Gil Blas maakt zich bemind bij den graaf van Olivarès.
Na den middag was ik terug bij den eersten minister en vroeg naar zijn
intendant, die don Raimond Caporis heette. Zoodra ik mijn naam had
genoemd, ontving hij mij met alle teekenen van eerbied. Hij verzocht
mij hem te volgen en bracht mij naar een vleugel van de tweede
verdieping. "Hier heeft de minister voor u een woning ingericht. Ge
zult iederen dag op zijn kosten een tafel hebben van zes couverts,
door zijn eigen personeel worden bediend en er zal steeds een koets
tot uw beschikking zijn. Dat is nog niet alles, de minister heeft mij
uitdrukkelijk bevolen dezelfde zorgen voor u te hebben, alsof ge tot
zijn familie zoudt behooren."
"Wat voor den duivel!" zei ik in stilte, "zou dat alles beteekenen? Hoe
moet ik die onderscheidingen opvatten? Zou de minister zich weer ten
koste van mij willen vermaken? Maar komt zoo iets eigenlijk wel te
pas voor een minister van den kroon?"
Terwijl ik zoo in die onzekerheid tusschen hoop en vrees zweefde, kwam
een page mij zeggen, dat de graaf mij wenschte te zien. Onmiddellijk
begaf ik mij naar zijn kabinet, waar ik hem alleen vond.
"Welnu Santillano, zijt gij tevreden over uw logies en over de bevelen,
die ik don Raimond heb gegeven?"
"Excellentie," antwoordde ik, "uw goedheid is zoo overstelpend groot,
dat ze mij verlegen maakt."
"Waarom?" vroeg hij. "Kan ik wel te veel eer bewijzen aan een man,
die mij door den koning speciaal is aanbevolen? Ik doe niet anders
dan mijn plicht, wanneer ik u op zulk een wijze behandel. Verwonder u
niet over hetgeen ik voor u doe en reken erop, dat een schitterende
positie u niet zal ontgaan, indien ge aan mij even gehecht blijft,
als aan den hertog de Lerme. Maar van dien heer gesproken, men zegt,
dat hij zeer intiem met u was. Ik ben benieuwd te weten, hoe gij met
elkaar hebt kennis gemaakt en welk werk hij liet doen. Verberg mij
niets; ik vraag van u een oprecht en getrouw verhaal."
Ik herinnerde mij op dat oogenblik de verlegenheid, waarin ik
verkeerde, toen ik mij tegenover den hertog de Lerme in een
zelfden toestand bevond en op welke wijze ik mij er toen had
uitgered. Diezelfde practijk deed mij ook nu weer dienst. Ik verzachtte
de ruwe kanten van mijn verhaal en liep licht heen over de zaken,
die mij weinig eer aandeden. Ook spaarde ik den hertog de Lerme,
hoewel ik mijn toehoorder misschien meer genoegen had gedaan, door
het tegendeel. Wat don Rodrigo de Calderone aanging, hem ontzag ik
in geen enkel opzicht. Ik deelde alles mee, wat mij bekend was van
zijn kunstgrepen in het begeven van betrekkingen, het verleenen van
gratificatiën als anderszins.
"Wat ge mij van Calderone zegt," zei de minister, "komt overeen met
zekere memoires, die men bij mij tegen hem heeft ingediend en die
nog zwaardere beschuldigingen bevatten. Men zal weldra zijn vonnis
beteekenen en wanneer ge wenscht, dat hij de doodstraf zal ondergaan,
dan zal uw wensch, geloof ik, worden bevredigd."
"Ik wensch zijn dood niet," zei ik, "hoewel het niet aan hem gelegen
heeft, dat ik den mijne niet heb gevonden in den toren van Ségovië,
waar hij mij zoolang heeft laten gevangen houden."
"Hoe!" riep de minister verwonderd, "heeft don Rodrigo uw gevangenschap
veroorzaakt? Dat is iets, wat ik niet wist. Don Balthazar, aan wien
Navarro uw geschiedenis heeft verteld, zei me wel, dat wijlen de
koning u liet opsluiten, om u ervoor te straffen, dat ge den prins
op een verdachte plaats hadt gebracht, maar ik kan mij niet denken,
welke rol Calderone in dit stuk heeft gespeeld."
"Die van een minnaar, die zich wil wreken," antwoordde ik en ik
vertelde hem haarfijn, hoe de zaak zich had toegedragen. Hoe ernstig
hij ook anders was, moest hij nu toch herhaaldelijk lachen. Vooral
Catalina, nu eens nicht en dan weer kleindochter, vermaakte hem zeer
en niet minder het deel, dat de hertog de Lerme in de zaak had gehad.
Toen ik mijn verhaal had geëindigd, liet de graaf mij gaan met de
toezegging, dat hij mij den volgenden dag werk zou geven. Dadelijk
ging ik naar don Balthazar, om hem te bedanken voor de mij bewezen
diensten en naar mijn vriend Joseph, wien ik een getrouw verslag wilde
doen van al wat er tusschen den eersten minister en mij was besproken.