Wij bleven eenige dagen te Oostmalle, op vijf uren gaans van Antwerpen.
Hier kwam mijn vader mij bezoeken, met het inzicht om de bescherming
mijner officiers voor mij in te roepen. Hij bleef lang in gezelschap met
den overste onzer compagnie, die een Franschman was, en sprak
waarschijnlijk met hem over Napoleons tijd, over de roemrijke
wapenfeiten der Fransche legers en over de rampen der keizerlijke
vloten; want toen ik mijnen vader uitgeleide had gedaan en te Oostmalle
wederkeerde, sloeg de overste mij vriendelijk op den schouder, terwijl
hij mij zeide:
"Uw vader heeft _den grooten man_ gediend; hij is een oude zeewolf, die
zijn bloed voor het vaderland heeft gestort. Dit is mij voldoende om
zijnen zoon voor te staan waar ik kan; de brave man hoefde het mij zoo
dringend niet te verzoeken. Ik maak u korporaal; later zullen wij zien
wat ik voor u nog kan doen. Zorg intusschen, dat gij wat soldaat wordet;
maar geef den moed niet op: ik zal mij uws vaders woorden herinneren en
u helpen."
Drie weken later (den 31^{sten} November 1830) te Turnhout werd ik
_fourier_ gemaakt. De titel van onderofficier, welken ik nu bekwam,
klonk mij in de ooren als de aankondiging eener schitterende loopbaan,
en ik schreef naar huis, dat ik God dankte, omdat Hij mij niet alleen
het voornemen had doen opvatten van soldaat te worden, maar nog
daarenboven mij de noodige stoutheid had vergund om het uit te voeren.
Dat ik te midden der woeste vrijwilligers zoo goed in mijnen schik was
en geene merkelijke vernedering meer onderging, dit had ik te danken aan
den officier, die het bevel over mijne compagnie voerde. Hij heette
Schmit, en had, zeide men, van zijne zestien jaar in de jonge _garde_
van Napoleon gediend. Hoog van gestalte en schoon van lichaamsbouw was
hij; uiterst behendig in de schermkunst met sabel en degen, krikkel op
het punt van eer, moedig tot overdrevenheid, vroolijk van inborst en
geestig in al zijne gezegden; daarbij goed van harte en onbekwaam om
iemand leed te doen of met inzicht te bedroeven; in één woord, het ware
beeld van den _Franschen soldaat_, zooals hij ons in poëzie wordt
voorgeschetst.
Deze had mij zichtbaar onder zijne bescherming genomen en waakte met
vaderlijke bezorgdheid en met waren edelmoed over _son petit fourrier_,
zooals hij mij altijd noemde. Aan hem was ik mijne spoedige verheffing
tot fourier verschuldigd.
De onderofficiers, mijne gezellen in de 3^{de} compagnie van het 3^{de}
bataljon der _Jagers-Niellon_, waren insgelijks goede jongens, en hun
gedrag ten mijnen opzichte was even alsof zij samengespannen hadden, om
hun _fourierken_ tegen alle ongeval te verdedigen. Met hen ook had mijn
vader te Oostmalle gesproken. Onder dezen, mijne beschermers en
ambtgenooten, was de sergeant-majoor Collette, van Brussel, en een
sergeant van Luik, met name Deguée, die mij lachende zijnen zoon noemde,
en waarlijk uit rechtzinnige goedheid met de sabel het minste ongelijk
zou hebben gewroken, dat men mij hadde durven aandoen.
Aldus omringd van goede vrienden, gevoelde ik den overgang van den
burgerstand tot het soldatenleven niet anders, dan door de onbeperkte
onafhankelijkheid, welke wij genoten. De vrijwilligers zonder
verbintenis, die de overgroote meerderheid van ons regiment uitmaakten,
toonden zich wars van alle onderschikking en verdedigden hunne
persoonlijke vrijheid tegen den minsten schijn van tucht. Zij gingen
naar huis voor zoovele dagen als het hun beliefde, en keerden weder in
de rangen, zonder dat men hen durfde bestraffen. De officiers hadden nog
geene regelmatige benoeming; het behoud van hun ambt hing af van de
willekeur der mannen, waarover zij moesten bevelen. Hieruit volgde, dat
ieder deed wat hij wilde, en het gansche regiment nog bestond uit vrije
burgers, die geenen krijgsdwang erkenden. Wij hadden geene
soldatenkleeding en oefenden ons niet in den wapen-handel. Wie tweemaal
elken dag op het _appel_ verscheen, was een vlijtig man en mocht zeggen,
dat hij aan al zijne plichten had voldaan. Het overige van den tijd
sleten velen in de herbergen; de anderen bleven ten huize der burgers of
boeren, bij wie zij ingekwartierd lagen; en, dewijl de vaderlandsliefde
der Kempenaars hun de Belgen zeer deed beminnen, werden dezen aanschouwd
en behandeld als waren het leden van het huisgezin.
