Scipio in dienst bij Velasquez.
Zoolang ik geld had, was mijn waard vriendelijk voor mij, maar toen hij
merkte, dat het op begon te raken, nam hij een andere houding aan, hij
werd stug en onbeleefd en verzocht mij op zekeren dag, om elders mijn
intrek te nemen. Ik verliet hem en ging naar de St.-Dominicus-kerk. Een
oude bedelaar vroeg om een aalmoes. Ik haalde een paar koperstukjes
uit mijn zak, gaf hem die en zei:
"Mijn vriend, bid God, dat Hij mij spoedig een goede plaats doet
vinden. Indien uw gebed wordt verhoord, zal ik het goed met u maken."
Bij die woorden keek de bedelaar mij oplettend aan en vroeg: "Welken
post zoudt ge willen hebben?" Ik antwoordde, dat ik graag lakei zou
worden in een goed huis. Hij vroeg mij hierop of er haast bij was
en ik deelde hem mee, dat ik hoe eerder hoe liever geplaatst wilde
worden, daar ik anders van honger moest sterven, of zijn voorbeeld
volgen en bedelen.
"Indien gij daartoe gedwongen werdt," zei de oude man, "zou het
akelig voor u zijn, omdat ge niet aan onze manieren gewend zijt,
maar indien ge u er wel aan kunt gewennen, dan zoudt ge aan onzen
toestand de voorkeur geven boven dien der dienstbaarheid. Daar ge
echter liever een meester hebt, dan als ik een vrij en onafhankelijk
leven te leiden, zult ge er een hebben. Ik kan u van dienst zijn en
zal dadelijk mijn krachten voor u inspannen. Kom morgen op hetzelfde
uur hier, dan zal ik u zeggen, wat ik heb gedaan."
Ik zorgde er voor den volgenden morgen op tijd aanwezig te zijn en
zag eenige oogenblikken later den bedelaar. Hij verzocht mij hem te
volgen en bracht mij naar een kelder, niet ver van de kerk, waar hij
woonde. Wij gingen binnen en nadat wij hadden plaats genomen op een
bank, die minstens honderd dienstjaren had, zei hij: "Een goede daad
wordt steeds beloond; ge hebt mij gisteren een aalmoes gegeven en dat
heeft mij doen besluiten u een betrekking te verschaffen. Ik ken een
ouden Dominicaner, genaamd vader Alexis, een man van veel invloed. Ik
heb de eer zijn boodschaplooper te zijn en kwijt mij met zooveel trouw
en ijver van die taak, dat hij steeds bereid is om zijn invloed voor
mij of mijn vrienden aan te wenden. Dus zal ik u aan den eerwaarden
vader voorstellen?"
"Er is geen tijd te verliezen," zei ik tot den bedelaar en wij gingen
dadelijk naar vader Alexis, dien wij in zijn kamer vonden, bezig met
schrijven. Hij hield met zijn werk op om met mij te spreken en zei me,
dat hij mij op verzoek van den bedelaar wilde helpen. "Daar ik gehoord
heb," vervolgde hij, "dat de heer Baltazar Velasquez een lakei noodig
heeft, heb ik hem geschreven en hij heeft mij geantwoord, dat hij u zal
aannemen wanneer ge door mij wordt gezonden. Hij is mijn biechteling en
vriend. Ge kunt hem vandaag gaan opzoeken." Daarna onderhield de goede
monnik mij gedurende ongeveer drie kwartier over de plichten, die ik
had te vervullen. Voornamelijk moest ik zeer ijverig zijn en wanneer
de heer Velasquez tevreden over mij was, dan zou het mij goed gaan.
