II

Wij bleven eenige dagen te Oostmalle, op vijf uren gaans van Antwerpen.

Hier kwam mijn vader mij bezoeken, met het inzicht om de bescherming

mijner officiers voor mij in te roepen. Hij bleef lang in gezelschap met

den overste onzer compagnie, die een Franschman was, en sprak

waarschijnlijk met hem over Napoleons tijd, over de roemrijke

wapenfeiten der Fransche legers en over de rampen der keizerlijke

vloten; want toen ik mijnen vader uitgeleide had gedaan en te Oostmalle

wederkeerde, sloeg de overste mij vriendelijk op den schouder, terwijl

hij mij zeide:

"Uw vader heeft _den grooten man_ gediend; hij is een oude zeewolf, die

zijn bloed voor het vaderland heeft gestort. Dit is mij voldoende om

zijnen zoon voor te staan waar ik kan; de brave man hoefde het mij zoo

dringend niet te verzoeken. Ik maak u korporaal; later zullen wij zien

wat ik voor u nog kan doen. Zorg intusschen, dat gij wat soldaat wordet;

maar geef den moed niet op: ik zal mij uws vaders woorden herinneren en

u helpen."

Drie weken later (den 31^{sten} November 1830) te Turnhout werd ik

_fourier_ gemaakt. De titel van onderofficier, welken ik nu bekwam,

klonk mij in de ooren als de aankondiging eener schitterende loopbaan,

en ik schreef naar huis, dat ik God dankte, omdat Hij mij niet alleen

het voornemen had doen opvatten van soldaat te worden, maar nog

daarenboven mij de noodige stoutheid had vergund om het uit te voeren.

Dat ik te midden der woeste vrijwilligers zoo goed in mijnen schik was

en geene merkelijke vernedering meer onderging, dit had ik te danken aan

den officier, die het bevel over mijne compagnie voerde. Hij heette

Schmit, en had, zeide men, van zijne zestien jaar in de jonge _garde_

van Napoleon gediend. Hoog van gestalte en schoon van lichaamsbouw was

hij; uiterst behendig in de schermkunst met sabel en degen, krikkel op

het punt van eer, moedig tot overdrevenheid, vroolijk van inborst en

geestig in al zijne gezegden; daarbij goed van harte en onbekwaam om

iemand leed te doen of met inzicht te bedroeven; in één woord, het ware

beeld van den _Franschen soldaat_, zooals hij ons in poëzie wordt

voorgeschetst.

Deze had mij zichtbaar onder zijne bescherming genomen en waakte met

vaderlijke bezorgdheid en met waren edelmoed over _son petit fourrier_,

zooals hij mij altijd noemde. Aan hem was ik mijne spoedige verheffing

tot fourier verschuldigd.

De onderofficiers, mijne gezellen in de 3^{de} compagnie van het 3^{de}

bataljon der _Jagers-Niellon_, waren insgelijks goede jongens, en hun

gedrag ten mijnen opzichte was even alsof zij samengespannen hadden, om

hun _fourierken_ tegen alle ongeval te verdedigen. Met hen ook had mijn

vader te Oostmalle gesproken. Onder dezen, mijne beschermers en

ambtgenooten, was de sergeant-majoor Collette, van Brussel, en een

sergeant van Luik, met name Deguée, die mij lachende zijnen zoon noemde,

en waarlijk uit rechtzinnige goedheid met de sabel het minste ongelijk

zou hebben gewroken, dat men mij hadde durven aandoen.

Aldus omringd van goede vrienden, gevoelde ik den overgang van den

burgerstand tot het soldatenleven niet anders, dan door de onbeperkte

onafhankelijkheid, welke wij genoten. De vrijwilligers zonder

verbintenis, die de overgroote meerderheid van ons regiment uitmaakten,

toonden zich wars van alle onderschikking en verdedigden hunne

persoonlijke vrijheid tegen den minsten schijn van tucht. Zij gingen

naar huis voor zoovele dagen als het hun beliefde, en keerden weder in

de rangen, zonder dat men hen durfde bestraffen. De officiers hadden nog

geene regelmatige benoeming; het behoud van hun ambt hing af van de

willekeur der mannen, waarover zij moesten bevelen. Hieruit volgde, dat

ieder deed wat hij wilde, en het gansche regiment nog bestond uit vrije

burgers, die geenen krijgsdwang erkenden. Wij hadden geene

soldatenkleeding en oefenden ons niet in den wapen-handel. Wie tweemaal

elken dag op het _appel_ verscheen, was een vlijtig man en mocht zeggen,

dat hij aan al zijne plichten had voldaan. Het overige van den tijd

sleten velen in de herbergen; de anderen bleven ten huize der burgers of

boeren, bij wie zij ingekwartierd lagen; en, dewijl de vaderlandsliefde

der Kempenaars hun de Belgen zeer deed beminnen, werden dezen aanschouwd

en behandeld als waren het leden van het huisgezin.