De vrijwilligers, die men naar hunnen generaal _Chasseurs-Niellon_
noemde, bleven werkeloos in Turnhout of op de naaste dorpen liggen, tot
het einde der maand December. Alsdan vertrokken wij met een sneeuwig
weder naar den kant van Limburg, om, zoo men ons zeide, den vijand in te
wachten, die uit de vesting Maastricht eene krijgsmacht over de heide
naar Holland wilde zenden.
Wat hiervan zij, men hield ons tegen den avond staan op eene onmeetbare
heide, die wel tot eenen voet hoogte met sneeuw was overdekt.
De wind was in het Oosten gekeerd en zoo koud, dat wij ons de handen
voor de ooren hielden, om ze niet te laten bevriezen.
Bevel werd er gegeven, dat wij te dezer plaatse den nacht op bivak
zouden doorbrengen, dit wil zeggen, dat wij op de sneeuw konden slapen,
indien wij niet liever tot den morgen met stampen en armenslaan ons
wilden verwarmen. Onze verwondering was groot; de mijne bovenal.
Ik zag niets voor mijne oogen dan eene onafzienbare vlakte, waarvan de
eentonige witheid het gezicht verbijsterde. Slechts langs één zjjde, op
een vierendeel uurs afstand, begrensde een hoog mastbosch de kimme, en
daarachter wel een uur verre, schoot de klokketoren van een dorp in de
hoogte: het was de gemeente Baelen, op de grenzen der provincie Limburg.
Wij hadden sedert ons vertrek uit Turnhout nog geen voedsel genuttigd.
Dewijl de Belgen sedert de omwenteling immer bij burgers en boeren waren
ingekwartierd geweest, bestond er nog geen voorraaddienst in het leger;
wij hadden diensvolgens het vooruitzicht, dat wij hier zonder eten
zouden blijven.
Zoohaast de moedigsten dezen toestand hadden begrepen, begonnen zij
naar middelen uit te zien om vuur en voedsel te bekomen. Er werden
ploegen of _corvées_ ingericht, om hout uit het mastbosch te halen Nog
geen half uur was het geleden, of honderden mannen kwamen ieder met
eenen sparreboom naar het bivak gesleurd. Voor elke compagnie werd een
vuur ontstoken, dat allengs grooter en grooter wordende, eer het op de
heide donker was, zijne slingerende vlammen tot dertig voet hoog deed
stijgen.
Deze eerste nacht van het bivak liet op mijn gemoed eenen diepen indruk
na;--de nijpende koude vergetend stond ik, uren lang, in stomme
verbazing op het ontzettend schouwspel te staren, dat zich daar voor
mijn oog ontrolde.
Achttien vuren, uit stapels mastboomen in de hoogte golvend, verlengden
hunne rij over de vlakte. De hemel blaakte boven onze hoofden; de sneeuw
zelve scheen te branden; en dewijl, bij het dansen der vlammen, de
vurige tonen van het bloedroode licht dan eens met de helderheid des
bliksems, dan weder met vale rosheid over de heide golfden, was het voor
de oogen en voor den geest, alsof eene onstuimige zee van onzichtbaar
vuur over de sneeuw hadde gevlot...
Bij elken gloed, als een zwerm duivels rond het vuur krielend, zag men
de donkere schimmen der vrijwilligers tegen de vlammen zich uitlossen,
in menigte gaan en komen, boomen op het vuur werpen, of den brandstapel
met geweld omrukken, ten einde zijne woede nog aan te hitsen. Op zulk
oogenblik gingen gansche wolken gensters en brandende vonken ten hemel
en dreven als een groot vuurwerk over het leger.
