Van de revolutie in Portugal en de ongenade van den graaf-hertog.
Weinige dagen na de terugkomst van den koning werd in Madrid een
slechte tijding verspreid. Men vernam, dat de Portugeezen, die den
opstand in Catalonië beschouwden als een gunstige gelegenheid, die de
fortuin hun bood om het Spaansche juk af te schudden, de wapenen hadden
opgenomen en tot hun koning hadden gekozen den hertog van Braganza,
dien zij op den troon hoopten te handhaven, omdat Spanje toen gebukt
ging onder de vijandschap van Duitschland, Vlaanderen en Catalonië.
Zonderling was, dat de eerste minister, terwijl het hof en de geheele
stad in onrust waren, met den koning wilde schertsen, ten koste van
den hertog van Braganza.
Filips deed daaraan niet mee en zette zulk een ernstig gezicht,
dat de graaf-hertog daarvan ontstelde en een voorgevoel kreeg
van zijn ongenade. Hij beschouwde zijn val als zeker, toen hij
vernam, dat de koningin zich openlijk tegen hem had verklaard en hem
beschuldigde, door zijn slecht beheer den opstand in Portugal te hebben
veroorzaakt. De meeste grandes en voornamelijk zij, die tevergeefs
naar Saragossa waren gegaan, sloten zich bij de koningin aan en een
dreigend onweer pakte zich samen boven het hoofd van den minister.
Toen het mijn meester bekend werd, dat de koning naar zijn vijanden
luisterde, schreef hij den koning een brief, waarin hij hem ontheffing
van zijn ambt verzocht en verlof om zich van het hof te verwijderen,
daar men alle ongelukken die de monarchie overkwamen, aan zijn
beleid weet.
Hij meende, dat die brief een groote uitwerking zou hebben en dat
de koning nog genoeg vriendschap voor hem had overgehouden om niet
toe te stemmen in zijn verwijdering. Maar al het antwoord, dat hij
kreeg, was, dat de koning verklaarde zijn verzoek in te willigen en
hem toestond zich te begeven, waarheen hij wilde.
Die woorden, door den koning zelf geschreven, troffen hem als een
donderslag. Maar hij deed of hij zijn gewone bedaardheid behield en
vroeg mij, wat ik in zijn plaats zou doen.
"Ik zou," antwoordde ik hem, "de zaak gemakkelijk opvatten en op een
van mijn landgoederen gaan wonen."
"Je denkt verstandig," antwoordde hij. "En ik heb ook wel lust om dat
te doen, maar ik zou toch nog gaarne éénmaal een onderhoud met den
koning hebben. Het zal mij niet moeilijk vallen hem aan te toonen,
dat ik menschelijkerwijze gesproken, alles heb gedaan, wat ik kon
doen en dat ik de treurige gebeurtenissen, die men mij verwijt, niet
heb kunnen voorkomen, evenmin als een bekwame loods het helpen kan
als wind en golven het schip meesleepen."
De minister vleide zich nog dat hij, door met den koning te spreken,
de zaken kon herstellen en het verloren terrein herwinnen. Maar de
audientie werd hem niet verleend en bovendien liet men den sleutel
terugvragen, waarvan hij zich bedienen kon om vrij in de koninklijke
appartementen te komen.
Daar hij nu zag, dat hem geen hoop meer overbleef, besloot hij
zich terug te trekken. Hij doorzocht alle papieren, verbrandde er
uit voorzichtigheid vele van en gaf bevel, dat men alles voor zijn
vertrek in gereedheid zou brengen.
Hij vreesde door het volk beleedigd te worden en vertrok daarom 's
morgens zeer vroeg door een achterdeur, in een eenvoudig rijtuig,
met zijn biechtvader en mij.
Wij gingen naar Loeches, een dorp, waarvan hij heer was en waar zijn
vrouw een prachtig nonnenklooster had laten bouwen.
Binnen vier uren kwamen wij in het dorp aan en de andere personen
van het gevolg bereikten het eenigen tijd later.