Gil Blas begeeft zich naar Madrid; hij verschijnt aan het hof;
de koning herkent hem en beveelt hem bij zijn eersten minister
aan. Gevolg van die aanbeveling.
Nog geen acht dagen later reisden wij naar Madrid; don Alphonse had
ons twee van zijn beste paarden gegeven, om sneller te kunnen gaan. Wij
gingen logeeren bij Vincent Forero, die ons van vroeger kende.
Daar deze hotelhouder er op uit was, om alles te weten wat er
aan het hof en in de stad voorviel, vroeg ik hem welk nieuws er
was. "Heel wat," antwoordde hij; "sinds den dood van den koning,
hebben de vrienden en partijgangers van den hertog de Lerme alles
gedaan, om hem in zijn waardigheid te herstellen, maar hunne pogingen
zijn vergeefsch geweest; de graaf van Olivarès heeft het van hen
gewonnen. Men beweert, dat Spanje bij die wisseling niet heeft verloren
en dat de nieuwe minister zooveel talent bezit, dat hij wel de wereld
zou kunnen regeeren. Zeker is het, dat het volk zeer hooge gedachten
van hem heeft."
Twee dagen na mijn aankomst te Madrid, ging ik naar het hof en ik
zorgde op zijn weg te zijn, toen hij naar zijn kabinet ging. Maar
hij zag mij niet. Den volgenden dag keerde ik op dezelfde plaats
terug, maar ik was niet gelukkiger. Den derden dag wierp hij in
het voorbijgaan, een blik op mij, maar hij scheen niet de minste
aandacht aan mijn persoon te schenken. Daar trok ik partij van. "Je
ziet wel," zei ik tegen Scipio, die mij vergezelde, "dat de koning
mij niet herkent of indien hij het misschien wel deed er zich niet
om bekommert, om de kennismaking met mij te hernieuwen. Ik geloof,
dat wij maar goed zullen doen, als we weer naar Valencia gaan."
"Laten wij daar niet zoo'n haast mee maken, mijnheer, u weet beter dan
ik, dat men aan het hof slechts slaagt, indien men geduld heeft. Blijf
u aan den jongen koning vertoonen, dan moet hij u wel nauwkeuriger
opnemen en dan zal hij zich ongetwijfeld uw werk bij de schoone
Catalina herinneren."
Opdat Scipio mij niets te verwijten zou hebben, bleef ik het drie
weken volhouden, om geregeld aan het hof te verschijnen en op zekeren
dag werd de koning door mijn gezicht getroffen en liet hij mij roepen.
Ik trad zijn kabinet binnen, wel eenigszins zenuwachtig, mij alleen
te bevinden met mijn vorst.
"Wie zijt gij?" vroeg hij. "Uw trekken komen mij niet onbekend
voor. Waar kan ik u hebben gezien?"
"Sire. Ik heb de eer gehad u eens op een nacht met den graaf de Lemos
te begeleiden naar...."
"Ah! Ik herinner het mij; gij waart de secretaris van den hertog
de Lerme en uw naam is, als ik mij niet bedrieg, Santillano. Ik heb
niet vergeten, dat ge mij bij die gelegenheid diensten hebt bewezen
en dat ge daarvoor slecht zijt beloond geworden. Zijt ge niet in de
gevangenis geweest voor dat avontuur?"
"Ja Sire," antwoordde ik, "ik ben zes maanden in Ségovia opgesloten
geweest, maar door uwe goedheid werd ik bevrijd."
"Daarmee is onze rekening niet vereffend. 't Was niet voldoende u
in vrijheid te stellen; op andere wijze zal ik goedmaken, wat ge uit
liefde voor mij hebt geleden."
Toen de vorst die laatste woorden had uitgesproken, kwam de graaf van
Olivarès in het kabinet. Hij was verbaasd daar een onbekende te zien en
zijn verwondering nam nog toe, toen de koning zei: "graaf, ik beveel
u dezen jongen man aan, wil er voor zorgen, dat hij vooruit komt." De
minister boog en nam mij van het hoofd tot de voeten op, zeer benieuwd,
te weten wie ik was. De koning gaf mij een wenk om te vertrekken en
zei: "Mijn vriend, de minister zal niet nalaten een nuttig gebruik
van uw diensten te maken en daarbij aan uw belangen te denken."
