De graaf-hertog wordt plotseling somber en droomerig. Van de
wonderlijke oorzaak van zijn droefgeestigheid en haar verdrietige
gevolgen.
Mijn meester had er soms ook genoegen in, om in zijn tuin te
werken. Lachend sprak hij dan wel eens van een minister, die verbannen
was geworden van het hof en nu tuinman was te Loeches.
We waren allen verheugd, dat onze meester zulk een genoegen schepte
in een leven, zoo geheel verschillend van hetgeen hij tot nog toe
had geleid. Tot ons groot leedwezen bemerkten wij echter na eenigen
tijd, dat hij veranderde. Hij werd somber en verviel in een diepe
droefgeestigheid. Met ons spelen deed hij niet meer en alles wat wij
trachtten te doen om hem te verstrooien, scheen hem onverschillig te
laten. Eerst dachten we, dat het verdriet over het verlies van zijn
hooge positie weer was teruggekomen. De woorden van zijn biechtvader
echter, die hem vroeger zoo goed met dit verlies hadden kunnen
troosten, bleven thans zonder uitwerking.
Het kon niet anders of deze toestand moest een geheime oorzaak hebben,
die hij ons niet wilde meedeelen.
"Mijnheer," vroeg ik, toen ik eens alleen met hem was, met een
mengeling van eerbied en genegenheid, "mag Gil Blas zijn meester een
vraag doen?"
"Zeker. Spreek maar," antwoordde hij.
"Wat is er geworden van de tevreden uitdrukking, die eenigen tijd
geleden nog op uw gelaat lag? Doet het verlies van uw verloren positie
u opnieuw verdriet?"
"Neen, ik denk in het geheel niet meer aan wat ik vroeger ben geweest,
alle eerbewijzen heb ik voor altijd vergeten."
"Maar waarom hebt ge dan geen kracht u te verzetten tegen een
droefgeestigheid, die ons allen zoo ongerust maakt? Wat is er toch,
mijn goede meester? Kunt ge er een geheim van maken voor Santillano,
wiens trouw en bescheidenheid ge kent? Door welk ongeluk kan ik uw
vertrouwen hebben verbeurd?"
"Dat bezit ge nog altijd, maar ik zie er tegen op om te spreken over
hetgeen mij in zulk een droevige stemming brengt. Ik kan alleen aan
een dienaar en vriend als Santillano een dergelijke vertrouwelijke
mededeeling doen. Ik ben ten prooi aan een sombere zwaarmoedigheid,
die het eind van mijn leven verhaast. Voortdurend word ik achtervolgd
door allerlei nare visioenen, die zich aan mijn oogen voordoen. Al
is mijn hoofd sterk genoeg om mij te zeggen, dat dergelijke zaken
niets te beteekenen hebben, ze keeren steeds terug."
Met verwondering had ik hem aangehoord; ik begreep nu, dat hij
ziek was.
"Mijnheer," vroeg ik, "kan het misschien ook een gevolg zijn van
onvoldoende voeding? U eet zoo weinig."
"Dat heb ik ook gedacht en daarom heb ik sinds eenige dagen meer
gegeten, maar het is alles nutteloos! Het spookbeeld verdwijnt niet."
Weinig tijd daarna werd de graaf-hertog ziek. Hij gevoelde, dat
zijn toestand ernstig was en ontbood een notaris, die zijn testament
moest opmaken.
Ook kwamen er drie beroemde geneesheeren bij hem, die de reputatie
hadden, dat zij soms hun zieken genazen en die naar het voorbeeld
van dokter Sangrado begonnen met aderlatingen en dat zes dagen
volhielden. Den zevenden dag was hij bevrijd van visioenen.
Na den dood van onzen meester heerschte er in het kasteel te Loeches
een oprechte droefheid. Alle bedienden beweenden hem. Wel verre van
ons te troosten met de zekerheid in het testament te staan, was er
niet een, die niet gaarne afstand zou hebben gedaan van zijn legaat,
om onzen heer weer in het leven te kunnen roepen.
Wat mij betreft, ik, die zoo aan hem was gehecht, heb, geloof ik,
bij den dood van Antonia niet meer tranen vergoten, dan bij den zijne.