Scipio komt terug uit Nieuw-Spanje. Gil Blas plaatst hem bij don
Henri. Van de studiën van dien jongen heer. Van de eer, die men hem
bewees en aan welke dame de graaf-hertog hem uithuwelijkte. Hoe Gil
Blas, niettegenstaande zijn verzet, in den adelstand wordt verheven.
Terwijl ik nog druk bezig was, om alles voor don Henri te regelen,
kwam Scipio terug uit Mexico. Ik vroeg hem of hij voldaan was over
zijn reis.
"Ik moet het wel zijn," antwoordde hij, "want met drie duizend
ducaten in geld, heb ik wel voor tweemaal grooter bedrag aan koopwaren
meegebracht."
"Hartelijk daarmee gefeliciteerd! Dat is het begin van je fortuin. En
het hangt nu maar van je zelf af, of je dat wil vermeerderen door
nieuwe reizen te maken. Of geef je misschien de voorkeur aan een
aangename betrekking in Madrid? Je hebt maar te spreken; ik heb er
een te begeven."
"Dat kan ik niet twijfelen!" riep hij. "Veel liever blijf ik hier,
dan mij opnieuw aan de gevaren van een zeereis en van een vreemd land
bloot te stellen. Maar welke betrekking hebt u voor mij bestemd?"
Daarop vertelde ik hem de heele geschiedenis van don Henri en vroeg
hem of hij diens kamerdienaar wilde worden. Scipio nam de betrekking
gaarne aan en vervulde haar zoo goed, dat hij in minder dan drie
dagen reeds de vertrouweling en vriend was van zijn jongen meester.
Ik had mij voorgesteld, dat al die onderwijzers wel vergeefsche moeite
zouden doen en dat hun leerling zich niet veel om hem en hun wetenschap
zou bekommeren, maar daarin vergiste ik mij. Ze waren zeer tevreden
over hem. Hij begreep en onthield zeer gemakkelijk, wat men hem
leerde. Aangenaam was het mij, dit den minister te kunnen mededeelen.
"Santillano!" riep hij verheugd, "ik herken in hem mijn geest en
bloed en ben er nu nog vaster van overtuigd, dat hij werkelijk mijn
zoon is. Ik voel mij zeer tot hem aangetrokken. 't Is de natuur,
die hier spreekt."
Ik wachtte mij er wel voor, om mijn meester te zeggen, wat ik daarvan
dacht en zijn zwak eerbiedigende, liet ik hem het genoegen te gelooven,
dat hij de vader was van don Henri. Hoewel alle leden van de familie
Guzman een doodelijken haat hadden aan dien nieuwbakken neef zorgden
zij er wel voor het uit een politiek oogpunt niet te laten merken. De
gezanten en grandes die in Madrid waren, bewezen hem evenveel eer,
alsof hij de wettige zoon van den machtigen minister geweest was.
De minister was over dat alles zeer verheugd. Hij begon met aan de
koning het kruis van Alcantera voor don Henri te vragen. Later werd
hij commandeur. Ook besloot hij hem te laten trouwen met een dame
uit een van de edelste huizen van Spanje en koos daartoe Juanna de
Valesco, dochter van den hertog van Castilië. Hij had macht genoeg,
om dat huwelijk door te drijven, niettegenstaande het verzet van den
hertog en diens verwanten. Eenige dagen voor dit huwelijk liet de
minister mij roepen. Hij stelde mij eenige papieren ter hand en zei:
"Hier, Gil Blas, heb ik een geschenk voor je. Ik geloof, dat het je
niet onaangenaam zal zijn. Het zijn brieven van adeldom, dien ik voor
je heb verkregen."
"Excellentie," antwoordde ik verbaasd, "weet u wel, dat ik de zoon ben
van een eenvoudigen stalmeester en van een duenna? Het schijnt mij
een beleediging voor den adelstand, mij daarin te doen opnemen. En
van alle gunsten, die de koning mij bewijzen kan, verdien en begeer
ik deze het minst."
"Uw geboorte is geen beletsel," zei mijn meester, "ge hebt
staatsbetrekkingen bekleed bij den hertog de Lerme en mij. Overigens
hebt ge ook den koning zelf zekere diensten bewezen. In één woord
Santillano, je bent die eer niet onwaardig. En er komt bij, dat
de positie, die je bij mijn zoon inneemt, het noodzakelijk maakt,
dat je van adel bent. Ik wil je wel bekennen, dat dit de voornaamste
reden is, waarom ik je die papieren heb doen verleenen."
"Ik geef mij gewonnen," antwoordde ik, "omdat u het bepaald wilt." Na
die woorden ging ik weg, met de papieren in mijn zak.
"Nu ben ik dus een edelman," zei ik bij mijzelf toen ik op straat was,
"en ik ben van adel zonder dat ik dit aan mijn ouders heb te danken. Ik
kan mij dus, wanneer ik wil, don Gil Blas noemen en als de een of ander
mij er om zou willen uitlachen, kan ik hem die papieren laten zien."
Onder het loopen keek ik de papieren in en ik las, dat de koning mij
om den ijver, dien ik meermalen had getoond in den dienst van den
staat en van hem zelven had verheven tot den adelstand.
Tot mijn eer mag ik zeggen, dat ik mij niet zeer trotsch gevoelde. Mijn
nederige afkomst stond mij steeds voor oogen en ik nam mij voor mijn
papieren weg te sluiten, zonder mij erop te beroemen.