De slag van Leuven en de voorvallen, die hem waren voorafgegaan, hadden
elkeen de overtuiging gegeven, dat onze nederlaag alleenlijk toe te
wijten was aan de slechte inrichting des legers en aan de afwezigheid
van het gevoel der onderschikking, zoowel tusschen de officieren als
tusschen de soldaten. Het Staatsbestuur, door eenen ervaringrijken
koning aangedreven, hield zich onverwijld met de herinrichting des
legers bezig; men zou den officiers, die de noodige bekwaamheid niet
bezaten, hun ontslag geven, andere, oudgediende oversten in hunne plaats
stellen, de tucht strengelijk doen handhaven, en met onverbiddelijke
krachtdadigheid de gedachte van persoonlijke onafhankelijkheid
versmachten, welke de vrijwilligers in het leger hadden gebracht.
Bij mijnen terugkeer in het regiment had men mij aangewezen, om
voorloopig het ambt van sergeant-majoor in eene andere compagnie te gaan
waarnemen. Ik deed mijn uiterste best om de gunst mijner nieuwe oversten
te verdienen, en arbeidde zes halve nachten om de achtergeblevene
schriften der compagnie gansch in orde te brengen. Men sprak grooten lof
van mijnen ijver en van mijne bekwaamheid; niemand twijfelde of ik zou
tot den graad van sergeant-majoor worden verheven. In dezelfde
overtuiging schreef ik met hoogmoed en blijdschap aan mijnen vader
aangaande mijne onfeilbare verhooging, en ik ontving daarover zijne
liefderijke gelukwenschen.
Eenige dagen later kwam de generaal-inspecteur Olivier te Dendermonde,
om de herinrichting van ons regiment te bestieren. Vele
officieren,--onze kolonel zelfs,--werden op halve soldij weggezonden of
verplaatst; anderen, die wij niet kenden, werden ons tot oversten
gegeven; de nauwe uitvoering der tuchtwetten werd verzekerd, en zoo
kreeg ons regiment een gansch nieuw voorkomen.
Toen men de benoemingen tot de openstaande plaatsen van onderofficier
wilde doen, werd ik door den nieuwen kolonel onderzocht. Ik was slechts
negentien jaar oud; en, tot overmaat van ongeluk, deed mijne magerheid
en iets kinderlijks in mijn opzicht, mij nog veel jonger schijnen.
Met mijne bekwaamheid had de kolonel wel vrede; maar een
sergeant-majoor, zeide hij, moet ontzag kunnen inboezemen, dewijl hij in
eene compagnie de ware werkspil is en met de uitvoering der ontvangene
bevelen is belast. Nu men voor doel had, de tucht in het leger te doen
eerbiedigen, mocht men geene kinderen tot sergeant-majoor aanstellen.
Hij deed mij met goedheid in de stemme begrijpen, dat ik nog te jong en
te klein was om zulk gewichtig ambt naar behooren te vervullen; ik had
tijd genoeg om te wachten, en men zou zich mijner herinneren, wanneer
het nieuwe regiment aan de nieuwe inrichting zou gewend zijn. Ik werd
ter zelfder tijd aangewezen, om in eene nieuwe compagnie van het eerste
bataljon mijnen vorigen dienst van fourier te hernemen.
Het was met het hoofd onder smart en spijt gebogen, dat ik de woning des
kolonels en de stad verliet, om mij naar het dorp te begeven, waar onze
compagnie alsdan geherbergd lag.
Onderweg dreven mij allerlei treurige gepeinzen door het hoofd; ik morde
met bitterheid tegen mijnen geringen ouderdom en mijne kleine gestalte,
en klaagde het den boomen, dat mijn uiterlijk voorkomen mij als een kind
met minachting deed behandelen, ofschoon, volgens mijne meening, een
krachtig mannenhart, mij in den boezem klopte. Daarbij voegde zich de
overweging, dat mijn vader mijne teleurstelling met verdriet zou
vernemen en mij misschien van laatdunkendheid zou beschuldigen! Mijne
vrienden in het regiment zouden weten, waarom ik tegen de algemeene
verwachting niet was verhoogd geworden.... Omdat ik nog te veel aan een
kind geleek! Dewijl deze reden mij reeds veel had doen lijden, en
waarlijk in het krijgsleven mij een bestendige hinderpaal en eener bron
van kleinachting was geweest, was ik ten uiterste gevoelig geworden aan
allen twijfel aangaande mijne hoedanigheid van man.
Twee dagen later werd ik bij mijne nieuwe compagnie ingelijfd. Dáár
kende mij niemand, en ook niemand scheen geneigd om mijn stil en zoet
karakter te ontzien of te sparen.
