HOOFDSTUK XIII

Van den terugkeer van Gil Blas in zijn kasteel. Van de vreugde,

die hij had de kleine Séraphine weer te zien en op welke dame hij

verliefd werd.

Wij maakten geen groote dagreizen en hadden veertien dagen noodig om

te Lirias te komen. Het gezicht van mijn kasteel wekte eerst droevige

gedachten bij mij op, omdat het mij herinnerde aan Antonia; maar er

waren twee-en-twintig jaren sinds haar dood voorbijgegaan en mijn

smart was gesleten.

Béatrix en haar dochter kwamen ons hartelijk welkom heeten. Ik vond

het jonge meisje zeer bekoorlijk.

"Hoe is 't mogelijk!" riep ik uit, "dat dit de kleine Séraphine is! We

moeten er aan gaan denken haar uit te huwelijken."

"Wel beste peetvader!" zei het meisje en zij bloosde een weinig,

"u ziet mij nog maar een oogenblik en nu wilt ge u al van mij ontdoen!"

"Neen, mijn kind," antwoordde ik, "wij willen geen man voor u, die u

ons ontneemt, maar een die, om zoo te zeggen, met ons kan samenleven."

"Er heeft zich al iemand voorgedaan," zei Béatrix. "Een jonge edelman

uit deze streek heeft Séraphine in de mis gezien en is verliefd op haar

geworden. Hij is bij mij gekomen en heeft zijn liefde geopenbaard,

maar ik heb hem natuurlijk gezegd, dat de beslissing afhing van haar

vader en van den heer van het kasteel. Nu ge beiden teruggekomen zijt,

kan hij zich tot u wenden."

"Wat voor man is het?" vroeg Scipio. "Is hij trotsch op zijn adel en

ziet hij laag op ons neer?"

"O neen, hij is een zeer zachte en beleefde jongeman, met een goed

uiterlijk en nog geen dertig jaar oud."

"Ge geeft ons daar een mooi portret," zei ik. "En hoe heet hij?"

"Don Juan de Jutella," antwoordde de vrouw van Scipio. "Hij woont op

zijn kasteel op een uur afstand van hier met zijn zuster."

"Ik heb vroeger," zei ik, "van die familie hooren spreken. Ze behoort

tot den voornamen adel van Valencia."

"Op zijn karaktereigenschappen let ik meer dan op zijn adel,"

zei Scipio.

Séraphine beantwoordde haar vader door te zeggen, dat de jonge man

in zijn omgeving zeer werd geacht, waarna hij en ik elkaar aankeken

en begrepen, dat de galant het meisje niet onverschillig was.

Reeds spoedig maakten wij kennis met hem, want hij kwam ons twee dagen

later op het kasteel bezoeken. Als buurman kwam hij ons gelukwenschen

met onze terugkomst en ons welkom heeten.

De jongeman maakte op mij een zeer gunstigen indruk. Hij sprak nog

niet van zijn liefde, maar gaf wel den wensch te kennen, dat wij,

als goede buren, elkaar dikwijls zouden zien.

Toen hij weg was, vroeg Béatrix hoe wij over hem dachten. Zoowel Scipio

als ik meende, dat zich voor Séraphine geen betere partij kon voordoen.

Den volgenden dag brachten Scipio en ik een tegenbezoek aan don Juan

de Jutella. Zijn antiek kasteel lag in een bosch, aan den voet van

een berg. Het gebouw was min of meer vervallen, maar goed gemeubileerd.

Don Juan ontving ons in een zaal, waar hij ons aan een dame voorstelde,

zijn zuster Dorothea, die ongeveer twintig jaar kon zijn. Zij was

sierlijk gekleed, alsof ze bezoek had verwacht en ze was bekoorlijk. Ze

maakte op mij denzelfden indruk als vroeger Antonia deed, dat is te

zeggen, dat ik verlegen was, maar ik wist mijn verlegenheid zoo goed

te verbergen, dat ze zelfs Scipio niet opviel.

Onze gastheer sprak nog niet van zijn liefde voor Séraphine. Wij

onderhielden ons eenigen tijd aangenaam en ik kon daarbij mijn oogen

moeilijk van Dorothea afhouden.

Toen wij naar huis terugkeerden, sprak ik onophoudelijk van haar.

"Wel mijnheer," zei Scipio, "ge houdt u zoo druk bezig met de zuster

van don Juan! Ge zijt toch niet verliefd op haar?"

"Ja, mijn vriend," antwoordde ik en ik werd rood van schaamte. "Sinds

den dood van Antonia, heb ik duizend mooie vrouwen gezien, die mij

onverschillig lieten. Moet ik nu op mijn leeftijd nog verliefd worden,

zonder dat ik mij daartegen kan verdedigen?"

"Ge moest u daarover verheugen, inplaats van u te beklagen," zei

Scipio, "ge zijt nog niet op een leeftijd, dat het belachelijk is,

om verliefd te zijn en uw uiterlijk is nog goed genoeg, om een meisje

te bevallen. Geloof mij, als ge don Juan weerziet, vraag hem dan

zijn zuster. Hij zal u haar niet weigeren, vooral niet, omdat ge ook

van adel zijt. Na vier of vijf geslachten, zal dat van Santillano

misschien een der schitterendste zijn."

De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 2 van 2 De Spaansche Avonturier · 第 94 / 98 题