Gil Blas ontmoet bij toeval den dichter Nunez, die hem meedeelt,
dat hij een treurspel heeft gemaakt, dat opgevoerd zal worden in den
koninklijken schouwburg. Van de mislukking van dit stuk en van het
geluk, waardoor het werd gevolgd.
De minister begon zich te troosten en daar ik tengevolge daarvan ook
beter van humeur werd, ging ik 's avonds weer uit. Op een rijtoer
ontmoette ik den dichter uit Asturië, dien ik nog niet gezien had
na zijn vertrek uit het hospitaal. Hij was zeer net gekleed; ik liet
hem roepen en bij mij instappen.
"Mijnheer Nunez," zei ik, "het is gelukkig voor mij, dat ik u bij
toeval ontmoet, anders zou ik niet het genoegen hebben gehad u...."
"Geen verwijten, Santillano," viel hij mij in de rede, "ik zal je
eerlijk bekennen, dat ik je niet heb willen bezoeken en ik zal je
zeggen, wat daarvan de reden is. Jij hadt mij een goede betrekking
beloofd, mits ik de poëzie wilde afzweren en ik heb nu een even
goede gevonden, onder voorwaarde, dat ik verzen zal maken. Ik heb de
laatste aangenomen, omdat ze het best past bij mijn karakter. Door
tusschenkomst van een mijner vrienden ben ik geplaatst bij don
Bertrand Gomes del Ribero, schatmeester van den koning. Don Bertrand,
die iemand met gevoel voor het schoone in zijn dienst wilde hebben,
heeft mij uitgekozen uit vijf of zes andere schrijvers, die zich bij
hem aanmeldden voor het ambt van secretaris."
"Dat doet mij genoegen," zei ik, "want die don Bertrand is, naar het
schijnt, zeer rijk."
"Wat rijk! Men zegt dat hij zijn eigen rijkdommen niet kent! Hoe het
zij, ik zal je zeggen, waarin het werk bestaat, dat ik bij hem heb te
doen. Daar hij galant is en wil doorgaan voor een geestig man, is hij
in correspondentie met verschillende kunstminnende dames en ik leen
hem mijn pen voor zijn brieven. Ik schrijf aan de eene in verzen,
aan de andere in proza en ik breng er soms de brieven zelf heen,
om de veelzijdigheid van mijn talent te doen zien."
"Maar ge deelt me niet mee, wat ik het liefst wilde weten. Is de
betaling goed?"
"Zeer goed," antwoordde hij. "De rijke lui zijn niet allen edelmoedig
en ik ken er wel, die gierig zijn, maar don Bertrand behandelt mij
zeer mild. Behalve tweehonderd pistolen vast salaris, ontvang ik van
tijd tot tijd gratificaties en daardoor ben ik in staat als een heer
te leven en mijn tijd aangenaam door te brengen met andere schrijvers,
die als ik, vijanden zijn van het verdriet."
"Maar," vroeg ik, "heeft je meester smaak genoeg, om de schoonheid
te gevoelen van een werk en om er de gebreken van op te merken?"
"O neen," antwoordde Nunez. "Hij praat er wel over, maar een kenner is
hij niet. Wel is hij gewoon om zijn beweringen steeds op hoogen toon
vol te houden en hij kan niet verdragen, dat men hem tegenspreekt. Je
begrijpt dus wel, dat ik mij daar nooit aan waag, welke aanleiding
hij er ook toe geeft, want ongerekend de minder aangename woorden,
die hij mij naar het hoofd zou slingeren, zou hij ook in staat zijn,
mij buiten de deur te zetten. Dus keur ik goed, wat hij prijst en
ik veroordeel al, wat niet in zijn smaak valt. Hij heeft mij nu een
treurspel laten schrijven, waarvoor hij mij het idee heeft aan de
hand gedaan en als het succes heeft, heb ik aan zijn goeden raad een
deel van mijn roem te danken."
Ik vroeg aan onzen dichter den titel van zijn treurspel.
"Die luidt: "De graaf van Saldagne." Het stuk zal over drie dagen in
den koninklijken schouwburg worden opgevoerd."
"Ik hoop," antwoordde ik, "dat het een goed resultaat voor je hebben
zal, waaraan ik trouwens niet twijfel."
"Ik hoop het ook," zei hij. "Maar niets is bedriegelijker dan
zoo iets. De schrijver is altijd onzeker omtrent het lot van een
dramatisch werk."
Op den dag van de eerste voorstelling kon ik niet naar den schouwburg
gaan, omdat ik werk te doen had voor den minister. Al wat ik doen
kon, was Scipio er heen te zenden, om althans denzelfden avond nog te
weten hoe het was afgeloopen. Ik zag hem terugkomen met een gezicht,
dat mij weinig goeds voorspelde.
"Wel," vroeg ik, "hoe is "De graaf van Saldagne" door het publiek
ontvangen geworden?"
"Zeer slecht. Ik heb nooit een stuk bijgewoond, dat zóó is ontvangen
en ik ben verontwaardigd over de onbeschaamdheid van het parterre."
"En ik," antwoordde ik, "ben woedend op Nunez, dat hij zulke
dramatische gedichten maakt. Wat een dwaasheid! Moet hij het verstand
niet hebben verloren, om het slijk, dat het publiek naar hem werpt,
te verkiezen boven het gelukkige lot, dat ik hem wilde bereiden?"
Twee dagen later zag ik den dichter bij mij binnenkomen en zeer tot
mijn verwondering in de vroolijkste stemming. "Santillano!" riep hij,
"ik kom je vertellen welk geluk ik heb gehad! Mijn fortuin is gemaakt
mijn vriend, door dat nieuwe stuk. Je weet, dat men aan "De Graaf
van Saldagne" een vreemde ontvangst heeft bereid. Alle toehoorders
vonden het leelijk en juist aan die algemeene afkeuring heb ik het
geluk van mijn leven te danken."
Ik was zeer verwonderd den dichter Nunez op deze wijze te hooren
spreken.
"Maar Fabricius, hoe is het mogelijk, dat de val van je treurspel je
zulk een geluk heeft kunnen geven?"
"Ik heb je al gezegd, dat don Bertrand mij het idee van het stuk had
ingegeven, dus vond hij het uitstekend en hij was buiten zichzelf,
toen hij moest zien, dat het geheele publiek er anders over dacht dan
hij. Hij zei me, dat zoo het stuk al niet voldaan had aan het publiek,
het hem althans wel was bevallen en dat mij zulks voldoende moest
zijn. Om mij te troosten, heeft hij mij een vast inkomen van duizend
kronen uit zijn goederen geschonken. Hij heeft daarvan dadelijk bij
een notaris een acte laten opmaken en het eerste jaar is mij vooruit
betaald."
Ik feliciteerde Fabricius met het ongelukkige lot van den Graaf van
Saldagne, omdat die zaak voor hem zoo goed was afgeloopen.
"Dat is wel een felicitatie waard," zei hij. "Er kon mij geen grooter
geluk zijn overkomen dan het gefluit van het parterre. Indien het
publiek mij gunstiger gezind was geweest en geapplaudisseerd had,
waartoe zou dat dan hebben geleid? Tot niets. Ik zou door mijn werk
een kleine som hebben verdiend. En nu ik uitgefloten ben, kan ik
zeggen dat ik voor de rest van mijn leven binnen ben."