Van het bivak bij Baelen trokken wij naar het kleine stedeken Gheel en
zijne omliggende dorpen; dan naar Moll, en eindelijk weder naar
Turnhout.
Hier kwam mijn vader mij bezoeken en bleef twee dagen met mij; ik vernam
van hem, dat mijn broeder Jan Balthazar, evenals ik, dienst had genomen
in het Belgische leger, en dat hij vrijwilliger was in een regiment, dat
omtrent Westwezel op de grenzen lag.
Mijn vader moest den eersten dag zijner aankomst reeds met mijne
oversten gesproken hebben; want tusschen woorden van vaderlijke
genegenheid en van aanmoediging, mengde hij voortdurend vermaningen, om
mij te doen begrijpen, dat ik wat meer _mensch_ en wat meer _man_ moest
zijn, en, zooals hij zeide, het voorkomen van een wittebroodskind moest
pogen af te schudden. Ik begreep hem wel en was hem dankbaar voor zijnen
raad; doch ik meende, dat mijne inborst beter was dan het ruw en
schijnbaar gevoelloos karakter, dat men van een echt soldaat scheen te
eischen. Mijn vader keerde te voet naar huis en zou, van den vroegen
morgen tot den avond, niet veel minder dan tien uren wegs afleggen. Ik
vergezelde hem twee uren verre, omhelsde hem en keerde dan weder naar
Turnhout.
De vrijwilligers, sedert eenige maanden reeds op de grenzen werkeloos
gehouden, begonnen te morren, omdat men hen niet tegen den vijand
leidde; doch men deed hun verstaan, dat de groote mogendheden van Europa
te Londen bezig waren met over het lot van België te beramen; en, dewijl
Holland weigeren zou zich aan hunne beslissing te onderwerpen, moest men
slechts wat geduld hebben: het spel zou wel voor goed aan den gang
geraken.
Ondertusschen zwierven wij, tot de maand Juli 1831, gedurig in de
Antwerpsche Kempen rond, overal op de dorpen en gehuchten bij de boeren
herbergende.
Nu was het Lente geworden; ik beleefde voor de eerste maal het ontwaken
der natuur in het nog oorspronkelijk Kempenland. Jong als de hernieuwde
schepping was mijn hart, frisch en zuiver als de heide mijne
droomachtige ziel.
Niet mijne latere reizen door de Kempen hebben mij het gevoel van de
schoonheid der heide gegeven; alsdan, toen ik eerst de kindsheid
ontgroeide, heb ik hare indrukken in mij vergaderd, hare kruiden geteld,
hare geruchten afgeluisterd, ben ik in hare geheimen gedrongen en heb ik
ze geliefd en bemind, als hadde mijne wiege op hare maagdelijke vlakte
gestaan.
De frissche herinnering aan dit gelukkig tijdvak mijns levens heeft mij
twintig jaren later nog doen uitroepen:
"Wat moet in de jonkheid onze ziel toch beminnend en machtig zijn, dat
zij alles, wat haar omringt, in zich zelve opsluit en met eene
onvergankelijke liefdewolk omhult. Menschen, boomen, huizen, woorden,
alles,--levend of levenloos,--wordt een gedeelte van ons eigen wezen;
aan elk voorwerp hechten wij eene herinnering, zoo schoon en zoo zoet
als onze jeugd zelve. Onze ziel loopt over van kracht; zij spat vonken
en sprankels van haar leven over al het geschapene; en, terwijl wij
onophoudelijk het geluk tegenjuichen, dat ons, kinderen of jongelingen,
te wachten staat, juicht en zingt alles in de natuur, eenstemmig met
ons."
"Ach, hoe bemin ik de weide, den lindeboom, de pachthoeve, het kerksken
en alle andere dingen, die mij zagen, toen de rozen der jeugd en de
leliën der zuivere levenspoëzie mij den schedel sierden! Zij hebben
genoten wat ik genoot; ik zag ze weelderig groeien en lachend in het
zonnelicht glanzen, toen ik vroolijk was en dartelend vooruitstroomde in
de onbekende baan der menschelijke bestemming. Zij zijn mijne oude
speelgenooten, mijne gezellen; elk van haar roept iets aangenaams, iets
verrukkends tot mij; zij spreken de taal mijns harten; al de fijnste
snaren mijner ziel trillen weder met jeugdige kracht bij dien roep ...
en in stille, godsdienstige aandoeningen dank ik den Heer, dat Hij,
zelfs in het bevrozen hart van den afgesloofden mensch, nog de zoete
bron der herinnering vlieten laat!"
Het was insgelijks gedurende den eersten tijd van mijn soldatenleven,
dat ik de bewoners der Kempen, hunne gewoonten en hunne eenvoudige, doch
uiterst schoone inborst leerde kennen en doorgronden. Het Belgisch
fourierken, waar hij met een logement-biljet verscheen, deed zich
spoedig beminnen door menschen, wier karakter zoozeer met het zijne
overeenkwam in zachtheid, in levenslust en in eene onuitlegbare zucht
tot mildheid en tot liefde. Hij zat met de lieden bij het vuur rondom
den koeketel en vertelde wondere dingen; hij voegde de handen te zamen
en bad met hen aan den disch; hij volgde hen ter kerke en knielde nevens
hen; hij liep met de jongelieden naar het veld en hielp aan den arbeid;
maar bovenal was hij de lieveling der kinderen, die met hoogmoed aan
beide zijne handen wandelden en niet zelden tranen stortten, als de
Belg, hun goede vriend, naar een ander dorp vertrekken moest.