Lucretia maakt grooten opgang aan het hof en speelt voor den koning,
die verliefd op haar wordt. Gevolg van die liefde.
Het eerste optreden van de twee nieuwe actrices werd den volgenden dag
druk besproken. Ook in tegenwoordigheid van den koning werd de jonge
Lucretia zeer geroemd. Deze deed echter of hij aan die gesprekken
weinig aandacht schonk.
Toen hij echter alleen was met den eersten minister, vroeg hij,
wie die jonge actrice was, die men zoo prees.
De minister antwoordde: "Het is een jong meisje, dat aan den schouwburg
te Tolédo was verbonden. Ze heet Lucretia, wat een goede naam is voor
iemand van haar beroep en is een kennis van Gil Blas de Santillano,
die mij zooveel goeds van haar had verteld, dat ik het gewenscht
achtte om haar in den koninklijken troep op te nemen. Bij haar eerste
optreden gisterenavond heeft zij een zeer groot succes gehad."
Bij het hooren van mijn naam, had de koning een glimlach niet kunnen
weerhouden. Hij herinnerde zich misschien op dat oogenblik, dat ik
het geweest was, die hem in kennis had gebracht met Catalina en had
er mogelijk een voorgevoel van, dat ik hem in deze aangelegenheid
denzelfden dienst zou kunnen bewijzen. Hoe het zij, hij deelde den
minister mee, dat hij den volgenden avond Lucretia wilde zien spelen
en dat men haar dit zou berichten.
De graaf-hertog vertelde mij, welk gesprek hij had gehad en verzocht
mij de twee actrices te gaan waarschuwen.
Het eerst zag ik Laura en ik zei haar: "Ik kom u een groot nieuws
meedeelen. De minister heeft mij belast u te zeggen, dat de koning
morgenavond de voorstelling met zijn tegenwoordigheid zal vereeren. Ik
twijfel er niet aan, of gij beiden zult al het mogelijke doen, om u die
eer waardig te doen zijn. Wanneer ik u een raad mag geven, dan zou het
deze zijn, om een stuk te kiezen, waarin veel zang en dans voorkomen,
opdat de koning alle talenten bewonderen kan, die Lucretia bezit."
"Wij zullen uw raad opvolgen," zei Laura, "het zal niet aan ons liggen,
wanneer hij niet voldaan is." Op dat oogenblik kwam Lucretia binnen,
die er thans nog bekoorlijker uitzag, dan in haar tooneelkleeding.
"De koning," zei ik, "zal uw schoone nicht nog meer bewonderen,
indien zij optreedt in een stuk, waarin zang en dans voorkomen. Hij
zou daardoor zelfs wel eens in de verzoeking kunnen komen haar zijn
zakdoek toe te werpen."
"Ik hoop niet," zei Laura, "dat hij zoo iets zal probeeren, want welk
een machtig vorst hij ook mag zijn, hij zou dan wel eens op tegenstand
kunnen stuiten. Hoewel zij in de tooneelwereld is opgevoed, is Lucretia
deugdzaam en welk genoegen zij ook heeft in de toejuichingen van het
publiek, het is voor haar meer eer een braaf meisje, dan een goede
actrice te zijn."
"Lieve tante," zei de kleine Marialva, zich in het gesprek mengende,
"waarom u zorgen gemaakt voor den tijd? Ik zal wel nooit voor die
beproevingen komen te staan."
"Bekoorlijke Lucretia," zei ik, "indien de koning u tot zijn minnares
wilde maken, zoudt ge hem toch zeker niet tevergeefs laten zuchten?"
"Waarom niet?" vroeg zij. "Het zou mij meer streelen, hem weerstand
te hebben geboden, dan aan zijn begeerte te hebben voldaan."
Ik was niet weinig verwonderd een leerling van Laura op die wijze te
hooren spreken en ik verliet de dames, de moeder prijzende, dat zij
haar dochter zulk een goede opvoeding had gegeven.
Den volgenden dag begaf de koning, verlangend om Lucretia te zien,
zich naar den schouwburg. Men speelde een stuk, waarin de jonge actrice
alle gelegenheid had om te schitteren. Van het begin tot het eind had
ik mijn oogen gevestigd op den koning; ik trachtte op zijn trekken
te lezen, wat hij dacht, maar hij behield hetzelfde ernstige gezicht,
dat hij altijd trachtte op te zetten.
Den volgenden dag eerst vernam ik, wat zijn indruk was geweest.
"Santillano," zei mijn meester, "ik heb den koning gesproken, die
vol lof is over Lucretia en ik twijfel er niet aan of hij is op
haar verliefd. Nadat ik hem had gezegd, dat gij haar uit Tolédo hebt
laten komen, zei hij, dat hij gaarne met u een onderhoud zou willen
hebben. Ga er dus heen. Hij heeft al bevel gegeven om je dadelijk
bij hem toe te laten en kom mij den afloop meedeelen."
