Santillano gaat naar den dichter Nunez. Welke personen hij er vond
en welke gesprekken er werden gehouden.
Op een zekeren namiddag kreeg ik lust mijn vriend den dichter uit
Asturië eens te gaan bezoeken, nieuwsgierig om te weten hoe zijn
woning ingericht was.
Ik begaf mij naar het huis van don Bertrand Gomez del Ribero en
vroeg daar naar Nunez. Men antwoordde, dat hij daar niet meer woonde,
maar wees mij een naburig huis aan, waarin hij zijn intrek had genomen.
In een zaal, waarin ik verder geen meubelen zag, vond ik mijn vriend
Fabricius nog aan tafel, met vijf of zes confraters, die hij dien
dag onthaalde. Zij waren aan het eind van hun maaltijd en dus aan het
disputeeren. Toen ik binnenkwam was het opeens stil. Nunez stond met
een gewichtig gezicht op om mij te ontvangen en riep: "Mijne heeren,
daar is de heer de Santillano, die mij met een van zijn bezoeken
komt vereeren; bewijst met mij hulde aan den vertrouweling van den
eersten minister!"
Bij die woorden stonden alle gasten op om mij te begroeten en door
de woorden van den gastheer waren ze zeer beleefd. Hoewel ik niet de
minste behoefte aan iets had, moest ik mij aan tafel zetten en een
dronk beantwoorden, die ze op mij uitbrachten.
Daar het scheen, dat mijn tegenwoordigheid hen verhinderde om vrijuit
te spreken zei ik: "Het schijnt mij, dat ik uw onderhoud heb gestoord,
heeren, wees zoo goed en zet het gesprek voort, of ik ga heen."
"Die heeren," zei Fabricius daarop, "spraken van de Iphigenia van
Euripides. De heer Melchior de Villégas, die een geleerde van den
eersten rang is, vroeg aan don Jacinte de Romerate, wat hem het meest
interesseerde in dit treurspel."
"Ja," zei don Jacinte, "en ik heb hem geantwoord: het gevaar, waarin
Iphigenia zich bevond."
"En ik," riep de ander, "heb hem geantwoord, dat niet het gevaar het
belangrijkste was!"
"Wat was het dan?" werd er geroepen.
"Het was de wind," antwoordde Melchior de Villégas.
Het geheele gezelschap barstte in lachen uit om dit antwoord, ik
vatte dit ook niet als ernst op en dacht, dat Melchior het alleen maar
gegeven had om de conversatie aan den gang te houden. Maar ik kende
dien geleerde niet, het was een man, die geen scherts verstond. Op
bedaarden toon zei hij:
"Lacht zooveel ge wilt heeren. Ik houd vol, dat het de wind is, die
de belangstelling verdient en niet het gevaar van Iphigenia. Stelt
u voor een talrijk leger, dat verzameld is om Troje te gaan
belegeren! Verbeeldt u het ongeduld van de officieren en soldaten
om hun voornemen uit te voeren, waarna ze terug kunnen keeren
naar Griekenland, waar ze hebben achtergelaten, hetgeen hun het
meest dierbaar is, hunne huisgoden, hunne vrouwen en kinderen. En
een vervloekte wind houdt hen terug; indien hij niet verandert,
kunnen zij de stad niet gaan belegeren. Dus is het de wind, die van
het grootste belang is in het treurspel. Ik neem de partij van de
Grieken; ik wensch slechts het vertrek van hun vloot en zie met een
onverschillig oog het gevaar van Iphigenia aan. Haar dood is het
middel om van de goden een gunstiger wind te krijgen."
Zoodra Villégas had opgehouden te spreken, werd hij weer
uitgelachen. Nunez en anderen begonnen daarop flauwe aardigheden over
den wind te zeggen. Maar de geleerde heer, die hen met een kalmen en
trotschen blik aankeek, behandelde hen als onwetende en alledaagsche
geesten.
Ik verwachtte ieder oogenblik, dat de heeren zich nog meer zouden
opwinden en elkaar in het haar vliegen, wat het gewone einde is
van hunne discussies, maar ik werd in mijn verwachting bedrogen. Ze
bepaalden er zich toe elkaar eenige beleedigingen te zeggen en trokken
af, nadat zij genoeg gegeten en gedronken hadden.
Toen ik alleen met hem was, vroeg ik Fabricius, waarom hij niet meer
bij den schatmeester woonde en of hij verschil van meening met hem
had gehad.
"Verschil van meening!" riep hij. "De hemel behoede mij ervoor! Ik
ben met don Bertrand nooit op een beteren voet geweest. Hij heeft mij
echter toegestaan, om op mij zelf te wonen en nu heb ik dit verblijf
gehuurd, om er mijn vrienden te ontvangen en met hen in vrijheid te
genieten, wat mij dikwijls gebeurt, want je weet, ik ben niet iemand
om groote sommen aan mijn erfgenamen achter te willen laten en wat
gelukkig voor mij is, ik kan tegenwoordig iederen dag partijen hebben."
"Het doet mij genoegen, mijn waarde Nunez," zei ik, "en ik kan niet
nalaten je nogmaals geluk te wenschen met het succes van je laatste
treurspel. De achthonderd dramatische werken van den grooten Lopez
hebben hem nog geen vierde gedeelte opgebracht van jouw 'Graaf van
Saldagne'."