HOOFDSTUK IX

Van de revolutie in Portugal en de ongenade van den graaf-hertog.

Weinige dagen na de terugkomst van den koning werd in Madrid een

slechte tijding verspreid. Men vernam, dat de Portugeezen, die den

opstand in Catalonië beschouwden als een gunstige gelegenheid, die de

fortuin hun bood om het Spaansche juk af te schudden, de wapenen hadden

opgenomen en tot hun koning hadden gekozen den hertog van Braganza,

dien zij op den troon hoopten te handhaven, omdat Spanje toen gebukt

ging onder de vijandschap van Duitschland, Vlaanderen en Catalonië.

Zonderling was, dat de eerste minister, terwijl het hof en de geheele

stad in onrust waren, met den koning wilde schertsen, ten koste van

den hertog van Braganza.

Filips deed daaraan niet mee en zette zulk een ernstig gezicht,

dat de graaf-hertog daarvan ontstelde en een voorgevoel kreeg

van zijn ongenade. Hij beschouwde zijn val als zeker, toen hij

vernam, dat de koningin zich openlijk tegen hem had verklaard en hem

beschuldigde, door zijn slecht beheer den opstand in Portugal te hebben

veroorzaakt. De meeste grandes en voornamelijk zij, die tevergeefs

naar Saragossa waren gegaan, sloten zich bij de koningin aan en een

dreigend onweer pakte zich samen boven het hoofd van den minister.

Toen het mijn meester bekend werd, dat de koning naar zijn vijanden

luisterde, schreef hij den koning een brief, waarin hij hem ontheffing

van zijn ambt verzocht en verlof om zich van het hof te verwijderen,

daar men alle ongelukken die de monarchie overkwamen, aan zijn

beleid weet.

Hij meende, dat die brief een groote uitwerking zou hebben en dat

de koning nog genoeg vriendschap voor hem had overgehouden om niet

toe te stemmen in zijn verwijdering. Maar al het antwoord, dat hij

kreeg, was, dat de koning verklaarde zijn verzoek in te willigen en

hem toestond zich te begeven, waarheen hij wilde.

Die woorden, door den koning zelf geschreven, troffen hem als een

donderslag. Maar hij deed of hij zijn gewone bedaardheid behield en

vroeg mij, wat ik in zijn plaats zou doen.

"Ik zou," antwoordde ik hem, "de zaak gemakkelijk opvatten en op een

van mijn landgoederen gaan wonen."

"Je denkt verstandig," antwoordde hij. "En ik heb ook wel lust om dat

te doen, maar ik zou toch nog gaarne éénmaal een onderhoud met den

koning hebben. Het zal mij niet moeilijk vallen hem aan te toonen,

dat ik menschelijkerwijze gesproken, alles heb gedaan, wat ik kon

doen en dat ik de treurige gebeurtenissen, die men mij verwijt, niet

heb kunnen voorkomen, evenmin als een bekwame loods het helpen kan

als wind en golven het schip meesleepen."

De minister vleide zich nog dat hij, door met den koning te spreken,

de zaken kon herstellen en het verloren terrein herwinnen. Maar de

audientie werd hem niet verleend en bovendien liet men den sleutel

terugvragen, waarvan hij zich bedienen kon om vrij in de koninklijke

appartementen te komen.

Daar hij nu zag, dat hem geen hoop meer overbleef, besloot hij

zich terug te trekken. Hij doorzocht alle papieren, verbrandde er

uit voorzichtigheid vele van en gaf bevel, dat men alles voor zijn

vertrek in gereedheid zou brengen.

Hij vreesde door het volk beleedigd te worden en vertrok daarom 's

morgens zeer vroeg door een achterdeur, in een eenvoudig rijtuig,

met zijn biechtvader en mij.

Wij gingen naar Loeches, een dorp, waarvan hij heer was en waar zijn

vrouw een prachtig nonnenklooster had laten bouwen.

Binnen vier uren kwamen wij in het dorp aan en de andere personen

van het gevolg bereikten het eenigen tijd later.

De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 2 van 2 De Spaansche Avonturier · 第 90 / 98 题