Don Alphonse de Leyva komt te Madrid. Beweegreden van zijn reis. Van
het verdriet van Gil Blas en de vreugde, die er op volgde.
Korten tijd na het vertrek van Scipio, kwam een page van den minister
mij een briefje brengen, dat deze woorden inhield: "Indien de heer
de Santillano zich de moeite wil geven, om naar het beeld van den
heiligen Gabriël te gaan in de Tolédo-straat, dan zal hij er een van
zijn beste vrienden vinden."
"Wie kan die vriend zijn, die zijn naam niet noemt?" zei ik tot
mijzelf. "Hij heeft mij zeker een verrassing willen bereiden." Dadelijk
ging ik naar de aangewezen plaats en was niet weinig verwonderd,
daar don Alphonse de Leyva te vinden.
"Wat zie ik, u hier, mijnheer!" riep ik.
"Ja, mijn waarde Gil Blas, niemand anders."
"En wat voert u hier naar Madrid?"
"Ik zal het u zeggen en de reden zal u niet verheugen. Men heeft mij de
betrekking van gouverneur van Valencia ontnomen en de eerste minister
heeft mij aan het hof ontboden om rekenschap te geven van mijn gedrag."
Een oogenblik bleef ik geheel verbaasd staan en vroeg daarna:
"Waarvan beschuldigt men u? Ge moet iets onvoorzichtigs hebben gedaan."
"Ik schrijf mijn ongenade toe," antwoordde hij, "aan het bezoek, dat
ik voor ongeveer drie weken heb gebracht aan den kardinaal-hertog de
Lerme, die sinds een maand op zijn kasteel te Denia woont."
"O natuurlijk, daaraan zult ge zeker uw ongenade te wijten hebben. Zoek
de reden maar niet elders en veroorloof mij te zeggen, dat ge niet
met uw gewone voorzichtigheid zijt te rade gegaan door dat bezoek
te brengen."
"De fout is nu eenmaal begaan," zei hij, "en ik zal de gevolgen
daarvan moeten dragen. Ik zal mij met mijn familie op ons kasteel
de Leyva terugtrekken en daar mijn verdere levensdagen rustig
doorbrengen. Het eenige, wat mij zeer hindert is, dat ik verplicht
ben voor een hooghartigen minister te verschijnen, die mij wel
niet zeer vriendelijk zal ontvangen. Wat een vernedering voor een
Spanjaard! Echter is 't een noodzakelijkheid; maar voor mij daaraan
te onderworpen, heb ik u willen spreken."
"Mijnheer," zei ik, "laat mij begaan, vertoon u niet aan den eersten
minister, voor ik iets anders omtrent die zaak heb vernomen. Het
kwaad is misschien nog wel te verhelpen. Hoe het zij, u begrijpt,
dat ik alles doen zal wat de vriendschap en dankbaarheid van mij
eischen." Ik bracht hem naar zijn hotel, met de belofte, dat hij zeer
spoedig van mij zou hooren.
Daar ik mij niet meer in de staatszaken mengde, sinds de twee
welsprekende memories, zocht ik Carnero op, om hem te vragen of
het waar was, dat men aan don Alphonse de Leyva de betrekking van
gouverneur van de stad Valencia had ontnomen. Hij antwoordde mij van
ja, maar de beweegredenen wist hij niet.
Zonder aarzelen besloot ik daarop mij tot den minister te wenden,
om uit zijn eigen mond te hooren, waarom hij zich te beklagen had
over don Alphonse.
Deze ongelukkige gebeurtenis had mij zoo onaangenaam getroffen,
dat ik niet behoefde te veinzen, om met een bedroefd gezicht voor
mijn meester te verschijnen. Dadelijk merkte hij het op en vroeg,
wat mij hinderde. "Excellentie," antwoordde ik, "al wilde ik nog zoo
gaarne, ik zou u mijn verdriet niet kunnen verbergen. Men heeft mij
zooeven meegedeeld, dat don Alphonse de Leyva geen gouverneur meer
is van Valencia en het zou moeilijk zijn mij een tijding te brengen,
die mij meer verdriet zou kunnen veroorzaken."
"Wat zeg je, Gil Blas?" riep de minister. "Welk belang kan jij stellen
in Alphonse de Leyva en zijn gouverneursbetrekking?"
Daarop vertelde ik hem uitvoerig van de verplichtingen, die ik aan
de heeren de Leyva had en hoe ik van den hertog de Lerme voor don
Alphonse de betrekking van gouverneur had verkregen.
De minister had mij met veel welwillendheid aangehoord en zei:
"Troost je, mijn vriend, ik wist niets van wat ik nu heb gehoord en
dacht, dat don Alphonse de Leyva een werktuig was van den hertog de
Lerme. Zeg het zelf: was dat bezoek niet verdacht? Maar 't is best
mogelijk, dat hij hiermee geen andere bedoelingen heeft gehad en dat
het slechts een beleefdheidsvisite was uit dankbaarheid. Het spijt
mij nu, dat ik dien man zijn betrekking heb ontnomen, die hij aan jou
te danken had. Maar heb ik je werk op deze wijze ongedaan gemaakt,
ik kan het herstellen. Zelfs wil ik meer voor hem doen, dan de hertog
de Lerme deed. Je vriend was slechts gouverneur van de stad Valencia,
ik zal hem onderkoning van Aragon maken. Ik veroorloof je hem dit
mee te deelen en je kunt hem verzoeken den eed te komen afleggen."
Toen ik dat hoorde, was ik zoo blij, dat ik mij niet eens behoorlijk
kon uitdrukken, om mijn meester te bedanken. Daar hij echter uit mijn
onsamenhangende woorden kon afleiden, dat don Alphonse in Madrid was,
vroeg hij mij hem dienzelfden dag nog aan hem voor te stellen.
Dadelijk begaf ik mij naar het hotel van mijn vriend, die eerst niet
kon gelooven, wat ik hem meedeelde.
De minister ontving hem zeer beleefd. "Don Alphonse," zei hij,
"ge hebt u zoo onderscheiden in uw betrekking als gouverneur van
Valencia, dat de koning u waardig heeft bevonden, een hoogere plaats
te bekleeden en u heeft benoemd tot onderkoning van Aragon. Ook wat
uw geboorte betreft, kan de adel van Aragon geen bezwaar maken tegen
uw aanstelling."
De minister noemde mijn naam niet en het publiek kwam niet te weten,
welk aandeel ik in deze zaak had. Zoo werden onaangename praatjes
voorkomen.
Don César en Séraphine werden door een expres-bode in kennis gesteld
van dit gelukkig feit en kwamen dadelijk over. Men overlaadde mij met
dankbetuigingen en na eenige dagen deed don Alphonse zijn luisterrijken
intocht in Saragossa. De inwoners van Aragon gaven door hun gejuich
te kennen, dat ze zeer waren ingenomen met den vice-koning, dien ik
hun had gegeven.