HOOFDSTUK VIII

Gil Blas komt van dag tot dag meer in de gunst bij zijn meester. Van de

terugkomst van Scipio te Madrid en van het verhaal, dat hij Santillano

van zijn reis doet.

De graaf van Olivarès, dien ik voortaan den graaf-hertog zal noemen,

omdat de koning hem in dien tijd met dezen titel vereerde, had

het gebrek, dat hij bemind wilde worden. Zoodra hij bemerkte, dat

iemand zich uit genegenheid aan hem hechtte, schonk hij hem zijn

vriendschap. Dit had ik opgemerkt en ik zorgde ervoor het niet te

verwaarloozen. Ik bepaalde mij er niet toe, om goed te verrichten,

wat hij mij opdroeg, ik voerde zijn bevelen uit met een ijver, die

hem opviel. Ik bestudeerde zijn smaak in alle zaken, om mij daarnaar

te vormen en ik voorkwam zijn wenschen, zooveel mij dat mogelijk was.

Door dit gedrag, dat bijna altijd tot het doel leidt, werd ik ongemerkt

de gunsteling van mijn meester, die van zijn kant, daar ik hetzelfde

zwak had als hij, mij voor zich won, door mij tal van bewijzen van

zijn genegenheid te schenken. Al spoedig begon ik zijn vertrouwen te

deelen met Carnero, zijn eersten secretaris.

Carnero had zich van hetzelfde middel bediend als ik, om den minister

te bevallen en hij was daarin zoo goed geslaagd, dat hij deelgenoot

was van de kabinetsgeheimen. Die secretaris en ik werden dus de

vertrouwelingen van den eersten minister met dit onderscheid, dat

hij met Carnero slechts over staatszaken sprak en dat hij mij slechts

onderhield over zijn particuliere aangelegenheden. Hij maakte om zoo

te zeggen twee gescheiden departementen, waarover wij beiden tevreden

waren. Wij leefden zonder jaloezie, maar ook zonder vriendschap

voor elkaar.

Toen de graaf-hertog niet meer twijfelde aan mijn gehechtheid aan hem,

werd hij zeer openhartig in zijn mededeelingen.

"Santillano," zei hij op zekeren dag tot mij, "je hebt den hertog

de Lerme van een macht zien genieten, die minder op dien van een

minister dan van een onbeperkt heerscher geleek; ik ben echter nog

gelukkiger dan hij het op het hoogtepunt van zijn macht was. Hij had

twee geduchte vijanden in den hertog d'Uzède, zijn eigen zoon en in

den biechtvader van koning Filips III, terwijl niemand bij den koning

is, die genoeg invloed bezit om mij te benadeelen. Zelfs verdenk ik

er niemand in die omgeving van dat hij mij slecht gezind is.

Het is waar, dat ik, toen ik minister werd, ervoor gezorgd heb bij

den koning slechts personen te plaatsen, die door banden des bloeds

of vriendschap aan mij verbonden zijn. Van alle groote heeren, die

door hunne persoonlijke verdiensten mij een deel van de gunsten des

konings zouden kunnen ontnemen, heb ik mij ontdaan, door hen naar

gezantschappen te zenden en zoo kan ik nu zeggen, dat er niemand is,

die tekort doet aan mijn invloed."

Terwijl mijn meester zulke gesprekken met mij hield, naderde de tijd,

dat Scipio van zijn reis terug moest keeren.

"Ik heb u geen lang verhaal te doen," zei hij bij zijn terugkomst. "Het

deed den heeren de Leyva een zeer groot genoegen te vernemen, welke

ontvangst de koning u bereidde, toen hij u herkende en de wijze,

waarop de graaf van Olivarès van uw diensten gebruik maakt."

Hier viel ik Scipio in de rede: "Mijn vriend, je had hun nog veel

grooter genoegen kunnen doen, indien je had kunnen zeggen op welken

goeden voet ik nu met mijn meester ben. Sinds je vertrek heb ik groote

vorderingen in zijn gunst gemaakt."

"Den hemel zij dank, mijn waarde meester. Ik heb een voorgevoel,

dat ons een schoone toekomst wacht."

"Maar laten wij nu van onderwerp veranderen, Scipio, vertel nu van

Oviédo. Je bent in Asturië geweest. Hoe heb je mijn moeder gevonden?"

Zijn gezicht nam een treurige uitdrukking aan en hij zei: "O mijnheer,

ik heb u in dat opzicht slechts treurig nieuws te brengen."

"O hemel! Mijn moeder is zeker dood?"

"Helaas ja, zes maanden geleden is zij gestorven en ook uw oom Gil

Perez is overleden." De dood van mijn moeder deed mij smartelijk aan,

hoewel ik in mijn jeugd nooit die bewijzen van teederheid van haar had

ontvangen, waaraan kinderen zoo groote behoefte hebben. Ook mijn goeden

oom, die zooveel zorg voor mijn opvoeding had gedragen, betreurde ik.

De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 2 van 2 De Spaansche Avonturier · 第 74 / 98 题