De vrijwilligers, die men naar hunnen generaal _Chasseurs-Niellon_

noemde, bleven werkeloos in Turnhout of op de naaste dorpen liggen, tot

het einde der maand December. Alsdan vertrokken wij met een sneeuwig

weder naar den kant van Limburg, om, zoo men ons zeide, den vijand in te

wachten, die uit de vesting Maastricht eene krijgsmacht over de heide

naar Holland wilde zenden.

Wat hiervan zij, men hield ons tegen den avond staan op eene onmeetbare

heide, die wel tot eenen voet hoogte met sneeuw was overdekt.

De wind was in het Oosten gekeerd en zoo koud, dat wij ons de handen

voor de ooren hielden, om ze niet te laten bevriezen.

Bevel werd er gegeven, dat wij te dezer plaatse den nacht op bivak

zouden doorbrengen, dit wil zeggen, dat wij op de sneeuw konden slapen,

indien wij niet liever tot den morgen met stampen en armenslaan ons

wilden verwarmen. Onze verwondering was groot; de mijne bovenal.

Ik zag niets voor mijne oogen dan eene onafzienbare vlakte, waarvan de

eentonige witheid het gezicht verbijsterde. Slechts langs één zjjde, op

een vierendeel uurs afstand, begrensde een hoog mastbosch de kimme, en

daarachter wel een uur verre, schoot de klokketoren van een dorp in de

hoogte: het was de gemeente Baelen, op de grenzen der provincie Limburg.

Wij hadden sedert ons vertrek uit Turnhout nog geen voedsel genuttigd.

Dewijl de Belgen sedert de omwenteling immer bij burgers en boeren waren

ingekwartierd geweest, bestond er nog geen voorraaddienst in het leger;

wij hadden diensvolgens het vooruitzicht, dat wij hier zonder eten

zouden blijven.

Zoohaast de moedigsten dezen toestand hadden begrepen, begonnen zij

naar middelen uit te zien om vuur en voedsel te bekomen. Er werden

ploegen of _corvées_ ingericht, om hout uit het mastbosch te halen Nog

geen half uur was het geleden, of honderden mannen kwamen ieder met

eenen sparreboom naar het bivak gesleurd. Voor elke compagnie werd een

vuur ontstoken, dat allengs grooter en grooter wordende, eer het op de

heide donker was, zijne slingerende vlammen tot dertig voet hoog deed

stijgen.

Deze eerste nacht van het bivak liet op mijn gemoed eenen diepen indruk

na;--de nijpende koude vergetend stond ik, uren lang, in stomme

verbazing op het ontzettend schouwspel te staren, dat zich daar voor

mijn oog ontrolde.

Achttien vuren, uit stapels mastboomen in de hoogte golvend, verlengden

hunne rij over de vlakte. De hemel blaakte boven onze hoofden; de sneeuw

zelve scheen te branden; en dewijl, bij het dansen der vlammen, de

vurige tonen van het bloedroode licht dan eens met de helderheid des

bliksems, dan weder met vale rosheid over de heide golfden, was het voor

de oogen en voor den geest, alsof eene onstuimige zee van onzichtbaar

vuur over de sneeuw hadde gevlot...

Bij elken gloed, als een zwerm duivels rond het vuur krielend, zag men

de donkere schimmen der vrijwilligers tegen de vlammen zich uitlossen,

in menigte gaan en komen, boomen op het vuur werpen, of den brandstapel

met geweld omrukken, ten einde zijne woede nog aan te hitsen. Op zulk

oogenblik gingen gansche wolken gensters en brandende vonken ten hemel

en dreven als een groot vuurwerk over het leger.

