HOOFDSTUK II

Gil Blas begeeft zich naar Madrid; hij verschijnt aan het hof;

de koning herkent hem en beveelt hem bij zijn eersten minister

aan. Gevolg van die aanbeveling.

Nog geen acht dagen later reisden wij naar Madrid; don Alphonse had

ons twee van zijn beste paarden gegeven, om sneller te kunnen gaan. Wij

gingen logeeren bij Vincent Forero, die ons van vroeger kende.

Daar deze hotelhouder er op uit was, om alles te weten wat er

aan het hof en in de stad voorviel, vroeg ik hem welk nieuws er

was. "Heel wat," antwoordde hij; "sinds den dood van den koning,

hebben de vrienden en partijgangers van den hertog de Lerme alles

gedaan, om hem in zijn waardigheid te herstellen, maar hunne pogingen

zijn vergeefsch geweest; de graaf van Olivarès heeft het van hen

gewonnen. Men beweert, dat Spanje bij die wisseling niet heeft verloren

en dat de nieuwe minister zooveel talent bezit, dat hij wel de wereld

zou kunnen regeeren. Zeker is het, dat het volk zeer hooge gedachten

van hem heeft."

Twee dagen na mijn aankomst te Madrid, ging ik naar het hof en ik

zorgde op zijn weg te zijn, toen hij naar zijn kabinet ging. Maar

hij zag mij niet. Den volgenden dag keerde ik op dezelfde plaats

terug, maar ik was niet gelukkiger. Den derden dag wierp hij in

het voorbijgaan, een blik op mij, maar hij scheen niet de minste

aandacht aan mijn persoon te schenken. Daar trok ik partij van. "Je

ziet wel," zei ik tegen Scipio, die mij vergezelde, "dat de koning

mij niet herkent of indien hij het misschien wel deed er zich niet

om bekommert, om de kennismaking met mij te hernieuwen. Ik geloof,

dat wij maar goed zullen doen, als we weer naar Valencia gaan."

"Laten wij daar niet zoo'n haast mee maken, mijnheer, u weet beter dan

ik, dat men aan het hof slechts slaagt, indien men geduld heeft. Blijf

u aan den jongen koning vertoonen, dan moet hij u wel nauwkeuriger

opnemen en dan zal hij zich ongetwijfeld uw werk bij de schoone

Catalina herinneren."

Opdat Scipio mij niets te verwijten zou hebben, bleef ik het drie

weken volhouden, om geregeld aan het hof te verschijnen en op zekeren

dag werd de koning door mijn gezicht getroffen en liet hij mij roepen.

Ik trad zijn kabinet binnen, wel eenigszins zenuwachtig, mij alleen

te bevinden met mijn vorst.

"Wie zijt gij?" vroeg hij. "Uw trekken komen mij niet onbekend

voor. Waar kan ik u hebben gezien?"

"Sire. Ik heb de eer gehad u eens op een nacht met den graaf de Lemos

te begeleiden naar...."

"Ah! Ik herinner het mij; gij waart de secretaris van den hertog

de Lerme en uw naam is, als ik mij niet bedrieg, Santillano. Ik heb

niet vergeten, dat ge mij bij die gelegenheid diensten hebt bewezen

en dat ge daarvoor slecht zijt beloond geworden. Zijt ge niet in de

gevangenis geweest voor dat avontuur?"

"Ja Sire," antwoordde ik, "ik ben zes maanden in Ségovia opgesloten

geweest, maar door uwe goedheid werd ik bevrijd."

"Daarmee is onze rekening niet vereffend. 't Was niet voldoende u

in vrijheid te stellen; op andere wijze zal ik goedmaken, wat ge uit

liefde voor mij hebt geleden."

Toen de vorst die laatste woorden had uitgesproken, kwam de graaf van

Olivarès in het kabinet. Hij was verbaasd daar een onbekende te zien en

zijn verwondering nam nog toe, toen de koning zei: "graaf, ik beveel

u dezen jongen man aan, wil er voor zorgen, dat hij vooruit komt." De

minister boog en nam mij van het hoofd tot de voeten op, zeer benieuwd,

te weten wie ik was. De koning gaf mij een wenk om te vertrekken en

zei: "Mijn vriend, de minister zal niet nalaten een nuttig gebruik

van uw diensten te maken en daarbij aan uw belangen te denken."

