De zoon van Margarita Spinola wordt bij authentieke acte erkend en
don Henri-Philippe de Guzman genoemd. Santillano richt het huis van
dien jongen heer in en geeft hem allerlei meesters.
De acte van erkenning werd met goedkeuring van den koning
opgemaakt. Don Henri-Philippe de Guzman (dat was de naam, dien men
aan het kind met de verschillende vaders gaf) werd daarin tot eenig
erfgenaam verklaard van het graafschap Olivarès en van het hertogdom
de San-Lucar. Opdat iedereen het weten zou, liet de minister aan alle
gezanten en grandes van Spanje deze mededeeling doen, waarover men
niet weinig verwonderd was. De lachers in Madrid hadden langen tijd
stof en de satirische dichters verzuimden deze gelegenheid niet om
hun pen in gal te doopen.
Ik vroeg aan den graaf-hertog, waar de jongeman was, dien hij aan
mijn zorgen wilde toevertrouwen en hij antwoordde mij, dat hij thans
in de stad was bij een tante, aan wier zorgen hij echter zou worden
ontnomen, zoodra zijn huis ingericht zou zijn.
Ik huurde dus een huis, liet het prachtig meubileeren en stelde pages,
portier en andere bedienden aan.
Toen dat gebeurd was, ging ik den minister waarschuwen, die dadelijk
den twijfelachtigen en nieuwen spruit van den tak Guzman liet halen. Ik
zag een grooten jongen, met een vrij aangenaam uiterlijk. De minister
zei, toen hij ons voorstelde, dat don Henri mij in alle opzichten
als zijn gids moest beschouwen.
Wij gingen daarop naar het nieuwe huis, waar ik alle bedienden aan
hunnen nieuwen meester voorstelde. In den omkeer in zijn toestand
scheen hij zich zeer gemakkelijk te kunnen schikken. Met groote
gemakkelijkheid nam hij alle betuigingen van eerbied en beleefdheid
in ontvangst. Het ontbrak hem niet aan verstand, maar hij was zeer
onwetend. Hij kon nauwelijks lezen en schrijven. Ik gaf hem meesters
in de beginselen van het Latijn, de aardrijkskunde, de geschiedenis
en een schermmeester. Een dansmeester vergat ik niet, maar er waren
in dien tijd zooveel van die vermaarde heeren, dat ik niet goed wist,
wien te kiezen.
Toen ik daar zoo over nadacht, zag ik een rijk gekleed man ons huis
binnengaan.
Hij vroeg mij te spreken. Ik verbeeldde mij, dat hij minstens een
ridder van Alcantera was en vroeg waarmee ik hem van dienst kon zijn.
"Mijnheer de Santillano," antwoordde hij met vele buigingen,
"men heeft mij verteld, dat gij belast zijt met het kiezen van
meesters voor don Henri. Ik kom mijne diensten aanbieden. Ik heet
Martin Ligero [2] en verheug mij in een goeden naam. Ik heb anders
de gewoonte niet, om leerlingen te vragen, dat past slechts aan
onbeduidende dansmeesters. In den regel wacht ik, tot men mij komt
bezoeken. Maar daar ik bekend ben bij den hertog de Medina Sidonia,
bij don Louis de Haro en eenige andere heeren van het huis Guzman,
heb ik het als een eer beschouwd u voor te zijn."
"Ik merk uit hetgeen ge zegt, dat gij de man zijt, dien wij noodig
hebben," zei ik. "Hoeveel rekent ge per maand?"
"Vier dubbele pistolen," hernam hij, "dat is de vaste prijs en ik
geef twee lessen per week."
"Vier dubbele pistolen!" riep ik. "Dat is veel!"
"Hoezoo veel!" antwoordde hij op verwonderden toon. "Ge geeft wel
een pistool per maand aan een onderwijzer in de philosophie."
Ik kon niet nalaten om dat antwoord te lachen en vroeg mijnheer Ligéro,
of hij werkelijk meende, dat iemand van zijn vak boven een leeraar
in de philosophie stond.
"Dat geloof ik zeer zeker, mijnheer," zei hij, "wij zijn in de
wereld van heel wat meer nut, dan die heeren! Wat zijn de mannen,
vóór ze door onze handen zijn gegaan? Lichamen uit één stuk! Ongelikte
beeren! Maar onze lessen geven hun vorm en gratie."
Ik besloot den dansmeester aan te nemen.