Door de eentonige nachtstilte der vlakte klonk het even eentonig, doch

ontzaglijk gekraak der duizende boomstammen, die eenige oogenblikken

vroeger nog groen in het woud stonden te groeien en nu, in den schoot

der vlammen, als dunne twijgen werden verslonden. Tusschen dit

overheerschend gerucht galmde de stem der vrijwilligers, die elkander

bij hunne namen riepen; soms ook wel ontstond in de verte het lied _en

avant, marchons_! of men hoorde het noodgehuil van een varken, dat men

bezig was met kelen, of het gebrul eener koe, die door onze _maraudeurs_

of voedselzoekers uit een naburig gehucht was weggehaald.

Omtrent mij werd een kalf met sabelhouwen neergeveld en oogenblikkelijk,

zooals het was gevallen, in stukken gehakt.

Een sergeant duwde mij eenen lap vleesch in de hand; en, de anderen

navolgend, begon ik het aan het reusachtig vuur te braden.

Vermits wij niet dicht bij den gloed konden naderen, staken wij het

vleesch op de punt van den laadstok onzes geweers en hielden het aldus

op eenen afstand in de vlam. Wanneer het dan eenigszins was verbrand,

aten wij het gebraden gedeelte er af, en herhaalden deze handeling

totdat er ons niets meer van het vleesch overschoot.

Bijna den ganschen nacht bleven wij te been; doch tegen den morgen

overviel ons eene onoverwinnelijke slaapzucht. Velen legden zich neder,

op vier of vijf stappen van het vuur, en sluimerden op den grond even

goed als in een donzen bed.

Niets aan het lijf hebbend dan eenen lijnwaden kiel over mijn zwart

schoolkleed, zat ik als gevoelloos rond te staren. Mijn aangezicht en

mijne borst waren brandend van den blaak des vuurs, terwijl mijn rug,

door den scherpen oostenwind aangedaan, schier bevroor van koude.

Allengs verzwaarde mijn hoofd; ik legde mij neder, blikte nog eene wijl

in de vlammen, en viel dan in slaap.

Toen ik twee uren later ontwaakte en meende op te staan, was het mij

onmogelijk. Men had het vuur laten verzwakken, en het water van de

gesmolten sneeuw was onder mij vastgevrozen. Men moest letterlijk met

sabelhouwen mijnen kiel van den grond loshakken, vooraleer ik mij

oprichten kon. Ik bibberde van koude; mijne ledematen waren verstijfd;

ik was bleek en gansch moedeloos.

Zoo bleven wij drie dagen en drie nachten, zonder ander voedsel dan wat

er werd geroofd, op de sneeuw rond de groote vuren gelegerd. Reeds den

tweeden dag had het zonderling schouwspel zijne aantrekkelijkheid voor

mij verloren; ik bewoog mij langzaam en voelde iets in mij, alsof ik

ziek worden ging. Mijne vrienden der compagnie bemerkten het wel; zij

omringden den _petit fourrier_ met de liefderijkste zorgen en hadden

zelfs eenen bussel hooi gebracht om hem er op te laten slapen.

Den derden dag was het mij nog erger; ik zat ineengekropen onder eenige

boomstammen, die men als beschutting tegen den wind had opgericht; ik

dacht aan mijnen vader, aan mijn leven in de kluis, aan mijnen broeder

en aan alles, wat ik op aarde meest beminde....

De sergeant Deguée, mijn goede beschermer, wilde mij naar den

regimentsdokter leiden om een briefje tot inkwartiering te Baelen te

bekomen; doch het kwetste mijne fierheid zoo diep, te moeten zwichten

voor iets, waaraan mijne meeste gezellen wederstonden, dat de schaamte

mij nog meer deed lijden dan mijne onpasselijkheid. Ik had mij _man_

gewaand, en ik bezweek als een _kind_ onder koude en derving van gewoon

voedsel! In mijne spijt antwoordde ik mijne vrienden, dat men om mij

niet moest bezorgd zijn, dat het wel zou overgaan, en meer andere

machtspreuken, die slechts de laatste teekenen waren mijner worsteling

tegen het noodlot, dat mij vernederen zou.

