Van de nieuwe taak, die de minister aan Santillano gaf.
Het ongeluk van Lucretia deed mij veel verdriet; ik beschouwde
mijzelf als medeplichtig daaraan en besloot mij in geen geval meer
met dergelijke zaken in te laten.
Ik sprak daarover met den minister, die verwonderd scheen over mijn
gewetensbezwaren. Hij zei: "Santillano, je hebt een goed karakter en
ik wil je nu een opdracht geven, die daarmee meer in overeenstemming
is. Luister goed toe, ik zal je zeggen wat de zaak is.
Voor eenige jaren zag ik plotseling een dame, die zoo schoon en
bekoorlijk was, dat ik haar liet volgen. Ik vernam, dat zij geboortig
was uit Genua, dona Margarita Spinola heette en te Madrid leefde van
de inkomsten van hare schoonheid. Men zeide mij, dat don Francisco de
Valéasar, een rijke, oude en getrouwde man enorme sommen voor haar
uitgaf. Wel verre van mij afkeer in te boezemen, deed dat bericht
bij mij sterke verlangens ontstaan, om hare gunsten met Valéasar
te deelen. Om daaraan te voldoen, nam ik mijn toevlucht tot een
koppelaarster, die mij spoedig een geheim onderhoud met Margarita
bezorgde, dat door verschillende andere werd gevolgd. Mijn medeminnaar
en ik werden even goed behandeld voor de geschenken, die wij haar
gaven. Misschien had ze nog wel een derden galant, die even gelukkig
was als wij.
Wat er van zij, het gevolg van alle hulde die Margarita ontving,
was dat zij moeder werd. Zij bracht een zoon ter wereld en gaf zoowel
Valéasar als mij de eer van het vaderschap. Maar wij wilden het kind
geen van beiden erkennen, zoodat ze het zelf moest grootbrengen. Dat
heeft zij gedurende achttien jaar gedaan, daarna is ze gestorven
en heeft haar zoon achtergelaten zonder goed en, wat erger is,
zonder opvoeding.
Dit is een vertrouwelijke mededeeling, die ik je had te doen en
nu wil ik je zeggen, wat mijn plan is. Ik wil mij het lot van dien
ongelukkigen jongen aantrekken en hem erkennen."
Toen ik dit plan had aangehoord, was het mij onmogelijk om te
zwijgen. "Excellentie! Hoe kunt u zulk een vreemd besluit nemen?"
"Ge zult het niet zoo vreemd vinden, indien ik je de redenen ervan heb
meegedeeld. Ik wil niet, dat mijn neven en nichten mijn erfgenamen
zullen worden. Misschien zul je zeggen, dat wij nog niet op een
leeftijd zijn gekomen, om zelf geen kinderen meer te krijgen. Maar
welke geleerden wij ook hebben geraadpleegd, het is alles nutteloos
geweest. Van mijn vrouw heb ik geen kinderen meer te verwachten. Het
lot heeft nu een kind op mijn weg gesteld, waarvan ik misschien
werkelijk vader ben. Dien jongen wil ik aannemen; dat is een zaak,
waartoe ik vast besloten ben."
Toen ik merkte, dat de minister zich dit nu eenmaal vast in het hoofd
had gesteld, sprak ik hem niet verder tegen. Ik wist, dat hij een
man was, eerder in staat om een dwaasheid te doen, dan om terug te
komen op een genomen besluit.
"Het is nu de zaak, om een opvoeding te geven aan don Henri Philippe
de Guzman, want dezen naam zal hij voorloopig in de wereld dragen. Om
hem terzijde te staan, Santillano, heb ik jou uitgekozen. Ik vertrouw
op je verstand en je gehechtheid aan mijn persoon. Draag zorg voor
zijn huis, geef hem alle soorten van meesters; in één woord, maak
van hem een volmaakt edelman."
Ik wilde mij daartegen verzetten, door mijn meester te zeggen, dat
ik geen jonge heeren kon opvoeden, omdat ik dat nooit tevoren had
gedaan; dat daarvoor meer verstand en meer verdiensten noodig waren,
dan ik bezat, maar hij sloot mij den mond, door te zeggen, dat het
zijn bepaalde wil was, dat ik ook de gouverneur zou zijn van zijn
aangenomen zoon, dien hij voor de hoogste betrekkingen had bestemd.
Dus bereidde ik mij voor, die taak te gaan vervullen ten genoege van
mijn meester, die uit dankbaarheid mijn inkomen met duizend kronen
per jaar verhoogde.