Nu begint voor mij een tijdstip van ramp en lijden, van ziekte der
inbeelding, van droomachtige zelfverknaging, van kwalen, die mij alle
lichaamskracht zullen ontrooven en mij tot op den boord van het graf
moeten voeren....
De kapitein mijner nieuwe compagnie was een zonderling man, wiens
inborst en daden als een ondoorgrondelijk raadsel iedereen verwonderden;
hij had vele jaren als stafofficier onder de Turken gediend: ik
twijfelde somwijlen, of hij zelf niet een Turk was, die zich voor eenen
Franschman deed doorgaan.
Tamelijk lang van gestalte was hij, hoekig en baldadig in al zijne
bewegingen, uiterst ruw, kort en streng in al zijne woorden. Zijne
kleine, grijze oogen fonkelden in diepe holen, en hun doordringende blik
was indrukwekkend voor ieder, als de blik des arends. Meest stampte hij
onder het spreken geweldig met de scheede van zijnen sabel op den grond,
mengde de krachtigste soldatenwoorden, tusschen zijne rede en had de
gewoonte, onverpoosd naar alle kanten in het ronde te spuwen. Somwijlen
zou men gewaand hebben, dat hem iets in de hersens faalde en hij
zinneloos was.
In zulke oogenblikken was het hem eenerlei wie voor hem stond:
officieren of soldaten, ieder moest zwichten en zijne harde verwijten in
stilte verkroppen. Geraakte hij in twist met zijne gelijken, hij liet
hooren, dat hij gereed was, om met sabel of pistool zijn woord gestand
te doen; en dikwijls was een tweegevecht--voor hem altijd gelukkig
afloopend--het einde zijner schijnbare ruwheid.
Met sommigen zijner oversten was hij even hard; ook werden door dezen
niet zelden pogingen aangewend om hem ernstigere straffen te doen
ondergaan, dan men er bij het regiment kon opleggen. Hoe het kwam, weet
niemand, maar telkenmaal--zelfs voor het krijgsgerechtshof--kreeg hij
gelijk en bleef ongehinderd. Zijne verdedigingen, welke hij zelf
schriftelijk opstelde, waren ongemeen krachtig en talentvol: wie hem tot
tegenstrever had, kwam er nooit ongedeerd van af.
Vele redenen maakten hem echter bij de meeste soldaten der compagnie
bemind en ontzien; eenigen zelfs zouden voor hem zonder aarzelen hun
leven in gevaar gebracht hebben, indien hij het hadde verlangd. In den
slag van Leuven had hij zich als een onversaagd officier gedragen, en
zich meer dan eens met wonderbare vermetelheid ten doel der vijandelijke
kogels vooruitgeworpen. In alle gevallen, waar het mogelijk was,
verdedigde hij de soldaten tegen de mindere officiers en onderofficiers;
soms ook wel tegen de hoogere oversten. Een groot gedeelte zijner soldij
schonk hij aan de wakkerste mannen der compagnie tot drinkgeld weg, en
toonde zich bij vlagen zoo goedhartig en zoo mild jegens hen, dat men
hem roemde als een voorbeeld van belangeloosheid en van edelmoed.
Wat hij niet lijden kon, was de zachtheid van taal en zeden, welke
sommige officiers uit het burgerlijk leven hadden behouden. Hij schold
zulke manieren uit voor verwijfdheid en zwoer, dat elkeen onder zijn
bevel _soldaat_ zou worden in den vollen zin des woords, of er onder zou
bezwijken.
Met eene opmerkelijke ruwheid bezat deze onbegrijpelijke man een diep en
vlug verstand; hij was zeer geleerd en wist over zaken van krijgsdienst
zooveel als een generaal hoeft te weten. Daarenboven pleitten vele
zijner daden in hem voor zekere goedheid des harten. Dit mengsel van
allerlei hoedanigheden maakte hem tot een soort van raadselachtig wezen,
dat den meesten eenen geheimzinnigen schrik of ten minste een gevoel van
verwijdering inboezemde.
Deze kapitein zou mijn overste worden! Men begrijpt lichtelijk tot
hoeverre mijne inborst, mijne zwakheid en mijne lijdzame
achterhoudendheid hem moesten mishagen.
Toen ik, met den ransel op den rug en het geweer op den schouder, voor
de eerste maal bij mijne nieuwe compagnie mij vertoonde, stonden de
mannen tot eenen oogenschouw der wapenen in gelederen geschaard. De
adjudant-majoor van het bataljon leidde mij tot de compagnie en
verwijderde zich, terwijl hij kortweg zeide: "Kapitein, ziehier uwen
nieuwen fourier!"