In den namiddag waren er eindelijk karren met voorraad in het bivak

verschenen, en ik werd geroepen, om als fourier de mannen van _corvée_

naar de karren te vergezellen. Ofschoon de koorts mij schrikkelijk deed

beven en mij nauwelijks toeliet op mijne beenen te staan; alhoewel de

pijn in het hoofd mij verbijsterde, begaf ik mij vooruit en toonde mij

bereid tot het volvoeren van mijnen dienst; doch de officier Schmit

wilde het niet toelaten, en liep zelf om den bataljonsdokter te halen.

Deze gaf mij een briefje, waarmede ik naar Baelen zou gaan; en de

burgemeester zou mij, bij het vertoonen van het schrift, in een huis van

het dorp doen herbergen.

De tranen schoten mij in de oogen, toen ik op het gelaat mijner vrienden

zulk diep medelijden met mijnen ellendigen toestand bespeurde. De

sergeantmajoor Collette en de sergeant Deguée dwongen mij tot het

aanvaarden van geld; een korporaal van Verviers, met name Fabry, stak

eene halve zijde gerookt spek in mijnen ransel; want, zeide hij, er was

op een uur in het ronde niets meer te vinden, en het vleesch kon mij van

dienst zijn.

[Illustration: Ik klopte en bleef kloppen: men opende niet.]

Dus beladen met wenschen tot herstelling en met allerlei bewijzen van

vriendschap, begaf ik mij op weg naar het dorp Baelen. Ik stapte

langzaam en rustte dikwijls. De vermoeidheid zich bij de ijzing der

koorts voegende, werd ik eindelijk zoo moedeloos, dat ik mijne handen

schier op mijn geweer liet bevriezen, zonder nog de kracht te hebben om

het zware wapen van schouder te veranderen.

Toen ik, dus voortsukkelend, het dorp bereikte, was het donker geworden.

De huizen waren gesloten en ik zag er geene boeren op de straat; slechts

vrijwilligers, die het bivak waren ontloopen, zwermden er rond en

sloegen, onder ruw geschreeuw, met de kolf des geweers tegen de deuren,

om te worden binnengelaten.

Men wees mij het huis des burgemeesters; ik klopte en bleef kloppen: men

opende niet. Dan, eindelijk antwoordde men mij van boven uit een

venster, dat er geen logement in het dorp meer was, en dat de generaal

zelf verboden had nog eenen enkelen _Belg_ te herbergen.

Ik bleef eene wijl verpletterd staan, en zou wellicht voor de deur des

burgemeesters mij neergelegd hebben; doch mijne koorts en mijne

hoofdpijn waren verminderd. Het gevoel des hongers verkrampte mijn

ingewand.

Door den nood voortgezweept, klopte ik op de deuren der huizen,

waarbinnen ik nog licht zag; aan de meeste kreeg ik geen antwoord; de

overige waren opgevuld met vrijwilligers, die vloekten en tierden, dat

zij geene levende ziel meer zouden binnenlaten.

De wanhoop vervulde mij het hart. Krachteloos, uitgeput van vermoeidheid

en schier bezwijkend van honger, geraakte ik tot bij de laatste huizen

des dorps: overal vergeefsche moeite om toegelaten te worden ... en

sterkmoedigheid, om de deuren aan stukken te slaan of de lieden te

dwingen, ontbrak mij gansch!

Dáár zag ik eensklaps in de verre velden een lichtje! Men moge er om

lachen; maar dat lichtje, evenals in het vertelsel van _Duimken_ en in

vele andere volksvertellingen, blonk mij in de oogen als eene star der

hoop. Ik stapte er op aan en bleef, om het te bereiken, wel vijfmaal

verder gaan dan ik had verwacht.

Het was een klein, leemen huisje, tegen de baan naar Roslaer. Ik klopte,

en men opende oogenblikkelijk.

Een schreeuw van schrik ontvloog den inwoners, als zij mij met het

geweer in de hand zagen binnentreden, en zij begonnen smeekend mij te

zeggen, dat zij niets meer bezaten. Men had hunne kiekens en hunne

eenige geit beroofd; zelfs hun laatste brood hadden de Belgen

weggehaald.

Ik zeide hun, dat ik ziek was, vertelde in weinige woorden, hoe ik in

het dorp vruchteloos had gebeden en gesmeekt om een nachtverblijf, en

eindigde met hun om een plaatsken in hunne hut te verzoeken, totdat de

morgen kwame.