Na den geestelijke te hebben bedankt voor zijn goedheid, vertrok ik
met den bedelaar, die me zei, dat Baltazar Velasquez een oude koopman
in laken was, een rijke, eenvoudige en goedhartige man. "Ik twijfel
er niet aan," voegde hij er aan toe, "of ge zult het goed bij hem
hebben, beter dan bij een heer uit den meer deftigen stand." Nadat ik
nog geïnformeerd had, waar mijn nieuwen patroon woonde, nam ik afscheid
van den bedelaar, met de belofte zijn goede diensten te zullen beloonen
zoodra mij dat mogelijk was. Ik ging den winkel binnen en vond daar
twee bedienden; op mijn verzoek den patroon te mogen spreken, bracht
men mij naar een kantoor, waar de oude heer in een groot register
bladerde, dat op zijn schrijftafel lag. Hij groette mij vriendelijk
en ik behoefde niet lang bij dezen man in dienst te zijn om te weten,
dat hij was, zooals men hem mij had beschreven. Hij was zoo eenvoudig,
dat ik mij soms geweld aan moest doen om hem niet op de een of andere
wijze te foppen. Sinds vier jaar was hij weduwnaar en hij had twee
kinderen, een meisje van achttien en een zoon van vijfentwintig
jaar. De dochter was streng opgevoed en deugdzaam, maar haar broer
was, welke moeite men zich ook voor hem gegeven had, een jeugdige
losbol. Soms kwam hij in twee of drie dagen niet thuis en als zijn
vader hem dan bij zijn terugkomst verwijten deed, antwoordde hij op
zoo hoogen toon, dat de grijsaard zweeg.
Op een goeden dag zei mijn meester: "Scipio, mijn zoon Gaspard doet mij
veel verdriet aan. Hij geeft zich over aan allerlei uitspattingen. Dat
verwondert mij, want zijn opvoeding is niet verwaarloosd, hij heeft
steeds goede meesters gehad en vader Alexis, mijn vriend, heeft al het
mogelijke gedaan, om hem op den goeden weg te houden; maar niets heeft
mogen baten. Ge zult misschien zeggen, dat ik hem als kind met te veel
zachtheid heb behandeld. Dat is echter niet altijd het geval geweest,
ik ben ook wel streng geweest; ik heb hem zelfs in een gesticht laten
opsluiten, maar daar is hij nog ondeugender geworden. In één woord,
er is niets met hem te beginnen. De hemel zou hier een wonder moeten
doen."
Indien ik al niet zeer getroffen was door de droefheid van den
ongelukkigen vader, deed ik althans of ik het was. "Wat beklaag ik u,
mijnheer!" zei ik. "Een man als gij zijt verdiende een beteren zoon te
hebben." Hij antwoordde: "Wat zal ik je zeggen, mijn vriend? God heeft
mij zulk een troost willen onthouden. Onder de redenen tot klagen,
die ik over Gaspard heb, is er voornamelijk een, die mij veel onrust
geeft en dat is, zijn lust om mij te bestelen. Niettegenstaande mijn
waakzaamheid, weet hij daartoe toch maar al te dikwijls gelegenheid
te vinden. Met den bediende die je voorganger was, was hij het eens
en daarom heb ik hem weggestuurd. Wat jou betreft, reken ik erop,
dat je je niet door mijn zoon zult laten omkoopen. Vader Alexis
heeft je dat zeker wel op het hart gedrukt." Ik antwoordde, dat de
eerwaarde vader mij wel een uur had onderhouden over den eerbied,
dien ik moest hebben voor het goed van mijn meester, maar dat zoo
iets bij mij niet noodig was. Daarna beloofde ik, dat ik hem steeds
met trouw en ijver zou dienen.
Het is altijd goed, om beide partijen te hooren. De jonge Velasquez,
die, naar mijn uiterlijk oordeelende, meende dat ik wel even
gemakkelijk zou zijn te verleiden als mijn voorganger, riep mij apart
en zei: "Luister eens, waarde vriend, ik begrijp zeer goed, dat mijn
vader je heeft opgedragen om mij te bespieden, maar ik waarschuw je
vooruit, dat het geen aangenaam werk is. Als ik merk, dat je het doet,
sla ik je halfdood; wanneer je mij in plaats daarvan wilt helpen, om
mijn vader te bedriegen, dan kan je op mijn dankbaarheid rekenen. Om
nog duidelijker te spreken: je zult je deel hebben. Je hebt nu maar
te kiezen; verklaar je voor den vader of voor den zoon."