Het was een onuitdrukkelijke blik van spijt en minachting, dien de
kapitein op mij wierp; hij aanschouwde mij van hoofd tot voeten, keerde
rondom mij, spuwde langs alle kanten met gramstorig gemor en riep dan,
als in woede, tusschen vele indrukwekkende woorden, die men niet
nederschrijft:
"Ah sa, wat hebben ze ginder in het hoofd? Of meenen ze, dat mijne
compagnie eene kinderschool is! Men spot met mij! Er zijn andere mannen
noodig om de _gaillards_ mijner compagnie te bevelen. Wij zullen het
zien: het zal er niet bij blijven!"
En onder het uitspreken dezer woorden liep hij verder de Markt op naar
den kant, waar zich de kolonel en de groot-majoor bevonden.
Ik was, van schaamte bevend, in mijn gelid tusschen de onderofficieren
gaan staan, en van daar zag ik, hoe de kapitein voor den kolonel
geweldig met armen en beenen gebaarde en zijne sabel ten gronde stiet.
Mij was het klaarblijkend, dat hij zich tegen mijne benoeming in zijne
compagnie verzette en weigerde mij als fourier te aanvaarden.
Hij gelukte echter in zijne pogingen niet, vermits hij, een oogenblik
later, vloekend en morrend tot mij kwam geloopen, mij nog eens van hoofd
tot voeten beschouwde, en dan op scherpen toon zeide:
"Het is wel, wij zullen zien! Maak dat gij recht in uwe schoenen loopt,
en toon, dat gij haar op uwe tanden hebt, of gij zult een zuur leven met
mij hebben!"
Den bliksem van zijnen oogslag niet kunnende verdragen, liet ik het
hoofd voorovergaan.
"Hoofd recht, en zie mij in de oogen!" riep de kapitein.
Ik weet niet, maar het was mij, alsof iets vreeselijks uit zijnen blik
mij in de ziele drong; en opnieuw boog ik het hoofd, van benauwdheid en
van schaamte schier bezwijkend.
"Wie heeft om Gods wil zulke soldaten geschapen? Hij beeft als een oud
wijf!" morde de kapitein met verachting.
"Te twee uren in mijne herberg!" beval hij. "Wij zullen beproeven of het
mogelijk is, iets van u te maken."
Verder bemoeide hij zich niet meer met mij, dan alleenlijk dat hij nog
bijwijlen eenen minachtenden blik op mij wierp. Ik was zoozeer onthutst
door deze ruwe behandeling, dat ik bijna niet wist wat te antwoorden op
de vragen en bevelen, mij door den sergeant-majoor, mijnen
onmiddellijken overste, toegestuurd.
Te twee uren begaf ik mij naar de herberg des kapiteins. Mij sidderde
het hart, en ik was benauwd, alsof mij iets zeer ongelukkigs moest
overkomen.
In zijne kamer toegelaten, vond ik hem bij eene tafel aan het schrijven;
hij sprong, op met eene geweldige beweging, beschouwde mij eene wijl,
beklaagde zich nog, dat ik hem tot fourier was gegeven, en vroeg mij
dan, van waar ik was, en wat ik had geleerd.
Met zoete, nederige stemme vertelde ik hem van mijnen vader en van mijne
vorige bestemming tot het onderwijzerschap. Ik beloofde hem mijn
uiterste best te zullen doen om hem te believen, en smeekte hem, mij
toch niet zoo ruw te behandelen, dewijl mij dit oneindig meer verdriet
aandeed dan hij mij wilde veroorzaken.
In het eerst scheen hij met genoegen of met geduld op mijne uitleggingen
te luisteren; maar mijn gebed tot zachtere behandeling deed hem in woede
ontsteken, of ten minste hij gebaarde, dat het hem tot het uiterste punt
der gramschap had vervoerd.
Nu rolden de toornige woorden als een vloed van zijne lippen, en uit
zijn oog schoten gensters, die mij deden sidderen; dan weder verkalmde
hij en beweerde, dat ik van den groven borstel noodig had om _soldaat_
te worden. Andere malen greep hij mij gulhartig bij de hand en zeide:
"Gij zijt vervaard van mij? Gij beeft? Hoe kreegt gij het toch in uw
hoofd, soldaat te worden? Gij trekt gezichten, alsof gij nog op den
schoot uws moeders zaat! Kom, schep moed, ik zal eenen man van u maken.
Wat ik doe, is voor u goed.... Maar zoo gij kind wilt blijven, dan
vindt gij geene verschooning voor mijne oogen: ieder moet zijn' stiel
doen, en het is al veel te lang, dat men in het leger _muscadyns_ en
oude wijven hunnen vrijen gang laat gaan."
Mijne vreesachtige antwoorden en bovenal de moedelooze toon mijner stem
bevielen hem niet. Opnieuw begon hij mij te bedreigen en voor kind en
melkbaard te schelden, tot zooverre dat ik, onder eene ware
verschriktheid bezwijkend, in tranen losborst.
Dan kende zijne woede geene palen meer; hij vatte mij bulderend bij den
schouder, duwde mij de kamer uit en sloot de deure toe.