Mijne jonkheid en de klagende toon mijner stem troffen de goede lieden;

zij wezen mij eenen stoel bij het smeulend vuur, hielpen allen te gelijk

om den ransel van mijne schouders te krijgen, en zeiden mij onder

betuigingen van vriendschap en medelijden, dat hun huisje gansch tot

mijnen dienst stond. Een bed konden zij mij niet geven; maar op de

schelf, boven het geitenstalleken, lag hooi: daarin kon ik slapen, en de

baas zou wel zorgen, dat ik er geene koude leed. Geen ander eten was er

in huis dan een zwart roggebrood, dat ergens voor de rondzoekende

vrijwilligers was verborgen geweest; van dit brood mocht ik nemen wat

mij beliefde.

De hut was bewoond door eenen man en zijne vrouw en door hunne dochter,

een meisje van omtrent de zeventien jaar. Deze laatste beklaagde den

armen _Belg_ met luider stemme, en aanschouwde hem met zulk liefderijk

medelijden, dat haar zoete blik alleen mij troost in den boezem goot en

mij als het ware uit de moedeloosheid opriep.

Ik wilde den lieden geld geven: doch man en vrouw stonden met

verontwaardiging tegen mijn aanbod op. Konden zij iets ten mijnen

dienste er voor bekomen, dan zouden zij het wel aanvaarden; maar er was

nergens in de gansche gemeente iets voor geld te bekomen.

Dan slechts schoot mij te binnen, dat korporaal Fabry eenige ponden spek

in mijnen ransel had gestoken. In allerhaast sneed ik er van aan

stukken; de pan werd over het vuur gehangen ... en weinige oogenblikken

later zat ik met mijne nieuwe huisgenooten aan den disch.

Ik vertelde van mijne ouders, van mijn vorig leven en van mijn

wedervaren op het bivak. Eer ik mij tot de rust begeven zou, waren wij

alle vier zulke goede vrienden en bekenden, alsof ik sedert mijne

kindsheid van het huisgezin hadde deelgemaakt.

De man bracht mij boven het stalleken, maakte eene diepte in het hooi,

deed mij er in nederliggen, schikte dan nog meer hooi boven mijn lichaam

en op mijne voeten, en wenschte mij dan den goeden nacht.

Welhaast doordrong eene milde warmte mijne leden, en met haar stroomde

er nieuw leven mij door het hart. Mij dacht, een koning, op het fijnste

zwanendons rustend, kon niet zoo zacht en zoo verkwikkend liggen als ik

nu, tusschen het gastvrije hooi boven den geitenstal lag uitgestrekt. Ik

dankte God met innig gevoelde erkentenis om Zijne goedheid,--en,

zwemmend op den zoelen stroom van allerlei blijde gedachten, viel ik in

eenen wellustigen sluimer.

Des morgens wekte men mij niet; het was reeds lang dag, eer ik van zelf

ontwaakte.

Toen ik beneden kwam, vond ik de koffie op de tafel staan en de goede

lieden die op mij hadden gewacht om te ontbijten. Mijn blik viel op het

meisje; zij lachte mij eenvoudig, doch zoo minnelijk toe, dat ik het

hoofd boog, en schaamrood op mijn voorhoofd voelde klimmen.

Omtrent den middag kwam er een officier, vergezeld van eene talrijke

wacht, wien gelast was al de huizen te doorzoeken en de vrijwilligers

naar het bivak te doen terugkeeren. Het briefje van den dokter

beschermde mij tegen de uitdrijving.

De koorts greep mij in den vooravond weder aan, evenwel met minder

hevigheid; en na drie telkens verminderde aanvallen, was ik gansch

genezen.

Zoo bleef ik omtrent tien dagen in de hut, meesttijds bij het vuur onder

den schouwmantel gezeten en in stille, diepe mijmering mijn oog op de

jonge maagd houdend, die niet verre van mij zat te spinnen. Wanneer ik

aan de minste beweging van haar hoofd kon raden, dat zij den blik tot

mij ging richten, keerde ik met schuchterheid mijn gezicht ter zijde.

Zij scheen mij schoon, de tengere, zoete maagd, met hare frissche wangen

en helderblauwe oogen! Zoo schoon en zoo zuiver, dat zij mij voorkwam

als een engellijk beeld, omhuld met eenen wasemkring van kuischheid en

van betooverende onnoozelheid. In mijn eenvoudig gemoed wenschte ik, dat

God mij hadde toegelaten haar broeder te zijn. Hoe gelukkig en hoe blijde

hadde ik mijn leven aan hare zijde gesleten!

