Van het gebruik, dat Gil Blas maakte van de driehonderd pistolen
en van de zorgen, waarmee hij Scipio belastte. Succes van het stuk,
waarvan in het vorige hoofdstuk wordt gesproken.
Deze weldaad van den minister gaf Scipio opnieuw aanleiding, om mij
te feliciteeren, dat ik aan het hof was gekomen. "Spijt het u nu nog,
dat ge uw eenzaamheid hebt verlaten? Leve de graaf! Dat is een andere
patroon dan zijn voorganger. De hertog de Lerme liet u, hoe zeer ge
aan hem gehecht waart, drie maanden wachten, zonder u iets te geven
en de graaf geeft u nu reeds een gratificatie, waarop ge eerst hadt
kunnen hopen na langdurige diensten. Ik wilde wel, dat de heeren de
Leyva getuigen waren van uw geluk of er althans van wisten!"
"Het is tijd," zei ik, "hen daarvan in kennis te stellen en daarover
wilde ik juist met je spreken. Ik twijfel er niet aan, of zij wachten
met ongeduld eenig bericht van mij, maar ik heb er mee gewacht hun
dat te zenden, tot ik zekerheid had, of ik al dan niet aan het hof
zou blijven. Nu ik weet waaraan ik mij heb te houden, kunt ge naar
Valencia gaan zoodra ge wilt."
"Wat zullen de heeren blij zijn, als ik zulke goede berichten breng! De
twee paarden van don Alphonse staan klaar. Ik zal op weg gaan met
een lakei van den graaf. Behalve dat het aangenaam voor mij zal zijn,
om een reisgezel te hebben, maakt een livrei van den eersten minister
den noodigen indruk."
Ik kon niet nalaten te lachen om de zotte ijdelheid van mijn secretaris
en nochtans, misschien nog ijdeler dan hij, liet ik toe hetgeen
hij wilde.
"Ga op reis," zei ik, "en kom spoedig terug, want ik heb nog iets
anders voor je te doen. Ik wil je n.l. naar Asturië zenden, om geld
aan mijn moeder te brengen. Eenigen tijd geleden reeds had ze honderd
pistolen van mij moeten ontvangen en je moet haar die persoonlijk
ter hand stellen."
"Het spijt mij, dat ik u niet aan die zaak heb helpen herinneren,
maar wees gerust; over zes weken of eerder ben ik terug en ik zal
u dan verslag doen van mijn zendingen. Ik zal de heeren de Leyva
hebben gesproken, uw kasteel en Oviédo hebben bezocht, aan welke
stad ik niet kan denken, na de onaangename behandeling, die wij er
hebben ondervonden, zonder driekwart van de bewoners naar den duivel
te wenschen."
Hierna gaf ik Scipio honderd pistolen voor mijn moeder en honderd
voor hem zelf, opdat het hem op reis aan niets zou ontbreken.
Eenige dagen na zijn vertrek liet de minister ons stuk drukken, dat
zoodra het publiek werd, het onderwerp uitmaakte van alle gesprekken
te Madrid. Het volk, vriend van alles wat nieuw is, was zeer ingenomen
met dit geschrift. De uitputting van de financiën, die in levendige
kleuren was geschilderd, zette het op tegen den hertog de Lerme.
De prachtige belofte, dat de staat zou gaan bloeien, zonder de
lasten der onderdanen te verzwaren, bevestigden de goede meening,
die men reeds over den eersten minister had en deden zijn lof overal
weerklinken.
De minister, verheugd dat zijn doel bereikt was, n.l. het winnen van de
volksgunst, wilde die nu werkelijk verdienen door een prijzenswaardige
daad, die nuttig was voor den koning. Zij, die zich verrijkt hadden,
moesten bloeden, hij verminderde alle salarissen, het zijne niet
uitgezonderd; ook met de gratificatiën werd niet meer zoo mild
omgesprongen.
Er was nu echter weer een nieuwe memorie noodig. Bij de samenstelling
daarvan gelastte hij mij, mij te verheffen boven mijn gewonen stijl.
"Ik begrijp het," zei ik, "u moet iets verhevens hebben, ik zal
daarvoor zorgen."
Daarop ging ik aan het werk, waarbij ik de hulp inriep van den
welsprekenden geest van den aartsbisschop van Granada.
Ik begon met te zeggen, dat het geld in de koninklijke schatkist
met zorg moest worden bewaard en dat het alleen mocht worden
aangewend voor de werkelijke behoeften van de monarchie, omdat het
een heilig fonds was, dat moest dienen, om de vijanden van Spanje
respect in te boezemen. Voorts betoogde ik, dat er geen geld noodig
was om de onderdanen, die zich gunsten hadden waardig gemaakt, te
onderscheiden. Immers de koning had tal van ambten en betrekkingen
te vergeven.
Dit stuk, dat veel langer was dan het eerste, hield mij bijna drie
dagen bezig, maar gelukkig voldeed het mijn meester, die mij met lof
overlaadde. De plaatsen, waar de stijl het meest gezwollen was, roemde
hij het hardst. Niettegenstaande zijn betuigingen van tevredenheid,
veranderde hij nog veel in het geschrift, dat bij den koning en het
hof in zeer goede aarde viel. In de stad juichte men het eveneens toe;
men vleide zich, dat de monarchie haar ouden luister zou hernemen
onder zulk een minister.
Mijn meester, die zooveel eer inoogstte, wilde ook mij van de vruchten
doen plukken en liet mij vijfhonderd kronen betalen. Dat scheen mij een
zeer behoorlijke belooning van mijn werk en ze was mij te aangenamer,
omdat ze niet op slechte wijze was verkregen, al had ik haar dan ook
gemakkelijk genoeg verdiend.