HOOFDSTUK XIV

Santillano gaat naar den dichter Nunez. Welke personen hij er vond

en welke gesprekken er werden gehouden.

Op een zekeren namiddag kreeg ik lust mijn vriend den dichter uit

Asturië eens te gaan bezoeken, nieuwsgierig om te weten hoe zijn

woning ingericht was.

Ik begaf mij naar het huis van don Bertrand Gomez del Ribero en

vroeg daar naar Nunez. Men antwoordde, dat hij daar niet meer woonde,

maar wees mij een naburig huis aan, waarin hij zijn intrek had genomen.

In een zaal, waarin ik verder geen meubelen zag, vond ik mijn vriend

Fabricius nog aan tafel, met vijf of zes confraters, die hij dien

dag onthaalde. Zij waren aan het eind van hun maaltijd en dus aan het

disputeeren. Toen ik binnenkwam was het opeens stil. Nunez stond met

een gewichtig gezicht op om mij te ontvangen en riep: "Mijne heeren,

daar is de heer de Santillano, die mij met een van zijn bezoeken

komt vereeren; bewijst met mij hulde aan den vertrouweling van den

eersten minister!"

Bij die woorden stonden alle gasten op om mij te begroeten en door

de woorden van den gastheer waren ze zeer beleefd. Hoewel ik niet de

minste behoefte aan iets had, moest ik mij aan tafel zetten en een

dronk beantwoorden, die ze op mij uitbrachten.

Daar het scheen, dat mijn tegenwoordigheid hen verhinderde om vrijuit

te spreken zei ik: "Het schijnt mij, dat ik uw onderhoud heb gestoord,

heeren, wees zoo goed en zet het gesprek voort, of ik ga heen."

"Die heeren," zei Fabricius daarop, "spraken van de Iphigenia van

Euripides. De heer Melchior de Villégas, die een geleerde van den

eersten rang is, vroeg aan don Jacinte de Romerate, wat hem het meest

interesseerde in dit treurspel."

"Ja," zei don Jacinte, "en ik heb hem geantwoord: het gevaar, waarin

Iphigenia zich bevond."

"En ik," riep de ander, "heb hem geantwoord, dat niet het gevaar het

belangrijkste was!"

"Wat was het dan?" werd er geroepen.

"Het was de wind," antwoordde Melchior de Villégas.

Het geheele gezelschap barstte in lachen uit om dit antwoord, ik

vatte dit ook niet als ernst op en dacht, dat Melchior het alleen maar

gegeven had om de conversatie aan den gang te houden. Maar ik kende

dien geleerde niet, het was een man, die geen scherts verstond. Op

bedaarden toon zei hij:

"Lacht zooveel ge wilt heeren. Ik houd vol, dat het de wind is, die

de belangstelling verdient en niet het gevaar van Iphigenia. Stelt

u voor een talrijk leger, dat verzameld is om Troje te gaan

belegeren! Verbeeldt u het ongeduld van de officieren en soldaten

om hun voornemen uit te voeren, waarna ze terug kunnen keeren

naar Griekenland, waar ze hebben achtergelaten, hetgeen hun het

meest dierbaar is, hunne huisgoden, hunne vrouwen en kinderen. En

een vervloekte wind houdt hen terug; indien hij niet verandert,

kunnen zij de stad niet gaan belegeren. Dus is het de wind, die van

het grootste belang is in het treurspel. Ik neem de partij van de

Grieken; ik wensch slechts het vertrek van hun vloot en zie met een

onverschillig oog het gevaar van Iphigenia aan. Haar dood is het

middel om van de goden een gunstiger wind te krijgen."

Zoodra Villégas had opgehouden te spreken, werd hij weer

uitgelachen. Nunez en anderen begonnen daarop flauwe aardigheden over

den wind te zeggen. Maar de geleerde heer, die hen met een kalmen en

trotschen blik aankeek, behandelde hen als onwetende en alledaagsche

geesten.

Ik verwachtte ieder oogenblik, dat de heeren zich nog meer zouden

opwinden en elkaar in het haar vliegen, wat het gewone einde is

van hunne discussies, maar ik werd in mijn verwachting bedrogen. Ze

bepaalden er zich toe elkaar eenige beleedigingen te zeggen en trokken

af, nadat zij genoeg gegeten en gedronken hadden.

Toen ik alleen met hem was, vroeg ik Fabricius, waarom hij niet meer

bij den schatmeester woonde en of hij verschil van meening met hem

had gehad.

"Verschil van meening!" riep hij. "De hemel behoede mij ervoor! Ik

ben met don Bertrand nooit op een beteren voet geweest. Hij heeft mij

echter toegestaan, om op mij zelf te wonen en nu heb ik dit verblijf

gehuurd, om er mijn vrienden te ontvangen en met hen in vrijheid te

genieten, wat mij dikwijls gebeurt, want je weet, ik ben niet iemand

om groote sommen aan mijn erfgenamen achter te willen laten en wat

gelukkig voor mij is, ik kan tegenwoordig iederen dag partijen hebben."

"Het doet mij genoegen, mijn waarde Nunez," zei ik, "en ik kan niet

nalaten je nogmaals geluk te wenschen met het succes van je laatste

treurspel. De achthonderd dramatische werken van den grooten Lopez

hebben hem nog geen vierde gedeelte opgebracht van jouw 'Graaf van

Saldagne'."

De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 2 van 2 De Spaansche Avonturier · 第 80 / 98 题