Des avonds, wanneer moeder en vader ook rondom het vuur gezeten waren,

dan moest ik vertellen. Omdat ik wist, dat het Bethken vermaak deed,

spande ik al de krachten mijner verbeelding in, en ik schiep en

schilderde de zonderlingste voorvallen, die mijne toehoorders zoozeer

boeiden, dat zij uren lang, met gapende monden, op mijne verhalen

luisterden. De ziel der maagd, terwijl zij dus met hare groote oogen mij

aanschouwde, scheen op haar gelaat te zweven: onder den indruk van haren

hemelreinen blik voelde ik de macht mijns geestes verdubbelen: ik werd

_dichter_ door de opwelling van een voor mij nog onbewust gevoel....

Bethken was ten uiterste in haren schik met _onzen Belg_, zooals zij mij

noemde; zij roemde zijn verstand als eene wonderheid; zij was hem

vriendelijk en nam hem bij de hand, wanneer zij hem ter tafel wilde

roepen; maar haar voorhoofd bleef leliewit, en als het schaamrood mijne

wangen kleurde, glimlachte zij met schuldelooze vrijheid.

Op eenen namiddag kwam een korporaal mijner compagnie mij verwittigen,

dat het regiment des anderen daags 's morgens, te negen uren, het bivak

zou verlaten, om naar de kanten van Gheel of van Moll te vertrekken, en

dat ik mij gereed moest houden om de compagnie te volgen, hetzij te voet

of op een der vrachtkarren.

Dien avond vertelde ik geene vertelsels, wij waren allen in stilte

rondom het vuur gezeten en treurden over het noodlottig afscheid.

Bethken jammerde over _haren armen Belg_, die zeker in het woeste en

harde soldatenleven weder ziek zou worden, ik betuigde den goeden lieden

mijnen dank en deed geweld om bij de herhaalde bewijzen van zoete,

zusterlijke genegenheid, mij door Bethken gegeven, niet in tranen los te

barsten.

Des anderen daags 's morgens, toen wij in de verte de marschtrommen

hoorden, gaf Bethken mij twee boterhammen en twee hardgekookte eieren,

welke zij van de meid des pastoors had gekregen: die moest ik, of ik

wilde of niet, in mijnen ransel steken. Dan volgde het treurig afscheid;

wij drukten elkaar met vochtige oogen de hand, en de goede lieden

beloofden, dat zij God voor mij zouden bidden.

Bethken volgde _haren Belg_ van verre, tot in het dorp, waar mijn

regiment juist op de groote baan verscheen. Ik voegde mij in den rang

der onderofficieren mijner compagnie, die over mijne wederkomst

jubelden, terwijl zij met blijdschap riepen: "Ah, daar is ons

fourierken!"

In het voorbijtrekken zag ik Bethken nog; ik boog het hoofd, want er

sprongen tranen in mijne oogen; en nog dieper werd ik ontroerd, als ik

verder mij omkeerende, het droeve Bethken tegen een huis met het

voorschoot voor het aangezicht zag staan....

De eieren, welke zij mij had geschonken, nuttigde ik dien dag met

kloppend hart; ook eene der beide boterhammen; maar de tweede liet ik

tot aandenken in mijnen ransel. Maanden lang werd zij bewaard; ja,

zoolang, dat zij gansch in morzelen was gevallen. Langer nog bleef het

beeld van het zoete Bethken mij volgen; doch het verzwakte mettertijd,

en er bleef mij niets van over dan de dankbare herinnering aan de zorg

en de vriendschap, door eenvoudige hutbewoners mij bewezen.

Slechts zestien jaren later heb ik het dorp Baelen voor de tweede maal

gezien, en ik heb mij ter plaatse begeven, waar de zieke Belg eens zulke

liefderijke verpleging vond. De hut was verdwenen; niemand wist mij met

eenige juistheid te zeggen, waarheen de ouders van Bethken of zij zelve

waren vertrokken of versukkeld. Men scheen slechts door eene

twijfelachtige herinnering nog te weten, dat daar ooit het leemen

hutteken van eenen armen werkman had gestaan. Een tweede bezoek te

Baelen leverde mij geenen beteren uitslag op.

De omwenteling van 1830 · 第 8 / 15 题