Gil Blas komt van dag tot dag meer in de gunst bij zijn meester. Van de
terugkomst van Scipio te Madrid en van het verhaal, dat hij Santillano
van zijn reis doet.
De graaf van Olivarès, dien ik voortaan den graaf-hertog zal noemen,
omdat de koning hem in dien tijd met dezen titel vereerde, had
het gebrek, dat hij bemind wilde worden. Zoodra hij bemerkte, dat
iemand zich uit genegenheid aan hem hechtte, schonk hij hem zijn
vriendschap. Dit had ik opgemerkt en ik zorgde ervoor het niet te
verwaarloozen. Ik bepaalde mij er niet toe, om goed te verrichten,
wat hij mij opdroeg, ik voerde zijn bevelen uit met een ijver, die
hem opviel. Ik bestudeerde zijn smaak in alle zaken, om mij daarnaar
te vormen en ik voorkwam zijn wenschen, zooveel mij dat mogelijk was.
Door dit gedrag, dat bijna altijd tot het doel leidt, werd ik ongemerkt
de gunsteling van mijn meester, die van zijn kant, daar ik hetzelfde
zwak had als hij, mij voor zich won, door mij tal van bewijzen van
zijn genegenheid te schenken. Al spoedig begon ik zijn vertrouwen te
deelen met Carnero, zijn eersten secretaris.
Carnero had zich van hetzelfde middel bediend als ik, om den minister
te bevallen en hij was daarin zoo goed geslaagd, dat hij deelgenoot
was van de kabinetsgeheimen. Die secretaris en ik werden dus de
vertrouwelingen van den eersten minister met dit onderscheid, dat
hij met Carnero slechts over staatszaken sprak en dat hij mij slechts
onderhield over zijn particuliere aangelegenheden. Hij maakte om zoo
te zeggen twee gescheiden departementen, waarover wij beiden tevreden
waren. Wij leefden zonder jaloezie, maar ook zonder vriendschap
voor elkaar.
Toen de graaf-hertog niet meer twijfelde aan mijn gehechtheid aan hem,
werd hij zeer openhartig in zijn mededeelingen.
"Santillano," zei hij op zekeren dag tot mij, "je hebt den hertog
de Lerme van een macht zien genieten, die minder op dien van een
minister dan van een onbeperkt heerscher geleek; ik ben echter nog
gelukkiger dan hij het op het hoogtepunt van zijn macht was. Hij had
twee geduchte vijanden in den hertog d'Uzède, zijn eigen zoon en in
den biechtvader van koning Filips III, terwijl niemand bij den koning
is, die genoeg invloed bezit om mij te benadeelen. Zelfs verdenk ik
er niemand in die omgeving van dat hij mij slecht gezind is.
Het is waar, dat ik, toen ik minister werd, ervoor gezorgd heb bij
den koning slechts personen te plaatsen, die door banden des bloeds
of vriendschap aan mij verbonden zijn. Van alle groote heeren, die
door hunne persoonlijke verdiensten mij een deel van de gunsten des
konings zouden kunnen ontnemen, heb ik mij ontdaan, door hen naar
gezantschappen te zenden en zoo kan ik nu zeggen, dat er niemand is,
die tekort doet aan mijn invloed."
Terwijl mijn meester zulke gesprekken met mij hield, naderde de tijd,
dat Scipio van zijn reis terug moest keeren.
"Ik heb u geen lang verhaal te doen," zei hij bij zijn terugkomst. "Het
deed den heeren de Leyva een zeer groot genoegen te vernemen, welke
ontvangst de koning u bereidde, toen hij u herkende en de wijze,
waarop de graaf van Olivarès van uw diensten gebruik maakt."
Hier viel ik Scipio in de rede: "Mijn vriend, je had hun nog veel
grooter genoegen kunnen doen, indien je had kunnen zeggen op welken
goeden voet ik nu met mijn meester ben. Sinds je vertrek heb ik groote
vorderingen in zijn gunst gemaakt."
"Den hemel zij dank, mijn waarde meester. Ik heb een voorgevoel,
dat ons een schoone toekomst wacht."
"Maar laten wij nu van onderwerp veranderen, Scipio, vertel nu van
Oviédo. Je bent in Asturië geweest. Hoe heb je mijn moeder gevonden?"
Zijn gezicht nam een treurige uitdrukking aan en hij zei: "O mijnheer,
ik heb u in dat opzicht slechts treurig nieuws te brengen."
"O hemel! Mijn moeder is zeker dood?"
"Helaas ja, zes maanden geleden is zij gestorven en ook uw oom Gil
Perez is overleden." De dood van mijn moeder deed mij smartelijk aan,
hoewel ik in mijn jeugd nooit die bewijzen van teederheid van haar had
ontvangen, waaraan kinderen zoo groote behoefte hebben. Ook mijn goeden
oom, die zooveel zorg voor mijn opvoeding had gedragen, betreurde ik.