"Mijnheer," antwoordde ik hem, "u zet iemand wel het mes op de keel;
maar ik zie wel, dat ik uw partij moet kiezen, hoewel het mij spijt
mijnheer uw vader te moeten verraden."
"Bekommer je daar niet om, hij is een leelijke, oude gierigaard,
die mij het noodige onthoudt, want als men vijfentwintig jaar is,
heeft men behoefte aan genoegens."
"Dat ben ik volkomen met u eens en ik ben ook bereid u van dienst te
zijn, maar we moeten onze goede verstandhouding geheim houden, want
anders kon men uw trouwen helper wel eens de deur uit jagen. Het kan
misschien geen kwaad dat u tegenover de buitenwereld op mij afgeeft;
wees maar brutaal tegen mij. U kunt mij ook wel eens eenige schoppen
geven, die niet te hard aankomen."
Ik beloofde hem nog, dat ik bij het bedienen aan tafel altijd doen zou,
of ik er een tegenzin in had hem te helpen. Voor den ouden heer zouden
dat bewijzen temeer zijn, dat hij mij kon vertrouwen en wanneer ieder
in huis dacht, dat wij doodsvijanden waren, konden wij des te beter
onzen slag slaan.
"Mijn jonge vriend," riep Gaspard verheugd, "ik bewonder je, op je
jeugdigen leeftijd heb je al veel slag voor intrige en dat beschouw
ik als een gunstig voorteeken voor mij."
Met de belofte alles te zullen doen, om recht te doen wedervaren aan
de goede meening, die hij van mij had, scheidden wij.
Niet lang daarna was ik in de gelegenheid Gaspard een dienst te
bewijzen. De oude heer had zijn brandkast in zijn slaapkamer, waar
ik in en uit mocht gaan, terwijl de toegang aan Gaspard verboden
was. Dikwijls had ik me zelf afgevraagd, of die brandkast altijd voor
mij gesloten zou zijn. Op zekeren dag, dat de oude daar bezig was,
bemerkte ik, dat hij den sleutel verborg onder een kleedje. Ik lette
goed op die plaats en deelde mijn ontdekking mee aan mijn jongen
meester.
Deze was zeer verheugd en riep: "Scipio, wat een gelukkige tijding;
ons fortuin is gemaakt; ik zal je vandaag was geven, dan moet je daar
den sleutel in afdrukken en mij dat afdruksel geven. Ik zal wel een
slotenmaker vinden, die ons dan een valschen sleutel bezorgt, want
Cordova is niet de stad in Spanje, waar men de minste schelmen vindt."
"Waarom?" vroeg ik, "wilt ge u van een valschen sleutel bedienen,
als wij den goeden kunnen gebruiken?"
"Dat is wel zoo," zei hij, "maar ik ben bang, dat hij dien sleutel
uit wantrouwen niet lang op een zelfde plaats laat en het zekerste is,
dat wij er zelf ook een hebben."
Op zekeren morgen, dat mijn oude patroon een bezoek bracht aan vader
Alexis, wat gewoonlijk lang duurde, nam ik een afdruk van den sleutel,
maar toen ik dien eenmaal in handen had, kon ik ook niet nalaten,
er gebruik van te maken. De brandkast was in een oogenblik geopend en
ik zag voor mij een bekoorlijke verscheidenheid van groote en kleine
zakken. Ik wist niet welken te kiezen; daar echter de vrees te worden
ontdekt mij geen langdurig onderzoek toeliet, nam ik maar een van de
grootsten. Daarna stopte ik den sleutel weer weg, en ging met mijn
prooi naar mijn kamertje. Later ging ik daarmee naar Gaspard, die zeer
tevreden over mij was en mij de helft aanbood, maar ik wilde daarvan
niets weten en zei, dat deze eerste zak voor hem alleen was. Toen ik
drie dagen later mijn kans schoon zag, nam ik er weer een en daarvan
stelde ik mij tevreden met een vierde gedeelte, hoewel de jonge
Velasquez broederlijk met mij had willen deelen. Evenals de eerste,
bevatte ook deze vijfhonderd kronen.