Met vermorzeld hart, gansch moedeloos en van de toekomst schrikkend,
sukkelde ik naar mijne herberg, waar ik den sergeant-majoor mijn
wedervaren vertelde.
Deze poogde mij te doen begrijpen, dat de kapitein inderdaad zonderlinge
manieren had, maar dat men het niet ernstig opvatten moest, dewijl hij
zelf het zoo niet meende; dat hij in den grond een goed hart had, en
niemand wetens en willens kwaad zou doen; ja, dat het gebeurde een
bewijs was, dat hij veel geneigdheid voor mij gevoelde, en
rechtzinnelijk moeite wilde doen om mij _soldaat_ te maken, eene
hoedanigheid, die mij klaarblijkend ontbrak.
Hoe het zij, de wijze, op welke men mijne inborst wilde veranderen,
krenkte mij den geest en maakte mij wanhopig. Elken dag overlaadde de
kapitein mij met harde woorden, en poogde als het ware mijn lijdzaam
gemoed tegen zijne ruwe behandeling in opstand te brengen; hij scheurde
mijn schrijfwerk onder alle voorwendsels aan stukken, strafte mij om de
minste schijnreden, en vernederde mij bloedig in tegenwoordigheid der
soldaten, die ik in vele gevallen te gebieden had.
Welhaast verlieten wij Dendermonde, om in het kamp bij Diest te gaan
liggen, waarna wij eenigen tijd op de dorpen geherbergd bleven, en
eindelijk te Bergen-Henegouw in de groote kazerne geraakten.
In November 1831 vertrokken onze sergeant-majoors naar het _depôt_, om
er de schriften der compagniën door wederzijdsche vergelijking in orde
te brengen. Zij bleven zes maanden afwezig, en lieten gedurende dien
tijd de fouriers met de vervulling van hun ambt belast. Dezen laatsten
werd een korporaal toegevoegd, om hen in hunne dubbele hoedanigheid te
helpen.
Nu vielen mij eene groote verantwoordelijkheid en ongemeen veel
bezigheid ten laste; mijne vreesachtigheid maakte mij de taak veel
zwaarder dan zij was; ik kon schier niet slapen van ongerustheid en
bekommernis, en beging daarom juist nu en dan wel eens eenen misgreep in
de uitvoering der ontvangen bevelen.
Mijn kapitein bleef nog immer bij zijn inzicht om, zooals hij zeide, een
_soldaat_ van mij te maken. Bijna elk uur van den dag moest ik nu met
hem in aanraking komen; hij bejegende mij telkens met ontmoedigende
hardheid, strafte mij onbarmhartiglijk en vervulde mijn neergeknakt
gemoed met hopeloosheid en met schrik.
Langzamerhand werd mijne inbeelding krank; mijn verstand geraakte in de
war; de kapitein met zijne bliksemende oogen kreeg voor mij de vormen
van een geheimzinnig wezen, van eenen boozen geest. Zijne stem deed mij
sidderen; des nachts droomde ik van vervaarlijke dingen, van uitteren en
van sterven, en telkens stond de vreeselijke beeltenis des kapiteins bij
mijne doodsponde te lachen, als verblijdde hem het laatste oogenblik
zijner uitgeputte prooi.... Ook mijn lichaam vermagerde spoedig; de
wangen werden mij geel en doorschijnend, en alhoewel ik mij zelden over
mijn lot beklaagde, gevoelde ik iets in mij, dat mij een vroegen dood
voorspelde.
Dat mijn kapitein een boosaardig man was, mag men niet gelooven; maar
wat doet het er toe? De inbeelding, wanneer zij met ziekelijke
ontsteltenis is getroffen, schept spoken en ondergaat hunnen invloed,
alsof zij werkelijk bestonden.--Met mij was het zoo gesteld.
Ik was tot zooverre geraakt, dat ik elk mensch voor eenen vijand en voor
een zielloos en kwaadaardig wezen aanschouwde, en ik haatte in mijn
binnenste de wereld en het leven, wier onschuldig slachtoffer ik mij
waande te zijn.
Mijne gezellen vluchtte ik; des avonds, wanneer mij geene haastige
bezigheden tot den arbeid dwongen, zat ik eenzaam in mijne kamer, met
het hoofd op de handen, te mijmeren en te droomen van mijn vorig leven;
alsdan somtijds tot eene ziekelijke begeestering der smart opgevoerd,
sprak ik tot God, Hem zeggende, dat ik mij verduldig boog onder het
gewicht van Zijnen arm, en lijdzaam het lot te gemoet zag, dat Zijn wil
mij had beschikt.
