HOOFDSTUK XII

Van wat er op het kasteel de Loeches gebeurde, na den dood van den

graaf-hertog en wat Gil Blas deed.

Onze meester werd, zooals hij gewenscht had, op eenvoudige wijze

begraven. Daarna liet mevrouw het testament lezen, waaruit bleek,

dat alle bedienden goed waren bedacht. Mijn legaat was het grootste;

ik kreeg tienduizend pistolen, als blijk van de ongewone genegenheid,

die hij voor mij had gehad.

Mevrouw zond alle bedienden naar Madrid, waar de intendant don Raimond

Caporis de legaten uitbetaalde. Ik kon niet meegaan, want ik was

ziek. Zeven of acht dagen moest ik te bed blijven en in dien tijd

verliet de Dominicaner-priester, die de biechtvader van mijn meester

was geweest, mij bijna niet.

De goede geestelijke, die vriendschap voor mij gevoelde en belang

stelde in mijn heil, vroeg mij toen ik begon te herstellen, wat ik

wilde gaan doen.

"Ik weet het nog niet vader, er zijn oogenblikken, dat ik mij in een

cel zou willen opsluiten voor boetedoening."

"Profiteer van die oogenblikken mijn zoon. Ik zou u aanraden u in ons

klooster te Madrid terug te trekken. Word er een weldoener van, door

het uwe goederen te schenken en sterf als een heilige Dominicaner. Er

zijn veel menschen, die een wereldsch leven zoo eindigen."

In den gemoedstoestand, waarin ik mij op dat oogenblik bevond, was

ik wel geneigd den raad van den priester te volgen. Maar Scipio,

die een oogenblik later bij mij kwam, bracht mij tot andere gedachten.

"Wel foei! mijnheer de Santillano. Dat is een ziekelijke gedachte! Is

uw kasteel te Lirias niet een aangenaam verblijf? Vroeger hadt ge

daar reeds zulk een genoegen in en bij het klimmen van de jaren moet

het grooter zijn geworden."

Scipio hoefde niet veel moeite te doen om mij van plan te doen

veranderen en ik besloot naar mijn kasteel terug te gaan.

Zoodra ik hersteld was, ging ik naar Madrid, waar ik mijn legaat in

ontvangst nam en orde stelde op mijn overige zaken.

Met Scipio sprak ik af, dat hij me zou vergezellen naar Lirias. Den

avond voor ons vertrek vroeg ik hem, of hij afscheid had genomen van

don Henri.

"Ja," antwoordde hij, "wij zijn vanmorgen in der minne gescheiden. Hij

heeft mij gezegd, dat het hem speet, dat ik heenging; maar al was hij

tevreden over mij, ik was het weinig over hem. Het is niet voldoende,

dat de knecht den meester bevalt, de meester moet den knecht ook

bevallen, anders passen zij niet bij elkaar. Overigens maakt don

Henri zoowel aan het hof als in de stad een treurig figuur. Er was

geen eer aan te behalen."

Zoo vertrokken wij dus weer uit Madrid en sloegen den weg in naar

Cuença. Scipio en ik zaten met een koetsier in een wagen, getrokken

door twee muilezels. Daarachter kwamen drie muilezels, beladen met

ons geld en ons goed en bij ieder een drijver. Al die mannen waren

gewapend met sabels en pistolen en daarachter volgden twee tot aan

de tanden gewapende lakeien. Wij waren dus met zeven man, waarvan er

zes dapper waren en behoefden niet bang te zijn voor onze veiligheid.

In de dorpen, waar wij doorreden, kwamen de boeren op het geluid van de

schelletjes, die onze muilezels droegen, naar buiten, om onze equipage

te bewonderen. Het scheen hun zeker wel, of er een grande op weg ging,

om ergens het ambt van onderkoning te gaan bekleeden.

De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 2 van 2 De Spaansche Avonturier · 第 93 / 98 题