Zoodra mijn jonge meester zich in het bezit zag van zooveel geld en
bijgevolg voldoen kon aan zijn hartstocht voor de vrouwen en het spel,
gaf hij zich daaraan geheel over. Ongelukkig had hij het ongeluk in
aanraking te komen met een van die bekende coquettes, die het geld
als het ware verslinden. Ze joeg hem op zoo hooge kosten, dat de
oude Velasquez spoedig merkte dat er ongewenschte bezoeken aan zijn
brandkast werden gebracht.
"Scipio," zei hij op een morgen tot me, "ik moet je een ontdekking
doen, men besteelt mij, mijn brandkast is opengemaakt en ik mis er
verscheidene zakken geld uit. Wien moet ik daarvan beschuldigen of
liever gezegd wien anders moet ik beschuldigen dan mijn zoon? Gaspard
is zeker heimelijk in mijn kamer gekomen of misschien ook wel heb
jij hem er gebracht, want hoewel ge kwaad met elkaar zijt, twijfel
ik er toch soms aan of jij het niet met hem eens bent. Maar ik wil
niet toegeven aan die verdenking omdat vader Alexis voor je trouw
heeft ingestaan."
Met een huichelachtig gezicht zei ik, dat het goed van anderen mij
heilig was. De oude heer sprak er niet verder van maar hij bleef
mij wantrouwen en nam maatregelen tegen onze aanslagen. Hij liet
een anderen sleutel van zijn brandkast maken en droeg dien altijd
bij zich. De gemeenschap tusschen de zakken en ons was daardoor
verbroken, tot groot leedwezen vooral van Gaspard, die geen uitgaven
meer kon doen voor zijn nimf en nu vreesde, dat hij haar niet meer
zou kunnen zien. Hij vond daarom een ander middel en vroeg mij geld
ter leen. Dat werd zoo dikwijls herhaald, dat ik eindelijk niets
meer over had van hetgeen de aderlatingen van de brandkast mij hadden
opgeleverd. Toen ik mijn laatste stuk had gegeven meende ik mijn fout
te hebben goedgemaakt; immers, ik had den zoon en erfgenaam vergoed,
wat ik den vader had ontstolen.
Toen de jongeman ook die laatste hulpbron zag uitgeput, verviel hij
in een sombere droefgeestigheid. Hij beschouwde zijn vader slechts als
een man, die zijn leven ongelukkig maakte. De ellendeling vatte zelfs
het afschuwelijke plan op om zijn vader te vergiftigen. Hij bepaalde
er zich niet toe mij deelgenoot te maken van dit plan, maar stelde
zelfs voor hem te helpen. Bij dit voorstel voelde ik een afschuw van
hem. Ik zei: "Mijnheer, hoe is het mogelijk, dat ge zóó door den hemel
zijt verlaten, dat ge mij een dergelijk voorstel kunt doen? Zoudt
ge in staat zijn uw eigen vader het leven te benemen? Zou men in het
Christelijke Spanje een misdaad moeten zien begaan, waarvoor men zelfs
in de meest beschaafde naties met schrik en afschuw zou terugdeinzen?"
Lang sprak ik met Gaspard, om te trachten hem van zijn onmenschelijk
plan af te brengen, maar hij bleef somber en stil, zoodat ik meende,
dat hij bij zijn voornemen bleef volharden.