Terwijl mijne kameraden zich buiten de kazerne vermaakten en den avond
in vreugde doorbrachten, hield ik mij dus bezig met mijn eigen hart te
verknagen en mij de gemoedskracht te ontnemen, die er noodig was om niet
onder het verdriet te bezwijken....
Ik leed aan de schrikkelijke en meest altijd doodelijke kwaal, die men
_landziekte_ of _heimwee_ noemt...
Het heimwee is eene zonderlinge en geheimzinnige ziekte der hersens. Zij
vindt hare meeste slachtoffers onder de jonge soldaten; eenige ook onder
de scholieren, die verre van het ouderlijk huis met dwang in eene
kostschool worden opgevoed; of onder jonge kloosterlingen, of onder
jonge gevangenen: in éen woord, onder zulke menschen, die te vroeg van
de geboorteplek zijn weggerukt en nog iets van de teergevoeligheid
hunner kindsheid hebben behouden.
Wanneer een soldaat de landziekte krijgen zal, bekomt zijn gelaat eene
bleeke kleur van eenen eigendommelijken toon; zijne oogen worden
weifelend en bewegen langzaam; het hoofd nijgt hem op de borst. Hij
schijnt altijd in diepe mijmering verzonken; en, spreekt men hem hard
toe, hij schiet met verrassing uit zijnen droom, als iemand die
ontwaakt. Niets kan hem vermaken; zijn lach, indien hij nog bekwaam is
om te veinzen, is bitter en droef als eene klacht. Hij vlucht zijne
vrienden en is liefst alleen; wanneer zijne gezellen de kazerne
verlaten, om uit wandelen te gaan, blijft hij in de kamer; als zij te
huis zijn, verbergt hij zich in den eenen of anderen hoek der kazerne om
ongezien met het hoofd op de borst in vrijheid te kunnen droomen.
Altijd mijmert hij van dezelfde dingen; zijne oogen zien het vaderlijke
huis en de bergen, waar zijne wiege stond. Hij spreekt tot zijne
afwezige moeder; hij noemt de namen der vrienden zijner kindsheid; hij
ziet en hoort alles, wat hem te huis dierbaar was. In dezen engen kring
beweegt zich zijne ziel; en, of hij onder de wapens zij of niet, wat hij
doe of verrichte, er is geene plaats voor andere gedachten meer in zijn
hoofd.
Door deze _eendenkerij_ vervallen zijne hersens welhaast in eene durende
verlamming, die voor gevolg heeft, dat het lichaam de noodige
zenuwsappen niet meer toegezonden worden.
Allengs begint de maag van den heimzieken soldaat voedsel te weigeren;
hij vermagert spoedig, laat zijne leden krachteloos hangen en beweegt
zich met eene opmerkelijke traagheid. Onderwijl geschiedt er in zijn
binnenste iets vervaarlijks: zijne longen verdrogen, verengen en baren
in de verholenheid zijner borst die ronde verhardingen, welke een
doodvonnis zijn.... Hij begint te kuchen en te hoesten.... Men schrijft
hem een briefje om naar het hospitaal te gaan; zijne kameraden zien hem
met treurigen oogslag achterna, terwijl hij de kazerne uitsukkelt.... Zij
weten wel, dat hij niet wederkeeren zal...!
Er zijn zoovele jonge soldaten, welke dien weg ingaan! En het zijn de
begaafdste zielen, de gevoeligste harten; want een ruw jongeling of een
kerel met stoffelijke neigingen krijgt het heimwee niet.
Vele regimentsdokters pogen, wanneer zij de teekens dezer ziekte in
eenen loteling bespeuren, hem een verlof te bezorgen, om voor eenige
dagen naar het ouderlijk huis terug te keeren. Mochten zij allen dus
handelen! Er is geen ander geneesmiddel: al het overige dient slechts om
den noodlottigen loop der kwaal te verhaasten. Maar men moet het
aanwenden, zoohaast de gemakkelijk herkenbare teekenen der kwaal zich
openbaren; want heeft het heimwee eens de kiemen des doods in de longen
neergelegd, dan is het voor alle menschelijke hulp te laat.
Die ijselijke ziekte ondermijnde mijn leven;--ik hoestte echter nog
niet....
Tot overmaat van ongeluk _deserteerde_ omtrent dien tijd de korporaal,
dien men mij als hulp had toegevoegd. Hij had de schriften der
broodlevering vervalscht en zeven paar nieuwe beddelakens verkocht of
medegenomen. Deze laatste voorwerpen en eene groote hoeveelheid brood
moest ik te goed doen; men zou de waarde er van, die eene voor mij
aanzienlijke som beliep, op mijne soldij afhouden. Daarbij, men
beschuldigde mij van lafheid.
Dien dag onderstond ik vanwege mijnen kapitein eene wreede berisping,
die mij verpletterde en de laatste vonk van levenslust in mij verdoofde.
