HOOFDSTUK XI

Santillano bezorgt een betrekking aan Scipio, die naar Nieuw Spanje

reist.

Mijn secretaris keek niet zonder afgunst naar het geluk van den dichter

Nunez. Wel veertien dagen lang sprak hij er mij onophoudelijk van. "Ik

bewonder de grillen van Fortuna," zei hij, "die een slecht schrijver

met gunsten overlaadt, terwijl ze dikwijls voor goede niets heeft

dan armoede. Ik zou wel willen, dat ze mij op een goeden dag eens

gunstig was."

"Dat zal wel gebeuren," antwoordde ik, "en misschien eerder dan je

denkt. Je bent hier in haar tempel; want het huis van den eersten

minister mag wel den tempel van Fortuna heeten."

"'t Is waar mijnheer, maar men moet geduld hebben om er op te wachten."

"Nog eens Scipio, wees gerust, je bent misschien op het punt om iets

goeds te krijgen."

Werkelijk deed zich na eenige dagen een gelegenheid voor, om hem

nuttig te gebruiken in den dienst van den graaf-hertog en ik liet

die niet ongebruikt voorbijgaan.

Op een ochtend had ik een gesprek met don Raimond Caporis, intendant

van den eersten minister en daarbij kwamen ook diens inkomsten

ter sprake.

"Onze meester," zei hij, "heeft zeer groote inkomsten uit al zijn

ambten en bedieningen, maar die beteekenen nog niets bij de onmetelijke

sommen, die hij trekt uit onze overzeesche bezittingen. Weet ge op

welke wijze? Als de schepen van den koning van Sévilla of Lissabon

vertrekken, laat hij wijn, olie en granen inschepen, die hem zijn

graafschap Olivarès opbrengen. Hij betaalt geen vracht. Die koopwaren

laat hij ginds voor viermaal meer geld verkoopen, dan ze in Spanje

waard zijn. Dan laat hij daar specerijen, kleurstoffen en andere

zaken inkoopen, die men in de nieuwe wereld bijna voor niets heeft

en die zeer duur kunnen worden verkocht in Europa. Zoodoende heeft

hij reeds eenige millioenen verdiend, zonder den koning schade te

doen. Alle personen die hij voor den handel gebruikt, worden ook rijk,

omdat ze behalve voor hem, ook voor zich zelf zaken mogen doen."

Scipio, die ons gesprek aanhoorde, kon zich niet weerhouden don Raimond

hier in de rede te vallen: "Mijnheer Caporis, wat zou ik graag tot

die personen behooren! Ook heb ik er reeds lang naar verlangd om

Mexico eens te zien!"

"Aan uw verlangen kan worden voldaan," zei de intendant, "indien

de heer de Santillano er niets tegen heeft. Hoe voorzichtig ik ook

ben in de keuze van de personen die ik uitzend--want ik ben daarmede

belast--ik zal u dadelijk op mijn register zetten, indien uw meester

dat wil."

"Ge zult mij een genoegen doen," zei ik tot Raimond, "door dit bewijs

van vriendschap; Scipio is iemand, van wien ik veel houd en hij is

zeer verstandig. Hij zal de zaken behandelen op een wijze, dat men

niet in het minst over hem zal hebben te klagen. In één woord: ik

sta voor hem in, als voor mijzelf."

"Dat is mij voldoende," zei Caporis. "Hij kan onmiddellijk naar

Sévilla gaan, waar schepen liggen, die over een maand onder zeil zullen

gaan. Bij het vertrek zal ik hem een brief meegeven voor iemand daar,

die hem de noodige instructies zal geven. Hij kan zelf zijn voordeel

doen, zonder tekort te doen aan de belangen van den minister, die

hem heilig zijn."

Scipio was zeer gelukkig en haastte zich te vertrekken. Ik gaf hem

duizend kronen, om daarvoor in Andaloesië wijn en olie te koopen en

daarmee zaken te doen. Hoe verheugd hij ook was een reis te ondernemen,

die hem zoo groot voordeel zou opleveren, was hij toch bedroefd toen

hij afscheid van mij nam en ook ik zag hem niet zonder leedwezen

vertrekken.

De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 2 van 2 De Spaansche Avonturier · 第 77 / 98 题