Santillano bezorgt een betrekking aan Scipio, die naar Nieuw Spanje
reist.
Mijn secretaris keek niet zonder afgunst naar het geluk van den dichter
Nunez. Wel veertien dagen lang sprak hij er mij onophoudelijk van. "Ik
bewonder de grillen van Fortuna," zei hij, "die een slecht schrijver
met gunsten overlaadt, terwijl ze dikwijls voor goede niets heeft
dan armoede. Ik zou wel willen, dat ze mij op een goeden dag eens
gunstig was."
"Dat zal wel gebeuren," antwoordde ik, "en misschien eerder dan je
denkt. Je bent hier in haar tempel; want het huis van den eersten
minister mag wel den tempel van Fortuna heeten."
"'t Is waar mijnheer, maar men moet geduld hebben om er op te wachten."
"Nog eens Scipio, wees gerust, je bent misschien op het punt om iets
goeds te krijgen."
Werkelijk deed zich na eenige dagen een gelegenheid voor, om hem
nuttig te gebruiken in den dienst van den graaf-hertog en ik liet
die niet ongebruikt voorbijgaan.
Op een ochtend had ik een gesprek met don Raimond Caporis, intendant
van den eersten minister en daarbij kwamen ook diens inkomsten
ter sprake.
"Onze meester," zei hij, "heeft zeer groote inkomsten uit al zijn
ambten en bedieningen, maar die beteekenen nog niets bij de onmetelijke
sommen, die hij trekt uit onze overzeesche bezittingen. Weet ge op
welke wijze? Als de schepen van den koning van Sévilla of Lissabon
vertrekken, laat hij wijn, olie en granen inschepen, die hem zijn
graafschap Olivarès opbrengen. Hij betaalt geen vracht. Die koopwaren
laat hij ginds voor viermaal meer geld verkoopen, dan ze in Spanje
waard zijn. Dan laat hij daar specerijen, kleurstoffen en andere
zaken inkoopen, die men in de nieuwe wereld bijna voor niets heeft
en die zeer duur kunnen worden verkocht in Europa. Zoodoende heeft
hij reeds eenige millioenen verdiend, zonder den koning schade te
doen. Alle personen die hij voor den handel gebruikt, worden ook rijk,
omdat ze behalve voor hem, ook voor zich zelf zaken mogen doen."
Scipio, die ons gesprek aanhoorde, kon zich niet weerhouden don Raimond
hier in de rede te vallen: "Mijnheer Caporis, wat zou ik graag tot
die personen behooren! Ook heb ik er reeds lang naar verlangd om
Mexico eens te zien!"
"Aan uw verlangen kan worden voldaan," zei de intendant, "indien
de heer de Santillano er niets tegen heeft. Hoe voorzichtig ik ook
ben in de keuze van de personen die ik uitzend--want ik ben daarmede
belast--ik zal u dadelijk op mijn register zetten, indien uw meester
dat wil."
"Ge zult mij een genoegen doen," zei ik tot Raimond, "door dit bewijs
van vriendschap; Scipio is iemand, van wien ik veel houd en hij is
zeer verstandig. Hij zal de zaken behandelen op een wijze, dat men
niet in het minst over hem zal hebben te klagen. In één woord: ik
sta voor hem in, als voor mijzelf."
"Dat is mij voldoende," zei Caporis. "Hij kan onmiddellijk naar
Sévilla gaan, waar schepen liggen, die over een maand onder zeil zullen
gaan. Bij het vertrek zal ik hem een brief meegeven voor iemand daar,
die hem de noodige instructies zal geven. Hij kan zelf zijn voordeel
doen, zonder tekort te doen aan de belangen van den minister, die
hem heilig zijn."
Scipio was zeer gelukkig en haastte zich te vertrekken. Ik gaf hem
duizend kronen, om daarvoor in Andaloesië wijn en olie te koopen en
daarmee zaken te doen. Hoe verheugd hij ook was een reis te ondernemen,
die hem zoo groot voordeel zou opleveren, was hij toch bedroefd toen
hij afscheid van mij nam en ook ik zag hem niet zonder leedwezen
vertrekken.