HOOFDSTUK VII

Door welk toeval, op welke plaats en in welken toestand Gil Blas zijn

vriend Fabricius terugvond en van het onderhoud, dat zij samen hadden.

Niets was den minister aangenamer, dan te vernemen, wat men in Madrid

van het ministerie dacht. Alle dagen vroeg hij mij, wat men van hem

zei. Hij had zelfs spionnen, die voor geld hem verslag gaven van al

wat er in de stad gebeurde. Zij brachten hem tot het minste gesprek

over, dat zij hadden gehoord en daar hij hen beval oprecht te zijn,

leed zijn eigenliefde er dikwijls door, want het volk heeft een tong,

die niets eerbiedigt.

Daar ik bemerkte, dat de graaf zeer op dergelijke rapporten was

gesteld, ging ik er 's avonds op uit, bezocht openbare plaatsen

en mengde mij in het gesprek. Werd er over de regeering gesproken,

dan luisterde ik scherp toe en maakte den minister deelgenoot van

hetgeen ik had vernomen. Echter zorgde ik er wel voor, dat ik hem

niets overbracht, wat niet in zijn voordeel was. Het scheen mij toe,

dat hij op deze wijze moest worden behandeld.

Op een dag, dat ik terugkwam van een dier plaatsen, ging ik langs een

hospitaal. Ik kreeg lust naar binnen te gaan en doorliep twee of drie

zalen, die vol lagen met zieken.

Onder de ongelukkigen, die ik niet zonder medelijden aanschouwde,

was er een, die mijn aandacht trok; ik meende in hem Fabricius

te herkennen, mijn ouden kameraad. Om hem meer van nabij te zien,

naderde ik zijn bed en ik kon er niet aan twijfelen, het was de dichter

Nunez. Eenige oogenblikken keek ik naar hem zonder iets te zeggen. Van

zijn kant herkende hij mij ook. Eindelijk verbrak ik het stilzwijgen:

"Mijn oogen bedriegen mij dus niet; is het werkelijk Fabricius,

dien ik hier zie?"

"Hij is het zelf," antwoordde hij koel, "en je moet je daarover

niet verwonderen. Sedert ik je verlaten heb, heb ik steeds hetzelfde

auteursvak beoefend. Ik heb romans en comedies gemaakt, alle soorten

geestelijken arbeid verricht. Ik heb mijn weg afgelegd; ik ben in

het hospitaal."

Ik kon mij niet weerhouden te glimlachen om zijn woorden en meer nog

om den ernstigen toon, waarop hij ze uitsprak.

"Wel," riep ik, "heeft je muze je naar deze plaats geleid! Dan heeft

ze je een slechten dienst bewezen!"

"Je ziet het," antwoordde hij, "dit huis dient dikwijls als

schuilplaats voor schoone geesten. Jij hebt goed gedaan, met een

anderen weg te nemen dan ik. Maar je bent, naar het schijnt, niet

meer aan het hof en de zaken zijn veranderd. Ik herinner me zelfs te

hebben gehoord, dat je in de gevangenis waart op bevel van den koning."

"Je hebt de waarheid vernomen. De aangename positie, waarin je mij

verlaten hebt toen wij scheidden, werd korten tijd daarna gevolgd door

een tegenslag van de fortuin, die mij mijn goederen en mijn vrijheid

ontnam. Maar mijn vriend, je ziet mij nu nog in een schitterender

staat, dan waarin ge mij toen hebt gezien."

"Dat is niet mogelijk," zei Nunez, "je houding is nu wijs en

bescheiden, je hebt niet het ijdel en traag uiterlijk, dat de voorspoed

gewoonlijk geeft."

"De tegenspoed heeft mij gelouterd. In die school heb ik geleerd van

de rijkdommen te genieten, zonder dat ze mij bezitten."

"Zeg me dan eens wat je nu doet? Ben je intendant bij een groot heer,

die zich ruïneert of bij een vermogende weduwe?"

"Ik heb een betere betrekking," zei ik, "maar laat ons daar niet

over spreken. Later zal ik je nieuwsgierigheid bevredigen. Op het

oogenblik kan ik mij er toe bepalen je mee te deelen, dat ik in staat

ben je genoegen te doen, of beter nog de rest van je dagen behoorlijk

te doen slijten, mits je mij belooft, geen werken des geestes meer

samen te stellen, noch in verzen, noch in proza. Voel je, dat je in

staat bent, mij zulk een offer te brengen?"