De koning liep met groote stappen op en neer, toen ik bij hem
binnenkwam. Hij deed mij allerlei vragen over Lucretia, wier geheele
geschiedenis ik hem moest vertellen. Vervolgens vroeg hij of zij al in
eenig galant avontuur was betrokken geweest. Hoewel men met dergelijke
verklaringen altijd zeer voorzichtig moet zijn, antwoordde ik hier
toch beslist ontkennend, wat den vorst groot genoegen scheen te doen.
"In deze zaak," ging hij voort, "heb ik u tot mijn vertrouweling
gekozen. Ik wil, dat de schoone Lucretia door u vernemen zal, welk
een overwinning zij heeft gemaakt." Hij stelde mij daarna een etui
ter hand met diamanten ter waarde van ongeveer vijftig duizend kronen
en ik moest haar vragen dit geschenk van hem te willen aannemen,
in afwachting van andere bewijzen van zijn liefde.
Om mij van die taak te kwijten, zocht ik mijn meester op en deed
hem een getrouw verslag van mijn onderhoud met den koning. Ik had
verwacht, dat de minister meer teleurgesteld dan verheugd zou zijn,
want ik meende, dat hijzelf verliefd was op Lucretia en dus ongaarne
zou zien, dat de koning zijn medeminnaar was; maar ik bedroog mij in
dit opzicht. Wel verre van teleurgesteld te zijn, was zijn vreugde
zoo groot, dat hem zelfs eenige woorden ontsnapten. "Mooi zoo,
Filips! daardoor zal u de lust voor de zaken wel vergaan!" Daaruit
leidde ik af, dat de minister den koning wilde afhouden van de
staatszaken en hem daarom een dergelijke verstrooiïng wilde schenken.
"Santillano," zei hij, "haast je mijn vriend, om dit bevel uit te
voeren. Heel wat heeren aan het hof zouden jaloersch zijn op zulk een
gewichtige taak. Denk er aan, dat het in dit geval niet de graaf de
Lémos is, die het grootste gedeelte van de eer krijgt. Je zult die
nu geheel alleen hebben en wat meer is, ook het voordeel."
Daar ik sedert het verblijf in de gevangenis gewoon was geworden,
de zaken meer van een moreel standpunt te beschouwen, hinderde mij
dit soort van werk wel, maar ik was toch niet deugdzaam genoeg om
het te weigeren. Te liever vervulde ik den wensch van den koning,
omdat mijn gehoorzaamheid ook aangenaam was voor den minister, wien
ik in de eerste plaats genoegen wilde doen.
Ik achtte het gewenscht om eerst een onderhoud te hebben met Laura,
waarin ik haar den wensch van den koning kenbaar maakte en haar de
edelsteenen liet zien. Op het gezicht daarvan kon ze haar vreugd
niet bedwingen en zei: "Gil Blas, 't is onder oude vrienden maar
beter om eerlijk te zijn. Ik kan niet verbergen, dat ik ten zeerste
verheugd ben over de overwinning van Lucretia, die van buitengewone
waarde is. Maar, onder ons gezegd, ik vrees dat Lucretia de zaak
uit een ander oogpunt zal beschouwen. Hoewel ze, om zoo te zeggen,
op het tooneel is opgevoed, is ze verstandig en deugdzaam. Ze heeft
al weerstand geboden aan de wenschen van twee beminnelijke jonge
mannen. Ge zult me zeggen, dat die twee heeren geen koningen waren,
dat stem ik toe en werkelijk de eer, een gekroond hoofd tot minnaar te
hebben, moet sterker zijn dan de deugd van Lucretia; echter kan ik mij
niet weerhouden je te zeggen, dat de zaak onzeker is. Wat mij betreft,
ik verklaar je, dat ik mijn dochter niet zal tegenwerken. Kom morgen
terug; ik zal je dan een gunstig antwoord geven of dit etui terug."
Ik twijfelde er niet aan of Laura zou Lucretia gemakkelijk
overhalen. Niettemin vernam ik den volgenden dag met verwondering,
dat Laura evenveel moeite had gehad, om Lucretia op den slechten weg
te brengen, als andere moeders soms hebben, om haar dochters daarvan
af te houden.
Wat mij echter nog meer verwonderde was, dat Lucretia, na eenige malen
een geheim onderhoud met den koning te hebben gehad, plotseling de
wereld verliet en in een klooster ging, waar ze niet lang daarna ziek
werd van verdriet en stierf. Laura kon zich niet troosten over het
verlies van haar dochter, dat ze zich zelf verweet. Zij ging eveneens
in een klooster, om er de genoegens van hare schoone dagen te beweenen.
De koning was eerst getroffen door het plotselinge verdwijnen van
Lucretia, maar hij was er de man niet naar om lang te treuren.
Wat den minister aanging, hij nam weinig notitie van het
gebeurde. Daartoe ontbrak hem de tijd.