Door de eentonige nachtstilte der vlakte klonk het even eentonig, doch
ontzaglijk gekraak der duizende boomstammen, die eenige oogenblikken
vroeger nog groen in het woud stonden te groeien en nu, in den schoot
der vlammen, als dunne twijgen werden verslonden. Tusschen dit
overheerschend gerucht galmde de stem der vrijwilligers, die elkander
bij hunne namen riepen; soms ook wel ontstond in de verte het lied _en
avant, marchons_! of men hoorde het noodgehuil van een varken, dat men
bezig was met kelen, of het gebrul eener koe, die door onze _maraudeurs_
of voedselzoekers uit een naburig gehucht was weggehaald.
Omtrent mij werd een kalf met sabelhouwen neergeveld en oogenblikkelijk,
zooals het was gevallen, in stukken gehakt.
Een sergeant duwde mij eenen lap vleesch in de hand; en, de anderen
navolgend, begon ik het aan het reusachtig vuur te braden.
Vermits wij niet dicht bij den gloed konden naderen, staken wij het
vleesch op de punt van den laadstok onzes geweers en hielden het aldus
op eenen afstand in de vlam. Wanneer het dan eenigszins was verbrand,
aten wij het gebraden gedeelte er af, en herhaalden deze handeling
totdat er ons niets meer van het vleesch overschoot.
Bijna den ganschen nacht bleven wij te been; doch tegen den morgen
overviel ons eene onoverwinnelijke slaapzucht. Velen legden zich neder,
op vier of vijf stappen van het vuur, en sluimerden op den grond even
goed als in een donzen bed.
Niets aan het lijf hebbend dan eenen lijnwaden kiel over mijn zwart
schoolkleed, zat ik als gevoelloos rond te staren. Mijn aangezicht en
mijne borst waren brandend van den blaak des vuurs, terwijl mijn rug,
door den scherpen oostenwind aangedaan, schier bevroor van koude.
Allengs verzwaarde mijn hoofd; ik legde mij neder, blikte nog eene wijl
in de vlammen, en viel dan in slaap.
Toen ik twee uren later ontwaakte en meende op te staan, was het mij
onmogelijk. Men had het vuur laten verzwakken, en het water van de
gesmolten sneeuw was onder mij vastgevrozen. Men moest letterlijk met
sabelhouwen mijnen kiel van den grond loshakken, vooraleer ik mij
oprichten kon. Ik bibberde van koude; mijne ledematen waren verstijfd;
ik was bleek en gansch moedeloos.
Zoo bleven wij drie dagen en drie nachten, zonder ander voedsel dan wat
er werd geroofd, op de sneeuw rond de groote vuren gelegerd. Reeds den
tweeden dag had het zonderling schouwspel zijne aantrekkelijkheid voor
mij verloren; ik bewoog mij langzaam en voelde iets in mij, alsof ik
ziek worden ging. Mijne vrienden der compagnie bemerkten het wel; zij
omringden den _petit fourrier_ met de liefderijkste zorgen en hadden
zelfs eenen bussel hooi gebracht om hem er op te laten slapen.
Den derden dag was het mij nog erger; ik zat ineengekropen onder eenige
boomstammen, die men als beschutting tegen den wind had opgericht; ik
dacht aan mijnen vader, aan mijn leven in de kluis, aan mijnen broeder
en aan alles, wat ik op aarde meest beminde....
De sergeant Deguée, mijn goede beschermer, wilde mij naar den
regimentsdokter leiden om een briefje tot inkwartiering te Baelen te
bekomen; doch het kwetste mijne fierheid zoo diep, te moeten zwichten
voor iets, waaraan mijne meeste gezellen wederstonden, dat de schaamte
mij nog meer deed lijden dan mijne onpasselijkheid. Ik had mij _man_
gewaand, en ik bezweek als een _kind_ onder koude en derving van gewoon
voedsel! In mijne spijt antwoordde ik mijne vrienden, dat men om mij
niet moest bezorgd zijn, dat het wel zou overgaan, en meer andere
machtspreuken, die slechts de laatste teekenen waren mijner worsteling
tegen het noodlot, dat mij vernederen zou.