Ik verliet het kabinet en trad op Scipio toe, die zeer verlangend

was om te vernemen, wat de koning had gezegd.

"Naar uw gezicht te oordeelen," zei hij, "zullen wij inplaats van

naar Valencia terug te keeren, wel hier blijven wonen." Woord voor

woord vertelde ik hem daarna het korte onderhoud, dat ik met den

koning had gehad.

"Beken nu maar," riep hij, "dat ik u geen slechten dienst heb bewezen,

door aan te dringen op uw reis naar Madrid. Reeds zie ik u in een

prachtige positie. Ge zult de Calderone worden van den graaf van

Olivarès."

"Dat zou ik niet willen. Liever had ik een plaats, waar ik geen

gelegenheid had, om onrechtvaardigheden te begaan, of misbruik te

maken van de goedheid van den koning. Na het gebruik, dat ik in het

verleden van mijn positie heb gemaakt, kan ik mij niet genoeg wachten

voor de gierigheid en de eerzucht."

"De minister," zei Scipio, "zal u wel een goede betrekking geven,

die ge kunt vervullen zonder op te houden een eerlijk man te zijn."

Den volgenden morgen ging ik naar den graaf die gewoon was vóór

zonsopgang audiëntie te verleenen. Ik ging in een hoek van de zaal

staan en daar nam ik den graaf goed op, want ik had in het kabinet van

den koning weinig aandacht aan zijn persoon kunnen schenken. Hij was

een groote man, niet knap van uiterlijk. Alle menschen, die met hem

moesten spreken, ontving hij met zekere welwillendheid en vriendelijk

nam hij de verzoekschriften in ontvangst, die men hem aanbood. Toen

het echter mijn beurt was om hem te naderen, wierp hij mij een koelen

blik toe, keerde mij den rug toe zonder zich te verwaardigen mij aan

te hooren en ging weer in zijn kabinet. Ik vond hem toen nog leelijker

dan hij door de natuur reeds was en verliet de zaal, zeer verbaasd

over zulk een ontvangst, en niet wetende, wat ik er van moest denken.

"Weet je," vroeg ik aan Scipio, die mij buiten opwachtte, "welke

ontvangst men mij heeft bereid?"

"Neen," antwoordde hij, "maar dat is niet moeilijk te raden. De

minister zal u overeenkomstig den wensch van den koning een mooie

betrekking hebben aangeboden." "Daar bedrieg je je in," antwoordde

ik en vertelde hem vervolgens wat er was gebeurd.

Hij luisterde aandachtig toe en zei daarop: "De graaf moet u niet

hebben herkend of voor een ander hebben aangezien. Ik raad u aan hem

nog eens te bezoeken, dan zal hij u wel op een andere wijze ontvangen."

Ik volgde den raad van mijn secretaris en bezocht den minister weer,

die mij echter zoo mogelijk nog onbeleefder behandelde dan den

eersten keer.

Daarover was ik zoo verontwaardigd, dat ik onmiddellijk naar Valencia

wilde teruggaan. Scipio verzette zich daartegen, hij kon nog maar

niet besluiten zijn hoopvolle verwachtingen op te geven.

"Zie je niet," vroeg ik hem, "dat de minister mij van het hof wil

verwijderen? De koning heeft zijn genegenheid voor mij betuigd,

maar die is niet voldoende om den tegenzin van zijn gunsteling te

overwinnen. Laten wij dus dien geduchten vijand ontloopen."

"In uw geval," antwoordde hij, "zou ik niet zoo gemakkelijk het terrein

vrijlaten. Ik zou opheldering willen hebben over die ontvangst en mij

bij den koning gaan beklagen, dat de minister zoo weinig acht heeft

geslagen op zijn aanbeveling."

"Dat is een slechte raad, mijn vriend, en het zou mij zeker berouwen,

indien ik zulk een onvoorzichtigen stap deed. Zelfs ben ik er niet

zeker van of ik niet eenig gevaar loop, door hier langer in de stad

te blijven."

Mijn secretaris begon na te denken. Hij zag in, dat wij met een man

te doen hadden, die ons misschien naar den toren van Ségovië kon

zenden en verzette zich dus niet langer tegen ons vertrek uit Madrid,

dat wij besloten den volgenden dag te verlaten.

De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 2 van 2 De Spaansche Avonturier · 第 68 / 98 题