Wat Gil Blas belette zijn voornemen uit te voeren en het hof te
verlaten en van den gewichtigen dienst, dien Joseph Navarro hem bewees.
Op den terugweg naar het hotel ontmoette ik Joseph Navarro, chef van
dienst bij don Balthazar de Zuniga en mijn ouden vriend. Ik twijfelde
een oogenblik, of ik zou doen alsof ik hem niet zag, dan wel of ik
hem vergiffenis zou vragen, dat ik hem zoo slecht had behandeld. Ik
besloot tot het laatste, groette en hield hem staande met de woorden:
"herkent ge me? En wilt ge nog zoo goed zijn, om te spreken met iemand,
die met ondankbaarheid uw vriendschap voor hem heeft vergolden?"
"Ge bekent dus, dat ge niet goed tegenover mij hebt gehandeld?" vroeg
hij.
"Ja," antwoordde ik, "en ge zijt in uw recht, wanneer ge mij overlaadt
met verwijten. Ik kan u echter verzekeren, dat het gebeurde mij
oprecht spijt."
"Als dat zoo is," riep Navarro, "dan zullen wij het gebeurde maar
vergeten." En wij drukten elkaar hartelijk de hand.
Hij had van mijn gevangenneming gehoord, maar wist niet, wat er
verder met mij was gebeurd. Ik vertelde hem dat, deelde hem ook mee,
dat ik een onderhoud had gehad met den jongen koning, sprak daarna
van de slechte ontvangst bij den minister en van mijn voornemen,
om de eenzaamheid weer te gaan opzoeken.
"Ga in geen geval weg," zei hij; "dat de koning u zijn vriendschap
heeft betuigd, moet u in ieder geval van groot voordeel zijn. Onder
ons gezegd is de minister een fantastisch en eigenaardig heer;
hij zit vol grillen. Soms, zooals in dit geval, gedraagt hij
zich onuitstaanbaar en hij zelf alleen heeft den sleutel van zijn
vreemdsoortige daden. Overigens, wat voor reden hij ook gehad kan
hebben voor de slechte ontvangst, houd voet bij stuk en profiteer van
de vriendschap van den koning. Vanavond zal ik er een paar woorden
over spreken met don Balthazar de Zuniga, mijn meester, die de oom
is van den graaf en nu met hem in de regeering zit."
Navarro vroeg mij vervolgens nog mijn adres en daarna scheidden wij.
Den volgenden dag al zag ik hem weer bij mij. "Mijnheer de Santillano,"
zei hij, "ge hebt een beschermer, mijn meester wil u helpen. Na alles
wat ik hem van u heb gezegd, heeft hij mij beloofd, met zijn neef over
u te spreken en ik twijfel er niet aan of dat zal in uw voordeel zijn."
Twee dagen later stelde Navarro mij voor aan don Balthazar, die
mij zeer vriendelijk ontving. "Mijnheer de Santillano," zei hij,
"uw vriend Joseph heeft mij zooveel goeds van u verteld, dat het mij
een genoegen is, u van dienst te kunnen zijn."
Ik maakte een diepe buiging en antwoordde, dat ik zeer veel
verplichting had aan Navarro, die mij de protectie had verschaft van
een staatsman, dien men met recht "den fakkel van den ministerraad"
noemde.
Bij dit vleiend antwoord klopte don Balthazar mij lachend op den
schouder en zei: "Ge moet morgen nog maar eens naar den eersten
minister gaan, dan zult ge wel beter over hem tevreden zijn."
Zoo verscheen ik dus voor de derde maal bij den minister. Zoodra deze
mij onder de menigte zag, wierp hij mij een blik toe, die vergezeld
ging van een glimlach. Dat wekte bij mij de verwachting op van een
betere ontvangst en deze werd niet bedrogen.
Nadat de audientie was afgeloopen, liet de graaf mij in zijn kabinet
gaan, waar hij zei: "Mijn vriend Santillano, neem mij niet kwalijk,
dat ik, om mij te vermaken u eenige onaangename oogenblikken heb
bezorgd. Ik wilde eens een proef met u nemen en zien, wat ge in uw
boosheid zoudt doen. Ge hebt u zeker verbeeld niet in mijn smaak te
vallen, maar ik kan u het tegendeel verzekeren. Ook al had de koning
u niet bij mij aanbevolen, dan zou ik u toch hebben vooruitgeholpen
uit eigen beweging. Bovendien heeft mijn oom, don Balthazar de Zuniga,
wien ik niets kan weigeren, in uw belang gesproken."
Na wat er vooraf gegaan was, was deze vriendelijke ontvangst mij
dubbel aangenaam.
"Kom in den namiddag hier terug en vervoeg u bij mijn intendant. Ik zal
hem orders omtrent u geven." Met die woorden verliet de minister mij om
naar gewoonte de mis te gaan hooren en daarna den koning te bezoeken.