In den namiddag waren er eindelijk karren met voorraad in het bivak
verschenen, en ik werd geroepen, om als fourier de mannen van _corvée_
naar de karren te vergezellen. Ofschoon de koorts mij schrikkelijk deed
beven en mij nauwelijks toeliet op mijne beenen te staan; alhoewel de
pijn in het hoofd mij verbijsterde, begaf ik mij vooruit en toonde mij
bereid tot het volvoeren van mijnen dienst; doch de officier Schmit
wilde het niet toelaten, en liep zelf om den bataljonsdokter te halen.
Deze gaf mij een briefje, waarmede ik naar Baelen zou gaan; en de
burgemeester zou mij, bij het vertoonen van het schrift, in een huis van
het dorp doen herbergen.
De tranen schoten mij in de oogen, toen ik op het gelaat mijner vrienden
zulk diep medelijden met mijnen ellendigen toestand bespeurde. De
sergeantmajoor Collette en de sergeant Deguée dwongen mij tot het
aanvaarden van geld; een korporaal van Verviers, met name Fabry, stak
eene halve zijde gerookt spek in mijnen ransel; want, zeide hij, er was
op een uur in het ronde niets meer te vinden, en het vleesch kon mij van
dienst zijn.
[Illustration: Ik klopte en bleef kloppen: men opende niet.]
Dus beladen met wenschen tot herstelling en met allerlei bewijzen van
vriendschap, begaf ik mij op weg naar het dorp Baelen. Ik stapte
langzaam en rustte dikwijls. De vermoeidheid zich bij de ijzing der
koorts voegende, werd ik eindelijk zoo moedeloos, dat ik mijne handen
schier op mijn geweer liet bevriezen, zonder nog de kracht te hebben om
het zware wapen van schouder te veranderen.
Toen ik, dus voortsukkelend, het dorp bereikte, was het donker geworden.
De huizen waren gesloten en ik zag er geene boeren op de straat; slechts
vrijwilligers, die het bivak waren ontloopen, zwermden er rond en
sloegen, onder ruw geschreeuw, met de kolf des geweers tegen de deuren,
om te worden binnengelaten.
Men wees mij het huis des burgemeesters; ik klopte en bleef kloppen: men
opende niet. Dan, eindelijk antwoordde men mij van boven uit een
venster, dat er geen logement in het dorp meer was, en dat de generaal
zelf verboden had nog eenen enkelen _Belg_ te herbergen.
Ik bleef eene wijl verpletterd staan, en zou wellicht voor de deur des
burgemeesters mij neergelegd hebben; doch mijne koorts en mijne
hoofdpijn waren verminderd. Het gevoel des hongers verkrampte mijn
ingewand.
Door den nood voortgezweept, klopte ik op de deuren der huizen,
waarbinnen ik nog licht zag; aan de meeste kreeg ik geen antwoord; de
overige waren opgevuld met vrijwilligers, die vloekten en tierden, dat
zij geene levende ziel meer zouden binnenlaten.
De wanhoop vervulde mij het hart. Krachteloos, uitgeput van vermoeidheid
en schier bezwijkend van honger, geraakte ik tot bij de laatste huizen
des dorps: overal vergeefsche moeite om toegelaten te worden ... en
sterkmoedigheid, om de deuren aan stukken te slaan of de lieden te
dwingen, ontbrak mij gansch!
Dáár zag ik eensklaps in de verre velden een lichtje! Men moge er om
lachen; maar dat lichtje, evenals in het vertelsel van _Duimken_ en in
vele andere volksvertellingen, blonk mij in de oogen als eene star der
hoop. Ik stapte er op aan en bleef, om het te bereiken, wel vijfmaal
verder gaan dan ik had verwacht.
Het was een klein, leemen huisje, tegen de baan naar Roslaer. Ik klopte,
en men opende oogenblikkelijk.
Een schreeuw van schrik ontvloog den inwoners, als zij mij met het
geweer in de hand zagen binnentreden, en zij begonnen smeekend mij te
zeggen, dat zij niets meer bezaten. Men had hunne kiekens en hunne
eenige geit beroofd; zelfs hun laatste brood hadden de Belgen
weggehaald.
Ik zeide hun, dat ik ziek was, vertelde in weinige woorden, hoe ik in
het dorp vruchteloos had gebeden en gesmeekt om een nachtverblijf, en
eindigde met hun om een plaatsken in hunne hut te verzoeken, totdat de
morgen kwame.