In den loop van den avond, terwijl ik in eenzaamheid zat te treuren,
werden mijne leden allengskens ijskoud; alles beefde met groot geweld
aan mijn lichaam. Geneigd om immer den zwartsten kant der zaken te zien,
meende ik, dat mijn stervensuur ging naderen; doch, alzoo ik mij nu op
mijn bed had neergelegd, begonnen mijne hersens te gloeien en mijne huid
te blaken, alsof mijn leger een brandstapel ware geworden. Zoo duurde
het den halven nacht, totdat ik eindelijk in eenen lastigen slaap
wegzonk. Eene zenuwkoorts had mij aangedaan, en nu keerde deze kwaal
elken dag op ongeregelde uren met hernieuwde kracht terug.
Evenals aan iederen ontmoedigden soldaat, boezemde het hospitaal mij
eenen hevigen schrik in: ik had de overtuiging, dat, indien ik eens
onder de poort van het ziekenhuis moest doorgaan, zij zich nimmer weder
voor mij zou openen, dan alleen tot het wegvoeren van mijn lijk. Daarom,
ik verborg mijne kwaal en smeekte de weinigen, die er van wisten, dat
zij toch niets er over zouden zeggen.
Den dag na den eersten aanval had ik eenen brief vol verzuchtingen en
vol tranen voor mijnen vader geschreven; zelfs had ik er eenen zin in
gesteld, die beteekende, dat hij zich haasten moest, wilde hij de
zekerheid hebben mij nog in leven te zien; doch de gedachte, dat ik
mijnen vader te veel schrik en verdriet zou aandoen, deed mij eenen
anderen brief schrijven, waarin ik mij bepaalde bij droeve klachten en
bij het gebed om een bezoek van hem te ontvangen.
Hij antwoordde mij, dat hij binnen vijf of zes dagen te Bergen zou
komen; maar hij schreef ook onder anderen:
"Gij zegt dat uw kapitein u behandelt als eenen slaaf? Wat beteekent
dit? Wat doet gij dan om zoo te worden bejegend? Ik geloof, dat er veel
van uwe schuld in dit alles is: uw karakter is niet wat het zou moeten
zijn. De _philosophische_ gedachten, die u door het hoofd rollen, zijn
de oorzaak van uw misnoegen en van uwen onwil. Dit is het wat u
onaangenaam maakt bij uwe oversten en kameraden, die uwe bewegingen van
ontevredenheid wel bemerken, bovenal wanneer gij iets te doen hebt, dat
u niet aanstaat. Geloof mij, verander van gedachten; zoo niet, zult gij
ongelukkig zijn, zoowel in den burgerstand als onder dienst. Het leven
is geen droom, al zeggen het de _philosofen_; het is een werkelijke
strijd; het lot is de vijand, en men overwint hem met hem onversaagd in
de oogen te zien."[6]
Mijn goede vader kende mijn hart; hij wist, wat er te veel en wat er te
weinig in was, en nu ook wees hij mij de wonde mijns gemoeds met
klaarheid aan. In den toestand, waarin ik mij bevond, kon ik hem echter
niet begrijpen; zijne wijze vermaningen vielen als olie in het vuur
mijner verterende smart, en ik waande mij door iedereen op de wereld
verlaten, ook door mijnen vader!
Des anderen daags greep de koorts mij in den morgen aan; en het was
reeds tien uren, wanneer ik, van de eerste koude huiverende, nog half
gekleed op mijn bed lag.
Op dit oogenblik trad de kapitein in de kamer; ik sprong verschrikt ten
gronde en bedwong de siddering des koorts een kort oogenblik; doch de
kwaal was mij meester en deed mij onmiddellijk met meer geweld beven.
Mijne bleeke wangen en blauwachtige lippen verrieden ook genoeg mijnen
toestand.
Mij doordringend bezien hebbende, zeide de kapitein:
"Gij hebt de koorts? Stel u op het ziekenrapport: gij moet naar het
hospitaal."
Hij zag, hoe dit woord mij met angst en vervaardheid sloeg.
"Wat beteekent dit?" vroeg hij.
"Ach, kapitein," smeekte ik, met de handen biddend te zaam gevouwen,
"doe mij niet naar het hospitaal gaan; ik ben zeker, dat ik er zal
sterven!"
"Zinnelooze droomer!" morde hij, "ik geloof inderdaad, dat gij de
waarheid zegt! Kom aan, schep moed, volg mij, _ik_ zal u genezen!"
En, alzoo ik nu met trage bewegingen mijne kleederen aantrok, begon hij
van ongeduld te bulderen, mij mijne _lamheid_ te verwijten en mij
zoodanig met ruwe woorden te overladen, terwijl hij zijn inzicht om zelf
mij te genezen herhaalde, dat ik schier van schrik bezweek, in de
gedachte, dat hij iets ijselijks met mij voorhad.