Ten einde raad, besloot ik mijn ouden meester te waarschuwen; ik vroeg
hem een geheim onderhoud en toen wij in zijn kamer waren opgesloten,
viel ik op mijn knieën en badende in mijn tranen, vertelde ik van
onzen diefstal en van het gesprek, dat ik met Gaspard had gehad.
Welke slechte meening de oude Velasquez ook omtrent het karakter van
zijn zoon had, zoo iets had hij toch niet verwacht. Hij twijfelde
echter niet aan de waarheid van mijn mededeeling. "Ik vergeef
je," zei hij, "ter wille van het gewichtige feit, dat je mij hebt
meegedeeld. Gaspard staat mij dus naar het leven. De ellendeling
ziet zelfs niet tegen een vadermoord op! En welke redenen heeft
hij daarvoor? Ieder jaar verschaf ik hem een som, die voldoende is
om op behoorlijke wijze van het leven te genieten! Ik kan voor zijn
uitspattingen toch niet zijn zuster en mijzelf ruïneeren. Maar bewaar
het geheim, dat je mij hebt verteld. Laat niemand iets merken!"
Zeer nieuwsgierig was ik, te weten welk besluit de ongelukkige vader
zou nemen, toen hij denzelfden dag Gaspard liet roepen en zonder dat
hij iets liet merken van hetgeen er in zijn ziel omging, tot hem zei:
"Mijn zoon, ik heb een brief ontvangen van een vriend uit Mérida. Men
vraagt mij, of ge wilt trouwen met een meisje van zestien jaar, zeer
schoon en in het bezit van een aanzienlijke bruidschat. Als gij geen
bezwaar hebt tegen dit huwelijk, zullen wij ons morgen zeer vroeg op
weg begeven; wij zullen het meisje bezoeken, bevalt ze u, dan kunt
ge haar trouwen, zoo niet, dan zal er over een huwelijk niet verder
worden gesproken."
Zoodra Gaspard van een bruidschat hoorde, was hij bereid mee te gaan
en, gezeten op goede muilezels, vertrokken zij den volgenden dag.
Toen zij in de bergen waren en op een plaats, die bekend was door
de roovers, welke dikwijls de reizigers overvielen, steeg Baltazar
af en verzocht zijn zoon hetzelfde te doen. De jongeman gehoorzaamde
en vroeg, waarom men hier moest ophouden. De grijsaard keek hem vol
smart aan en zei: "Dat zal ik je zeggen. Wij gaan niet naar Mérida
en het geheele huwelijk, waarvan ik je heb gesproken, is slechts een
verzinsel geweest, om je hier te krijgen. Ondankbare en onnatuurlijke
zoon! Ik weet welk misdadig plan je hebt. Ik weet, dat je een vergift
heb bereid, dat mij zou moeten worden gegeven. Maar onverstandige! Denk
je dan, dat je mij ongestraft het leven zou kunnen benemen? Je misdaad
zou ontdekt worden en je zou moeten sterven door de handen van den
beul. Er is een beter middel, om je doel te bereiken, zonder je aan
een schandelijken dood bloot te stellen. Wij zijn hier op een plaats
zonder getuigen en waar vaak moorden begaan worden. Indien je mijn
bloed wil, steek dan de dolk in mijn hart en men zal dien moord aan
roovers wijten." Bij die woorden maakte Baltazar zijn kleeren los en
wees de plaats aan, waar deze moest toestooten.
De jonge Velasquez, door deze woorden als door den bliksem getroffen,
viel buiten bewustzijn aan de voeten van zijn vader. De goede
grijsaard, wien dit een teeken van berouw scheen, kon aan zijn
vaderlijke zwakheid geen weerstand bieden, hij hielp den ongelukkige
op. Deze kwam spoedig weer tot bewustzijn, besteeg zijn muilezel en
reed weg zonder een woord te spreken.
Baltazar vernam korten tijd later, dat zijn zoon in het Karthuizer
klooster te Sévilla was gegaan, om er de rest van zijn dagen in
boetedoening te slijten.