Mijne jonkheid en de klagende toon mijner stem troffen de goede lieden;
zij wezen mij eenen stoel bij het smeulend vuur, hielpen allen te gelijk
om den ransel van mijne schouders te krijgen, en zeiden mij onder
betuigingen van vriendschap en medelijden, dat hun huisje gansch tot
mijnen dienst stond. Een bed konden zij mij niet geven; maar op de
schelf, boven het geitenstalleken, lag hooi: daarin kon ik slapen, en de
baas zou wel zorgen, dat ik er geene koude leed. Geen ander eten was er
in huis dan een zwart roggebrood, dat ergens voor de rondzoekende
vrijwilligers was verborgen geweest; van dit brood mocht ik nemen wat
mij beliefde.
De hut was bewoond door eenen man en zijne vrouw en door hunne dochter,
een meisje van omtrent de zeventien jaar. Deze laatste beklaagde den
armen _Belg_ met luider stemme, en aanschouwde hem met zulk liefderijk
medelijden, dat haar zoete blik alleen mij troost in den boezem goot en
mij als het ware uit de moedeloosheid opriep.
Ik wilde den lieden geld geven: doch man en vrouw stonden met
verontwaardiging tegen mijn aanbod op. Konden zij iets ten mijnen
dienste er voor bekomen, dan zouden zij het wel aanvaarden; maar er was
nergens in de gansche gemeente iets voor geld te bekomen.
Dan slechts schoot mij te binnen, dat korporaal Fabry eenige ponden spek
in mijnen ransel had gestoken. In allerhaast sneed ik er van aan
stukken; de pan werd over het vuur gehangen ... en weinige oogenblikken
later zat ik met mijne nieuwe huisgenooten aan den disch.
Ik vertelde van mijne ouders, van mijn vorig leven en van mijn
wedervaren op het bivak. Eer ik mij tot de rust begeven zou, waren wij
alle vier zulke goede vrienden en bekenden, alsof ik sedert mijne
kindsheid van het huisgezin hadde deelgemaakt.
De man bracht mij boven het stalleken, maakte eene diepte in het hooi,
deed mij er in nederliggen, schikte dan nog meer hooi boven mijn lichaam
en op mijne voeten, en wenschte mij dan den goeden nacht.
Welhaast doordrong eene milde warmte mijne leden, en met haar stroomde
er nieuw leven mij door het hart. Mij dacht, een koning, op het fijnste
zwanendons rustend, kon niet zoo zacht en zoo verkwikkend liggen als ik
nu, tusschen het gastvrije hooi boven den geitenstal lag uitgestrekt. Ik
dankte God met innig gevoelde erkentenis om Zijne goedheid,--en,
zwemmend op den zoelen stroom van allerlei blijde gedachten, viel ik in
eenen wellustigen sluimer.
Des morgens wekte men mij niet; het was reeds lang dag, eer ik van zelf
ontwaakte.
Toen ik beneden kwam, vond ik de koffie op de tafel staan en de goede
lieden die op mij hadden gewacht om te ontbijten. Mijn blik viel op het
meisje; zij lachte mij eenvoudig, doch zoo minnelijk toe, dat ik het
hoofd boog, en schaamrood op mijn voorhoofd voelde klimmen.
Omtrent den middag kwam er een officier, vergezeld van eene talrijke
wacht, wien gelast was al de huizen te doorzoeken en de vrijwilligers
naar het bivak te doen terugkeeren. Het briefje van den dokter
beschermde mij tegen de uitdrijving.
De koorts greep mij in den vooravond weder aan, evenwel met minder
hevigheid; en na drie telkens verminderde aanvallen, was ik gansch
genezen.
Zoo bleef ik omtrent tien dagen in de hut, meesttijds bij het vuur onder
den schouwmantel gezeten en in stille, diepe mijmering mijn oog op de
jonge maagd houdend, die niet verre van mij zat te spinnen. Wanneer ik
aan de minste beweging van haar hoofd kon raden, dat zij den blik tot
mij ging richten, keerde ik met schuchterheid mijn gezicht ter zijde.
Zij scheen mij schoon, de tengere, zoete maagd, met hare frissche wangen
en helderblauwe oogen! Zoo schoon en zoo zuiver, dat zij mij voorkwam
als een engellijk beeld, omhuld met eenen wasemkring van kuischheid en
van betooverende onnoozelheid. In mijn eenvoudig gemoed wenschte ik, dat
God mij hadde toegelaten haar broeder te zijn. Hoe gelukkig en hoe blijde
hadde ik mijn leven aan hare zijde gesleten!