Ik volgde hem evenwel, daar hij de kazerne verliet, om met mij naar
zijne woning te gaan. Zoo diep rampzalig in mijn gemoed was ik, dat ik
onderweg met glinsterende oogen eenen bedelaar aanschouwde, en in mij
zelven met een gevoel van heeten nijd uitriep:
"Hoe gelukkig! Hij is vrij!"
Ware het mij vergund geworden, mijne soldatenkleederen en mijn
fourierschap tegen de gescheurde plunje en tegen de ellende van dien
bedelaar te verwisselen, hoe hadde ik God gedankt om die weldaad! Hoe
hadde ik door eenen blijden zegekreet mijne verlossing begroet!
Terwijl wij de hooge straat naar de markt opklommen, ontmoette ons de
kolonel des regiments, M. Le Hardy.
Van verre reeds bezag hij mij met opmerkzaam medelijden, en, genaderd
zijnde, vroeg hij den kapitein:
"Wat heeft toch uw arme fourier? Hij schijnt wel ernstig ziek? Gij moest
hem wat rust gunnen."
Uit mijne oogen lichtte eene vonk der dankbaarheid den medelijdenden
overste tegen. De kapitein vervorderde echter zijnen weg, terwijl hij
groetend antwoordde:
"Eene lichte ontsteltenis, kolonel; het is zijn hoofd, dat niet deugt.
Ik ga hem genezen...."
Eindelijk kwamen wij in zijne woning en op de kamer, waar hij zich
gewoonlijk hield. Hij kondigde mij aan, dat hij mij een geneesmiddel zou
doen nemen, dat mij onfeilbaar en voor altijd genezen zou; zijne oogen,
die op mij gevestigd waren, schenen mij met een geheimzinnig vuur te
flikkeren; zijne woorden waren dubbelzinnig en voor mij
schrikverwekkend.
Ik durf het bijna niet bekennen; maar mijne zieke inbeelding zeide mij,
dat de kapitein mij vergif ging aanbieden! Ik sidderde; en, op mijne
beenen waggelend, steunde ik mij met de hand aan den rug van eenen
stoel.
De kapitein had intusschen eene kas geopend. Hij haalde er eene flesch
uit, en schonk een donkergroen vocht in een glas.
Groen was voor mijnen geest de eigen kleur van vergif. Onzeglijk werd
mijn schrik; als met versteendheid geslagen, zag ik het glas mij tot de
lippen naderen!
In het eerst weigerde ik van het gevreesde vocht te drinken; doch ik kon
het tegen den kapitein niet lang uithouden, en welhaast, mij in mijn lot
gelatende als iemand, die den marteldood aanvaardt, ledigde ik de helft
van het glas in een enkele koortsige teug. De groene drank was bitter
als gal, en liep daarbij brandend door mijn ingewand.
Mij hebbende doen nederzitten, begon de kapitein op vriendelijken toon
eene lange rede over de hoedanigheden van een goed soldaat; hij
beloofde als een vader voor mijne verhooging te zullen zorgen, indien ik
slechts man wilde worden en, zooals hij zeide mijn kindervel wilde
uitschudden. Hij noemde mijne droomachtige gevoeligheid eene ellendige
_sensiblerie_, die zelfs in een meisje van zestien jaar belachelijk zou
schijnen.
Hoe gegrond zijne redenen ook mochten zijn, ik aanschouwde ze, in de
dweepzucht des lijdens, als louter valschheid en spot; ik hoorde ze aan
met een versteend en gesloten hart.
Onderwijl had de kapitein mij het glas doen ledigen en het ten tweeden
male gevuld. Wanneer insgelijks deze tweede hoeveelheid vochts door mij
gedronken was, begonnen mijne denkbeelden op eene vreemde wijze in de
war te geraken; en als de kapitein mij dwong tot antwoorden, had ik
moeite om te spreken.
Dan stond hij van zijnen zetel op en zeide:
"Het is genoeg; ga nu naar de kazerne, kruip in uw bed en blijf rusten,
zoolang gij wilt. Ik zal bevelen geven, dat niemand u store; laat u noch
aan dienst, noch aan schrijfwerk gelegen; ik geef u vier dagen verlof en
volle vrijheid.... Welnu, sta op, zeg ik; vertrek!"
Ik verliet de kamer. Wat ik had, wist ik niet, maar ik moest mij met
beide handen aan de leuning van de trap steunen om niet te vallen.
Toen ik op de straat getreden was en na een twintigtal stappen den
indruk der lucht onderging, greep ik mij aan het ijzer van een venster
vast: de huizen begonnen in woeste vaart rond mij te draaien; ik zag
dansende lichten voor mijne oogen, en ik verloor in de bliksemsnelle
wentelkolk, waarin ik scheen weg te zinken, mijn bewustzijn geheel en
gansch.... Ik was dronken: voor de eerste maal mijns levens!
