HOOFDSTUK X

Gil Blas ontmoet bij toeval den dichter Nunez, die hem meedeelt,

dat hij een treurspel heeft gemaakt, dat opgevoerd zal worden in den

koninklijken schouwburg. Van de mislukking van dit stuk en van het

geluk, waardoor het werd gevolgd.

De minister begon zich te troosten en daar ik tengevolge daarvan ook

beter van humeur werd, ging ik 's avonds weer uit. Op een rijtoer

ontmoette ik den dichter uit Asturië, dien ik nog niet gezien had

na zijn vertrek uit het hospitaal. Hij was zeer net gekleed; ik liet

hem roepen en bij mij instappen.

"Mijnheer Nunez," zei ik, "het is gelukkig voor mij, dat ik u bij

toeval ontmoet, anders zou ik niet het genoegen hebben gehad u...."

"Geen verwijten, Santillano," viel hij mij in de rede, "ik zal je

eerlijk bekennen, dat ik je niet heb willen bezoeken en ik zal je

zeggen, wat daarvan de reden is. Jij hadt mij een goede betrekking

beloofd, mits ik de poëzie wilde afzweren en ik heb nu een even

goede gevonden, onder voorwaarde, dat ik verzen zal maken. Ik heb de

laatste aangenomen, omdat ze het best past bij mijn karakter. Door

tusschenkomst van een mijner vrienden ben ik geplaatst bij don

Bertrand Gomes del Ribero, schatmeester van den koning. Don Bertrand,

die iemand met gevoel voor het schoone in zijn dienst wilde hebben,

heeft mij uitgekozen uit vijf of zes andere schrijvers, die zich bij

hem aanmeldden voor het ambt van secretaris."

"Dat doet mij genoegen," zei ik, "want die don Bertrand is, naar het

schijnt, zeer rijk."

"Wat rijk! Men zegt dat hij zijn eigen rijkdommen niet kent! Hoe het

zij, ik zal je zeggen, waarin het werk bestaat, dat ik bij hem heb te

doen. Daar hij galant is en wil doorgaan voor een geestig man, is hij

in correspondentie met verschillende kunstminnende dames en ik leen

hem mijn pen voor zijn brieven. Ik schrijf aan de eene in verzen,

aan de andere in proza en ik breng er soms de brieven zelf heen,

om de veelzijdigheid van mijn talent te doen zien."

"Maar ge deelt me niet mee, wat ik het liefst wilde weten. Is de

betaling goed?"

"Zeer goed," antwoordde hij. "De rijke lui zijn niet allen edelmoedig

en ik ken er wel, die gierig zijn, maar don Bertrand behandelt mij

zeer mild. Behalve tweehonderd pistolen vast salaris, ontvang ik van

tijd tot tijd gratificaties en daardoor ben ik in staat als een heer

te leven en mijn tijd aangenaam door te brengen met andere schrijvers,

die als ik, vijanden zijn van het verdriet."

"Maar," vroeg ik, "heeft je meester smaak genoeg, om de schoonheid

te gevoelen van een werk en om er de gebreken van op te merken?"

"O neen," antwoordde Nunez. "Hij praat er wel over, maar een kenner is

hij niet. Wel is hij gewoon om zijn beweringen steeds op hoogen toon

vol te houden en hij kan niet verdragen, dat men hem tegenspreekt. Je

begrijpt dus wel, dat ik mij daar nooit aan waag, welke aanleiding

hij er ook toe geeft, want ongerekend de minder aangename woorden,

die hij mij naar het hoofd zou slingeren, zou hij ook in staat zijn,

mij buiten de deur te zetten. Dus keur ik goed, wat hij prijst en

ik veroordeel al, wat niet in zijn smaak valt. Hij heeft mij nu een

treurspel laten schrijven, waarvoor hij mij het idee heeft aan de

hand gedaan en als het succes heeft, heb ik aan zijn goeden raad een

deel van mijn roem te danken."

Ik vroeg aan onzen dichter den titel van zijn treurspel.

"Die luidt: "De graaf van Saldagne." Het stuk zal over drie dagen in

den koninklijken schouwburg worden opgevoerd."

"Ik hoop," antwoordde ik, "dat het een goed resultaat voor je hebben

zal, waaraan ik trouwens niet twijfel."

"Ik hoop het ook," zei hij. "Maar niets is bedriegelijker dan

zoo iets. De schrijver is altijd onzeker omtrent het lot van een

dramatisch werk."

Op den dag van de eerste voorstelling kon ik niet naar den schouwburg

gaan, omdat ik werk te doen had voor den minister. Al wat ik doen

kon, was Scipio er heen te zenden, om althans denzelfden avond nog te

weten hoe het was afgeloopen. Ik zag hem terugkomen met een gezicht,

dat mij weinig goeds voorspelde.

"Wel," vroeg ik, "hoe is "De graaf van Saldagne" door het publiek

ontvangen geworden?"

"Zeer slecht. Ik heb nooit een stuk bijgewoond, dat zóó is ontvangen

en ik ben verontwaardigd over de onbeschaamdheid van het parterre."

"En ik," antwoordde ik, "ben woedend op Nunez, dat hij zulke

dramatische gedichten maakt. Wat een dwaasheid! Moet hij het verstand

niet hebben verloren, om het slijk, dat het publiek naar hem werpt,

te verkiezen boven het gelukkige lot, dat ik hem wilde bereiden?"

Twee dagen later zag ik den dichter bij mij binnenkomen en zeer tot

mijn verwondering in de vroolijkste stemming. "Santillano!" riep hij,

"ik kom je vertellen welk geluk ik heb gehad! Mijn fortuin is gemaakt

mijn vriend, door dat nieuwe stuk. Je weet, dat men aan "De Graaf

van Saldagne" een vreemde ontvangst heeft bereid. Alle toehoorders

vonden het leelijk en juist aan die algemeene afkeuring heb ik het

geluk van mijn leven te danken."

Ik was zeer verwonderd den dichter Nunez op deze wijze te hooren

spreken.

"Maar Fabricius, hoe is het mogelijk, dat de val van je treurspel je

zulk een geluk heeft kunnen geven?"

"Ik heb je al gezegd, dat don Bertrand mij het idee van het stuk had

ingegeven, dus vond hij het uitstekend en hij was buiten zichzelf,

toen hij moest zien, dat het geheele publiek er anders over dacht dan

hij. Hij zei me, dat zoo het stuk al niet voldaan had aan het publiek,

het hem althans wel was bevallen en dat mij zulks voldoende moest

zijn. Om mij te troosten, heeft hij mij een vast inkomen van duizend

kronen uit zijn goederen geschonken. Hij heeft daarvan dadelijk bij

een notaris een acte laten opmaken en het eerste jaar is mij vooruit

betaald."

Ik feliciteerde Fabricius met het ongelukkige lot van den Graaf van

Saldagne, omdat die zaak voor hem zoo goed was afgeloopen.

"Dat is wel een felicitatie waard," zei hij. "Er kon mij geen grooter

geluk zijn overkomen dan het gefluit van het parterre. Indien het

publiek mij gunstiger gezind was geweest en geapplaudisseerd had,

waartoe zou dat dan hebben geleid? Tot niets. Ik zou door mijn werk

een kleine som hebben verdiend. En nu ik uitgefloten ben, kan ik

zeggen dat ik voor de rest van mijn leven binnen ben."

De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 2 van 2 De Spaansche Avonturier · 第 76 / 98 题