Des avonds, wanneer moeder en vader ook rondom het vuur gezeten waren,
dan moest ik vertellen. Omdat ik wist, dat het Bethken vermaak deed,
spande ik al de krachten mijner verbeelding in, en ik schiep en
schilderde de zonderlingste voorvallen, die mijne toehoorders zoozeer
boeiden, dat zij uren lang, met gapende monden, op mijne verhalen
luisterden. De ziel der maagd, terwijl zij dus met hare groote oogen mij
aanschouwde, scheen op haar gelaat te zweven: onder den indruk van haren
hemelreinen blik voelde ik de macht mijns geestes verdubbelen: ik werd
_dichter_ door de opwelling van een voor mij nog onbewust gevoel....
Bethken was ten uiterste in haren schik met _onzen Belg_, zooals zij mij
noemde; zij roemde zijn verstand als eene wonderheid; zij was hem
vriendelijk en nam hem bij de hand, wanneer zij hem ter tafel wilde
roepen; maar haar voorhoofd bleef leliewit, en als het schaamrood mijne
wangen kleurde, glimlachte zij met schuldelooze vrijheid.
Op eenen namiddag kwam een korporaal mijner compagnie mij verwittigen,
dat het regiment des anderen daags 's morgens, te negen uren, het bivak
zou verlaten, om naar de kanten van Gheel of van Moll te vertrekken, en
dat ik mij gereed moest houden om de compagnie te volgen, hetzij te voet
of op een der vrachtkarren.
Dien avond vertelde ik geene vertelsels, wij waren allen in stilte
rondom het vuur gezeten en treurden over het noodlottig afscheid.
Bethken jammerde over _haren armen Belg_, die zeker in het woeste en
harde soldatenleven weder ziek zou worden, ik betuigde den goeden lieden
mijnen dank en deed geweld om bij de herhaalde bewijzen van zoete,
zusterlijke genegenheid, mij door Bethken gegeven, niet in tranen los te
barsten.
Des anderen daags 's morgens, toen wij in de verte de marschtrommen
hoorden, gaf Bethken mij twee boterhammen en twee hardgekookte eieren,
welke zij van de meid des pastoors had gekregen: die moest ik, of ik
wilde of niet, in mijnen ransel steken. Dan volgde het treurig afscheid;
wij drukten elkaar met vochtige oogen de hand, en de goede lieden
beloofden, dat zij God voor mij zouden bidden.
Bethken volgde _haren Belg_ van verre, tot in het dorp, waar mijn
regiment juist op de groote baan verscheen. Ik voegde mij in den rang
der onderofficieren mijner compagnie, die over mijne wederkomst
jubelden, terwijl zij met blijdschap riepen: "Ah, daar is ons
fourierken!"
In het voorbijtrekken zag ik Bethken nog; ik boog het hoofd, want er
sprongen tranen in mijne oogen; en nog dieper werd ik ontroerd, als ik
verder mij omkeerende, het droeve Bethken tegen een huis met het
voorschoot voor het aangezicht zag staan....
De eieren, welke zij mij had geschonken, nuttigde ik dien dag met
kloppend hart; ook eene der beide boterhammen; maar de tweede liet ik
tot aandenken in mijnen ransel. Maanden lang werd zij bewaard; ja,
zoolang, dat zij gansch in morzelen was gevallen. Langer nog bleef het
beeld van het zoete Bethken mij volgen; doch het verzwakte mettertijd,
en er bleef mij niets van over dan de dankbare herinnering aan de zorg
en de vriendschap, door eenvoudige hutbewoners mij bewezen.
Slechts zestien jaren later heb ik het dorp Baelen voor de tweede maal
gezien, en ik heb mij ter plaatse begeven, waar de zieke Belg eens zulke
liefderijke verpleging vond. De hut was verdwenen; niemand wist mij met
eenige juistheid te zeggen, waarheen de ouders van Bethken of zij zelve
waren vertrokken of versukkeld. Men scheen slechts door eene
twijfelachtige herinnering nog te weten, dat daar ooit het leemen
hutteken van eenen armen werkman had gestaan. Een tweede bezoek te
Baelen leverde mij geenen beteren uitslag op.