Bij geluk ging op dit oogenblik een sergeant van ons bataljon in de
straat voorbij: hij hief mij van den grond op en leidde mij naar de
kazerne, waar men mij in mijn bed legde.... Dat ik dien ganschen dag
veel zieker was dan te voren, behoeft niet te worden gezegd.
Mijn kapitein had bevel gezonden, dat ik mijne kamer onder geen
hoegenaamd voorwendsel mocht verlaten.
Slechts den derden dag zag ik hem voor de eerste maal weder; hij vond
mij, terwijl ik met ongemeenen eetlust een groot stuk vleesch nuttigde.
"Zoo, zoo!" riep hij, "het schijnt, dat het geneesmiddel goed gewerkt
heeft!--En de koorts, is zij teruggekeerd?"
Het speet mij, te moeten bekennen, dat ik waarlijk van de koorts was
genezen; want inderdaad, ik had de minste huivering niet meer gevoeld,
sedert ik van het groene vocht had gedronken.
De goede uitslag zijner poging scheen den kapitein zeer te verblijden.
Hij moedigde mij opnieuw aan tot het verdrijven mijner zinnelooze
gedachten, zooals hij ze wel eenigszins met reden noemde; en dan
eindelijk mij een stuk van vijf franken in de hand duwende, verliet hij
mij, zeggende:
"Gij hebt geen geld? Dáár, wandel nu en zoek eenig vermaak. Wat de
beddelakens betreft, die men u ontstolen heeft, denk er niet te veel
aan: ik zal die zaak wel regelen."
Met tegenzin begaf ik mij, volgens zijn bevel, ter wandeling buiten de
stad; ik dwaalde er uren lang in eenzaamheid, droomend van mijne
ijselijke slavernij, van den vurigen haat, dien ik meende, dat de
kapitein mij toedroeg, van der menschen onrechtvaardigheid en van
allerlei andere dingen, die mijne krankzinnige dweepzucht konden voeden.
Bij het terugkeeren naar de stad ontmoette ik eenen kreupelen man, die
mij eene aalmoes vroeg. Ik gaf hem het stuk van vijf franken, mij door
den kapitein geschonken. De bedelaar aanschouwde mij met verbaasden
blik, als wilde hij mij vragen, of ik wel bij mijne zinnen was. Een
soldaat, die vijf franken wegschenkt, moest in zijne oogen zot of iets
dergelijks zijn! Wel een vierendeel uurs bleef de verbaasde man mij
achterna zien; wat mij betreft, ik was tevreden, dat het geld van hem,
dien ik de oorzaak van mijn ongeluk waande, uit mijnen zak verdwenen
was, zonder dat mijn geweten mij kon verwijten, iets er van te hebben
gebruikt.
Des anderen daags kwam mijn vader te Bergen. Toen mijne oogen hem zagen,
vloog ik hem weenend aan den hals en bezwijmde schier van aandoening.
Mijne bleeke wangen boezemden hem een diep medelijden in: liefderijk en
troostend waren zijne woorden in het eerst, doch na eene wijl begon hij
eene hevige berisping tegen mijn gedrag uit te spreken, bovenal toen ik
den kapitein van wreedheid en van haat tegen mij beschuldigde.
Mijn vader, om te weten, wat er in mijne brieven gegrond kon zijn, was
tot den kapitein gegaan, vooraleer naar de kazerne te komen; hij was
door hem gulhartig en vriendelijk onthaald geworden, had ten zijne
huizen het middagmaal genomen, had met hem gesproken over Napoleon en de
oorlogen van het keizerrijk; in één woord, men had hem bejegend als
eenen broeder. De kapitein had hem ook uitgelegd, dat al mijn lijden
slechts in mijne inbeelding bestond, hoe hij zich vele moeite gaf om mij
van mijne droomkwaal te genezen; hij had hem gerustgesteld over mijnen
toestand en hem beloofd, voor mij als voor zijn eigen kind te zullen
zorgen.
Het spreekt van zelf, dat mijn vader in zulke gemoedsstemming mijne
klachten niet kon goedkeuren. Hij laakte mijne dwaze denkbeelden met
bitterheid; ja, hij werd gram en spijtig als hij zag, dat mijne
overtuiging door geene woorden of bewijzen te veranderen was, en ik met
eene onplooibare stijfhoofdigheid allen troost, die mij ongelijk gaf,
wegwierp als eene onrechtvaardigheid.
Na anderhalve dag verblijf te Bergen, keerde mijn vader mistroostig naar
Antwerpen terug. Ik gevoelde mij ongelukkiger dan te voren. Niemand,
niemand kon mij begrijpen, zelfs niet mijn vader!