poogde
van boom tot boom voort te gaan. Mijn voet was zeer gezwollen; ik had
mijnen schoen in stukken gesneden, om hem te kunnen uitdoen, en ik
sukkelde nu onder het lijden van hevige pijnen, langzaam nevens den
steenweg voort, van tijd tot tijd mij nederzettende om te rusten.
De avond begon reeds te vallen; en ik lag weder met den rug tegen eenen
boom der baan, wanneer een open fourgon voorbijreed, waarin nog eenige
gekwetste soldaten zich bevonden. Men vroeg mij, waarom ik daar zoo
eenzaam bleef zitten; op mijn antwoord hieven de voerlieden mij in den
fourgon.
Toen wij te Mechelen kwamen, vonden wij al de straten overdekt met
Belgische soldaten van alle regimenten en wapenen, die in de grootste
verwarring op de steenen uitgestrekt lagen en sliepen. Ik bleef in den
fourgon tot den morgen, als wanneer ik met behulp van eenen kameraad mij
naar de Antwerpsche poort begaf, waar de verstrooide mannen van ons
regiment zouden vergaderen. Na de oproeping der namen zouden wij
Mechelen verlaten en weder den steenweg naar Leuven optrekken.
Omtrent elf uren des morgens was alles tot het vertrek gereed; eenige
gekwetsten, waaronder ik zelf, lagen op karren en zouden volgen.
Bij de poort der stad werden de karren echter teruggehouden, en er werd
bevel gegeven om de gekwetsten naar het hospitaal te voeren.
Het hospitaal, waarbinnen men ons bracht, was slechts voorloopig
ingericht, en men noemde het eene _infirmerie_.
Wij werden elk in een bed gelegd; er kwamen zusters van liefde, die ons
allerlei goed voedsel, wijn, lekkernijen en zelfs geld gaven. Een
heelmeester verbond mijnen voet..... en, alhoewel mijne pijn nog uiterst
hevig was, viel ik welhaast in eenen diepen slaap, die bijna tot den
volgenden morgen duurde.
Mijn voet bleef zeer pijnlijk gloeiend tot den tienden dag; dan kwam er
eene spoedige beternis, eene week later kon ik reeds de _infirmerie_
verlaten, om mij naar mijn regiment te begeven, dat zich in en rondom
Dendermonde bevond.