"Dat heb ik al aan den hemel gedaan in een doodelijke ziekte,

waaraan je me nu ontsnapt ziet. Een Dominicaner heeft mij de poëzie

doen afzweren, als een vermaak, dat, zoo het al niet misdadig is,

dan toch van de wijsheid afbrengt."

"Mijn waarde Nunez, daar feliciteer ik je hartelijk mee. Maar pas op,

dat je niet weer terugvalt."

"O, daar is geen gevaar voor. Ik heb een kloek besluit genomen om de

muzen te verlaten: toen je hier binnenkwam, was ik juist bezig aan

een vers, om ze voor eeuwig vaarwel te zeggen."

"Mijnheer Fabricius, ik weet niet, of wij wel trots kunnen zijn op

je eed. Je schijnt woedend verzot te zijn op die geleerde maagden."

"Neen, neen, ik heb alle banden verbroken, die mij aan haar

hechtten. Ik deed meer: ik heb een afkeer gekregen van het publiek en

mijn haat is gerechtvaardigd. Het verdient niet, dat er auteurs zijn,

die het hun werken willen offeren. Ik zou bedroefd zijn, indien ik

iets maakte, dat het publiek beviel. Meen niet, dat het verdriet mij

die woorden ingeeft; ik spreek in koelen bloede. Ik veracht zoowel

de toejuiching, als den afkeer van het publiek, dat grillig is,

heden zus denkt en morgen zoo. Wat zijn de dramatische dichters niet

gek van ijdelheid, indien hunne stukken slagen! Welk een leven wordt

er gemaakt als die stukken voor het eerst worden opgevoerd! Maar ze

handhaven zich zelden na dien eersten indruk en worden ze twintig jaar

later opgevoerd, dan worden ze slecht ontvangen. Het tegenwoordige

geslacht beschuldigt het vorige van slechten smaak en het tegenwoordige

zal op zijn beurt weer worden veroordeeld door het komende. Dat heb

ik altijd opgemerkt en daaruit heb ik besloten, dat de schrijvers,

die nu worden toegejuicht, moeten verwachten, dat ze in de toekomst

zullen worden uitgefloten. Zoo gaat het ook met romans. De roem van

een werk is niet anders dan een hersenschim, een illusie, een vuur

van stroo, waarvan de rook weldra in de lucht zal verdwijnen."

Hoewel ik meende, dat de dichter uit Asturië alleen zoo sprak uit

spijtigheid, liet ik dat niet merken.

"Het doet mij zeer veel genoegen," zei ik, "dat je een tegenzin

in dat werk hebt gekregen en dat je radikaal bent genezen van

je schrijverswoede, je kan er op rekenen, dat ik je dadelijk een

betrekking zal geven, waarin je rijk kan worden zonder een groote

verspilling van genie."

"Zooveel te beter, de geest doet me stikken en ik beschouw hem als

het noodlottigste geschenk, dat de hemel den mensch had kunnen maken."

"Mijn waarde Fabricius, wanneer je er bij blijft, de poëzie te

laten varen, dan zal ik je een eerlijke en winstgevende betrekking

bezorgen. Maar in afwachting dat ik je dien dienst kan bewijzen,

verzoek ik je dit kleine bewijs van mijn vriendschap te willen

aanvaarden." Bij die laatste woorden gaf ik hem een beurs met ongeveer

zestig pistolen.

"O edelmoedige vriend!" riep de zoon van den barbier Nunez, "hoe kan ik

den hemel genoeg danken, dat hij je dit hospitaal heeft doen betreden,

dat ik nu kan verlaten!"

Voor ik wegging gaf ik hem mijn adres op en verzocht hem mij te komen

bezoeken, zoodra zijn gezondheid dat zou toelaten.

Een buitengewone verrassing toonde hij, toen ik hem zei, dat ik bij

den graaf van Olivarès woonde.

"O, al te gelukkige Gil Blas!" riep hij, "wiens lot het is, ministers

te behagen; ik verheug mij in je geluk, omdat je er een zoo goed

gebruik van maakt."

De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 2 van 2 De Spaansche Avonturier · 第 73 / 98 题