Gil Blas ontmoet bij den koning don Gaston de Collogos en don André de
Tordésillas; waar zij alle drie heengingen. Einde van de geschiedenis
van don Gaston en van dona Helena de Galisteo. Welken dienst Santillano
aan Tordésillas bewees.
Weldra had ik nog een andere gelegenheid, om mijn invloed aan te
wenden ten bate van een vriend en ik moet dat vermelden, om mijn
lezers te doen zien, dat ik niet meer dezelfde Gil Blas was, die,
onder het vorige ministerie, de gunsten van het hof verkocht.
In een anti-chambre van het paleis zag ik op een zekeren dag onder
de menigte don Gaston de Collogos, den staatsgevangene, dien ik had
achtergelaten in den toren van Ségovia. Hij was met den slotbewaarder,
don André de Tordésillas. Wij waren zeer verwonderd elkaar daar te
ontmoeten en hadden elkaar zooveel te vertellen, dat don Gaston ons
voorstelde hem naar huis te vergezellen. Wij volgden hem in zijn
rijtuig en zaten weldra in een prachtig gemeubileerde zaal van een
mooi huis.
"Mijnheer Gil Blas," zei Tordésillas, "bij uw vertrek uit Ségovia
hadt ge een haat tegen het hof en ge zoudt er nooit weer terugkeeren."
"Dat was ook werkelijk mijn plan," antwoordde ik, "en zoolang de koning
leefde ben ik niet veranderd in dat opzicht, maar toen ik wist, dat de
prins op den troon was, wilde ik zien of deze mij nog herkende. Dat
deed hij en ik had het geluk gunstig te worden ontvangen; hij heeft
mij bij den eersten minister aanbevolen, die vriendschap voor mij
heeft opgevat en bij wien ik een beter leven heb, dan ik ooit had
bij den hertog de Lerme. En gij, don André, zijt ge nog altijd de
bewaarder van den toren van Ségovia?"
"Neen, de graaf-hertog heeft een ander in mijn plaats gesteld. Hij
meende, dat ik een aanhanger was van zijn voorganger."
"En mij," zei daarop don Gaston, "heeft hij in vrijheid gesteld om
een tegenovergestelde reden. Zoodra wist niet de eerste minister,
dat ik was opgesloten op bevel van den hertog de Lerme, of hij stelde
mij in vrijheid. En thans, mijnheer Gil Blas, zal ik u vertellen,
wat er na dien tijd met mij gebeurd is.
Het eerste wat ik deed, nadat ik don André hartelijk had dank gezegd
voor hetgeen hij tijdens mijn gevangenschap voor mij had gedaan,
was mij naar Madrid te begeven. Ik presenteerde mij bij den eersten
minister, die mij zei: "Vrees niet, dat het ongeluk, dat u overkomen
is, eenige schade heeft toegebracht aan uw naam. Ge zijt geheel
gerechtvaardigd. Van uw onschuld ben ik temeer overtuigd, omdat de
markies de Vilaréal, van wien men u verdacht de medeplichtige te
zijn, onschuldig is gebleken. Hoewel Portugees en zelfs verwant aan
den hertog van Braganza, is hij minder op diens hand, dan op die
van den koning. Om het onrecht te herstellen, dat u is aangedaan,
geeft de koning u een plaats als luitenant bij zijn garde." Gaarne
nam ik die aanstelling aan, maar ik verzocht den minister, voor ik in
dienst trad, naar Coria te mogen gaan, om dona Eléonor de Laxarilla,
mijn tante, te bezoeken. De minister stond mij een maand verlof toe
en ik vertrok, vergezeld van een enkelen lakei.
Wij hadden reeds Colménar gepasseerd en bevonden ons op een weg
tusschen de bergen, toen wij een ruiter zagen, die zich dapper
verdedigde tegen drie man, die hem samen aanvielen. Ik aarzelde geen
oogenblik om hem ter hulp te snellen en stelde mij aan zijn zijde. Ik
merkte, dat onze vijanden gemaskerd waren en dat wij te doen hadden met
eerste vechtersbazen. Niettegenstaande hun kracht en hun behendigheid
bleven wij overwinnaars; ik doorstak een van de drie, hij viel van
zijn paard en de twee anderen vluchtten dadelijk. Het is waar, dat
de overwinning welke wij behaalden, weinig minder noodlottig was,
want mijn medestrijder en ik waren zwaar gewond. Maar stel u mijn
verrassing voor, toen ik in den ruiter niemand anders herkende
dan Combados, den echtgenoot van dona Héléna. Hij was niet minder
verwonderd dan ik. "Ha! don Gaston!" riep hij, "zijt gij het, die mij
zoo edelmoedig hebt geholpen? Toen ge dat deedt, wist ge zeker niet,
dat het de man was, die u uw geliefde heeft ontroofd?"
"Ik wist het werkelijk niet," antwoordde ik hem. "Maar indien ik het
geweten had, gelooft ge dan, dat ik zou geaarzeld hebben? Oordeelt
ge zoo slecht over mij?"
"Neen, neen," antwoordde hij, "ik heb een betere gedachte van u en
indien ik sterf aan de wonden, die ik ontvangen heb dan hoop ik,
dat de uwe u niet zullen verhinderen, om te profiteeren van mijn dood."
"Combados," zeide ik, "hoewel ik dona Héléna nog niet heb vergeten,
wil ik haar niet bezitten ten koste van uw leven. Het verheugt mij
er toe te hebben bijgedragen u te redden, omdat ik daardoor een daad
heb verricht, die uw echtgenoot genoegen zal doen."
