Van de onaangenaamheden en de zorgen, die eerst de rust van den
graaf-hertog verstoorden en van de gelukkige vrede, die daarop
volgde. Van de bezigheden van mijn meester in zijn eenzaamheid.
Mevrouw d'Olivarès liet haar man naar Loeches vertrekken en bleef
nog eenige dagen aan het hof, om te beproeven, of zij door gebeden
en tranen niet bewerken kon, dat hij werd teruggeroepen. Maar haar
moeite was vergeefsch; de koning lette niet op haar en de koningin,
die haar doodelijk haatte, zag haar tranen met genoegen vloeien. De
echtgenoote van den minister gaf het niet op, zij ging zelfs zóó ver,
dat ze de hofdames van H. M. om bemiddeling smeekte, maar het eenige
resultaat was dat zij minachting in plaats van medelijden opwekte.
Troosteloos kwam zij bij haren echtgenoot aan, om zich met hem te
beklagen over het verlies van een plaats, die onder een regeering
als van Filips II misschien de eerste was in het koninkrijk.
Zij deelde hem mee, dat de hertog de Médina-Colli en de andere grandes,
die hem haatten, niet ophielden den koning te prijzen om den val van
den minister en dat het volk in onbeschaamde vreugde zijn ongenade
toejuichte.
Hij zei tot haar: "Troost u, zooals ik het mijzelf tracht te doen. Het
onweer was niet af te wenden. 't Is waar, ik had gehoopt dat ik mijn
positie zou kunnen handhaven tot het eind van mijn leven. Gewone
illusie van ministers en gunstelingen, die vergeten, dat hun lot van
hun souverein afhangt. Is de hertog de Lerme niet bedrogen uitgekomen
evenals ik, hoewel hij meende, dat het purper, waarmee hij bekleed was,
zijn macht waarborgde?"
Op die wijze trachtte hij zijn vrouw te troosten, maar zelf werd hij
iederen dag opnieuw ontstemd door tijdingen, die hij van don Henri
kreeg, die in Madrid was gebleven om mijn meester nauwkeurig op de
hoogte te houden van al wat daar voorviel.
Het was meestal Scipio, die deze brieven bracht, met bijna altijd
slechte tijdingen. Het bleek daaruit, dat de grandes niet slechts
openlijk hun vreugde betuigden over den val van den minister, ze
hadden het ook toegelegd op den ondergang van personen, die door
hem in betrekkingen waren geplaatst en wisten te bewerken, dat in de
opengevallen plaatsen zijn verklaarde vijanden werden benoemd.
Men kon zeggen, dat mijn meester in de eerste drie maanden niets
anders ondervond dan verdriet. Gelukkig verstond zijn biechtvader,
een even vroom als welsprekend man, de kunst hem te troosten.
De gravin hield zich veel op in het klooster, dat door haar was
gesticht en waarvan de zusters deden wat zij konden, om haar bitter
leed te verzachten.
Met den tijd werd mijn meester rustiger, hij wandelde veel met zijn
biechtvader en mij en vermaakte zich na het diner altijd eenige uren,
door met ons te spelen.
Op een dag, dat ik alleen met hem was, zei ik: "Mijnheer, veroorloof
mij u te zeggen, dat ge er veel opgewekter begint uit te zien. U
schijnt u aan uw nieuw leven te gaan gewennen."
"Ik ben daar al aan gewoon," zei hij, "al ben ik zoo langen tijd steeds
door allerlei zaken in beslag genomen geweest, van dag tot dag krijg
ik meer genoegen in het stille en vreedzame leven, dat ik nu leid."