Ik verliet het kabinet en trad op Scipio toe, die zeer verlangend
was om te vernemen, wat de koning had gezegd.
"Naar uw gezicht te oordeelen," zei hij, "zullen wij inplaats van
naar Valencia terug te keeren, wel hier blijven wonen." Woord voor
woord vertelde ik hem daarna het korte onderhoud, dat ik met den
koning had gehad.
"Beken nu maar," riep hij, "dat ik u geen slechten dienst heb bewezen,
door aan te dringen op uw reis naar Madrid. Reeds zie ik u in een
prachtige positie. Ge zult de Calderone worden van den graaf van
Olivarès."
"Dat zou ik niet willen. Liever had ik een plaats, waar ik geen
gelegenheid had, om onrechtvaardigheden te begaan, of misbruik te
maken van de goedheid van den koning. Na het gebruik, dat ik in het
verleden van mijn positie heb gemaakt, kan ik mij niet genoeg wachten
voor de gierigheid en de eerzucht."
"De minister," zei Scipio, "zal u wel een goede betrekking geven,
die ge kunt vervullen zonder op te houden een eerlijk man te zijn."
Den volgenden morgen ging ik naar den graaf die gewoon was vóór
zonsopgang audiëntie te verleenen. Ik ging in een hoek van de zaal
staan en daar nam ik den graaf goed op, want ik had in het kabinet van
den koning weinig aandacht aan zijn persoon kunnen schenken. Hij was
een groote man, niet knap van uiterlijk. Alle menschen, die met hem
moesten spreken, ontving hij met zekere welwillendheid en vriendelijk
nam hij de verzoekschriften in ontvangst, die men hem aanbood. Toen
het echter mijn beurt was om hem te naderen, wierp hij mij een koelen
blik toe, keerde mij den rug toe zonder zich te verwaardigen mij aan
te hooren en ging weer in zijn kabinet. Ik vond hem toen nog leelijker
dan hij door de natuur reeds was en verliet de zaal, zeer verbaasd
over zulk een ontvangst, en niet wetende, wat ik er van moest denken.
"Weet je," vroeg ik aan Scipio, die mij buiten opwachtte, "welke
ontvangst men mij heeft bereid?"
"Neen," antwoordde hij, "maar dat is niet moeilijk te raden. De
minister zal u overeenkomstig den wensch van den koning een mooie
betrekking hebben aangeboden." "Daar bedrieg je je in," antwoordde
ik en vertelde hem vervolgens wat er was gebeurd.
Hij luisterde aandachtig toe en zei daarop: "De graaf moet u niet
hebben herkend of voor een ander hebben aangezien. Ik raad u aan hem
nog eens te bezoeken, dan zal hij u wel op een andere wijze ontvangen."
Ik volgde den raad van mijn secretaris en bezocht den minister weer,
die mij echter zoo mogelijk nog onbeleefder behandelde dan den
eersten keer.
Daarover was ik zoo verontwaardigd, dat ik onmiddellijk naar Valencia
wilde teruggaan. Scipio verzette zich daartegen, hij kon nog maar
niet besluiten zijn hoopvolle verwachtingen op te geven.
"Zie je niet," vroeg ik hem, "dat de minister mij van het hof wil
verwijderen? De koning heeft zijn genegenheid voor mij betuigd,
maar die is niet voldoende om den tegenzin van zijn gunsteling te
overwinnen. Laten wij dus dien geduchten vijand ontloopen."
"In uw geval," antwoordde hij, "zou ik niet zoo gemakkelijk het terrein
vrijlaten. Ik zou opheldering willen hebben over die ontvangst en mij
bij den koning gaan beklagen, dat de minister zoo weinig acht heeft
geslagen op zijn aanbeveling."
"Dat is een slechte raad, mijn vriend, en het zou mij zeker berouwen,
indien ik zulk een onvoorzichtigen stap deed. Zelfs ben ik er niet
zeker van of ik niet eenig gevaar loop, door hier langer in de stad
te blijven."
Mijn secretaris begon na te denken. Hij zag in, dat wij met een man
te doen hadden, die ons misschien naar den toren van Ségovië kon
zenden en verzette zich dus niet langer tegen ons vertrek uit Madrid,
dat wij besloten den volgenden dag te verlaten.