Terwijl wij spraken, was mijn lakei den ruiter genaderd, die op den
grond lag, hij nam hem het masker af en liet ons een gelaat zien,
dat Combados dadelijk herkende. "'t Is Caprara, die slechte neef,
die uit spijt, dat hem een rijke erfenis ontgaan is, die hij mij
onrechtvaardig betwist, reeds lang het voornemen koesterde mij te
vermoorden en dezen dag daarvoor had uitgekozen. Maar de hemel heeft
gewild, dat hij zelf het slachtoffer zou worden."
Intusschen stroomde het bloed uit onze wonden en wij verzwakten zoo,
dat het ons groote moeite kostte het dorp Villaréjo te bereiken. In het
logement daar lieten wij dadelijk een chirurgijn komen. Hij onderzocht
onze wonden, die hij zeer gevaarlijk vond. Hij verbond ons en toen hij
den volgenden morgen het verband had afgenomen, zei hij, dat die van
don Blas doodelijk waren. Over de mijne oordeelde hij gunstiger. En
het bleek, dat hij niet verkeerd had gezien.
Combados, ziende, dat hij ten doode was opgeschreven, dacht aan niets
anders dan zich daarop voor te bereiden. Hij zond een bode naar zijn
vrouw, om haar te berichten, wat er was gebeurd en in welken treurigen
toestand hij zich bevond.
Dona Hélena was weldra te Villaréjo. Combados sprak tot haar in mijn
tegenwoordigheid: "Ge komt nog vroeg genoeg, om afscheid van mij
te nemen. Ik ga sterven en beschouw mijn dood als een straf van den
hemel, omdat ik u door bedrog aan don Gaston heb ontnomen. Daarover
beklaag ik mij niet. Zelfs spoor ik u aan hem uw hart te schenken,
dat ik hem ontnomen heb."
Dona Helena antwoordde slechts met tranen en waarlijk, dat was het
beste antwoord, dat zij kon geven.
Het gebeurde, zooals de chirurgijn had voorspeld. Binnen drie dagen
stierf Combados en mijn wonden begonnen te beteren. De jonge weduwe
liet het lijk naar Coria brengen, waar het met allen luister werd
ter aarde besteld.
Zoodra ik kon, vertrok ik naar Coria. Mijn tante, dona Eléonor en
don George besloten, dat wij zoo gauw mogelijk zouden trouwen uit
vrees, dat het lot ons misschien door nieuwe tegenspoeden weder zou
scheiden. Het huwelijk werd in allen eenvoud voltrokken, met het oog
op den dood van Combados.
Weinige dagen later kwam ik te Madrid met dona Helena aan. Daar de
tijd van mijn verlof was overschreden, vreesde ik, dat de minister
mijn luitenants-plaats aan een ander zou hebben gegeven. Maar hij had
daarover nog niet beschikt en was zoo goed om mijn verontschuldigingen
over mijn wegblijven aan te nemen.
Collogos betuigde mij verder nog, dat hij zeer gelukkig was met
zijn positie. Don André daarentegen beklaagde zich, dat hij zijn
betrekking had verloren en geen vrienden bezat, die hem een andere
konden verschaffen.
Glimlachend viel ik hem in de rede, dat ik misschien wel iets voor
hem kon doen.
Tijdens ons gesprek kwam dona Hélena binnen, wier bekoorlijke
verschijning geheel beantwoordde aan het beeld, dat ik mij daarvan had
gevormd. Wij wisselden wederzijds eenige complimenten en ik vertrok,
nadat ik het adres van Tordésillas gevraagd en hem beloofd had,
dat hij binnen acht dagen van mij zou hooren.
Een paar dagen later stelde de minister mij in de gelegenheid den
slotbewaarder te helpen. "Santillano," zei hij, "de betrekking van
gouverneur van de koninklijke gevangenis te Valladolid is vacant en ik
heb wel lust u die te geven, ze brengt meer dan driehonderd pistolen
in het jaar op."
"En al zou ze ook tienduizend geven, dan nog zou ik een betrekking
weigeren, die mij van u verwijdert," zei ik.
"Maar," merkte de minister op, "'t is volstrekt niet noodig Madrid
te verlaten, ge kunt van tijd tot tijd de gevangenis te Valladolid
eens gaan bezoeken."
"Ik wil die betrekking niet, tenzij u mij toestaat daarvan afstand
te doen aan een braven edelman, don André de Tordésillas, die vroeger
torenbewaarder is geweest te Ségovia en mij tijdens mijn gevangenschap
zeer goed heeft behandeld."
Lachend zei de minister: "Ik geloof, Gil Blas, dat je een gouverneur
van een koninklijke gevangenis benoemen wil, zooals je een onderkoning
hebt benoemd. Welnu, mijn vriend, het is goed! Ik sta je de vacante
plaats voor Tordésillas toe. Maar zeg mij eens eerlijk, welk voordeel
hebt ge daarvan? Want je zal toch wel niet zoo dwaas zijn om je
invloed voor niets te gebruiken?"
"Moet men zijn schulden niet betalen, Excellentie? Don André heeft
mij zooveel genoegen gedaan als hij kon, toen ik zijn gevangene was."
"Je bent wel belangeloos geworden, Santillano. Het schijnt mij toe,
dat je het onder mijn voorganger minder was."
"Dat stem ik u toe, Excellentie. De slechte voorbeelden bederven de
zeden. Alles werd toen verkocht en ik voegde mij naar dat gebruik
en daar nu alles gegeven wordt, heb ik mijn onomkoopbaarheid
teruggekregen."
Don André de Tordésillas werd dus gouverneur van de koninklijke
gevangenis te Valladolid en vertrok weldra naar die stad, even voldaan
over zijn nieuwe betrekking als ik het was, dat ik mij gekweten had
van de schuld, die ik aan hem had.