HOOFDSTUK XI

Scipio in dienst bij Velasquez.

Zoolang ik geld had, was mijn waard vriendelijk voor mij, maar toen hij

merkte, dat het op begon te raken, nam hij een andere houding aan, hij

werd stug en onbeleefd en verzocht mij op zekeren dag, om elders mijn

intrek te nemen. Ik verliet hem en ging naar de St.-Dominicus-kerk. Een

oude bedelaar vroeg om een aalmoes. Ik haalde een paar koperstukjes

uit mijn zak, gaf hem die en zei:

"Mijn vriend, bid God, dat Hij mij spoedig een goede plaats doet

vinden. Indien uw gebed wordt verhoord, zal ik het goed met u maken."

Bij die woorden keek de bedelaar mij oplettend aan en vroeg: "Welken

post zoudt ge willen hebben?" Ik antwoordde, dat ik graag lakei zou

worden in een goed huis. Hij vroeg mij hierop of er haast bij was

en ik deelde hem mee, dat ik hoe eerder hoe liever geplaatst wilde

worden, daar ik anders van honger moest sterven, of zijn voorbeeld

volgen en bedelen.

"Indien gij daartoe gedwongen werdt," zei de oude man, "zou het

akelig voor u zijn, omdat ge niet aan onze manieren gewend zijt,

maar indien ge u er wel aan kunt gewennen, dan zoudt ge aan onzen

toestand de voorkeur geven boven dien der dienstbaarheid. Daar ge

echter liever een meester hebt, dan als ik een vrij en onafhankelijk

leven te leiden, zult ge er een hebben. Ik kan u van dienst zijn en

zal dadelijk mijn krachten voor u inspannen. Kom morgen op hetzelfde

uur hier, dan zal ik u zeggen, wat ik heb gedaan."

Ik zorgde er voor den volgenden morgen op tijd aanwezig te zijn en

zag eenige oogenblikken later den bedelaar. Hij verzocht mij hem te

volgen en bracht mij naar een kelder, niet ver van de kerk, waar hij

woonde. Wij gingen binnen en nadat wij hadden plaats genomen op een

bank, die minstens honderd dienstjaren had, zei hij: "Een goede daad

wordt steeds beloond; ge hebt mij gisteren een aalmoes gegeven en dat

heeft mij doen besluiten u een betrekking te verschaffen. Ik ken een

ouden Dominicaner, genaamd vader Alexis, een man van veel invloed. Ik

heb de eer zijn boodschaplooper te zijn en kwijt mij met zooveel trouw

en ijver van die taak, dat hij steeds bereid is om zijn invloed voor

mij of mijn vrienden aan te wenden. Dus zal ik u aan den eerwaarden

vader voorstellen?"

"Er is geen tijd te verliezen," zei ik tot den bedelaar en wij gingen

dadelijk naar vader Alexis, dien wij in zijn kamer vonden, bezig met

schrijven. Hij hield met zijn werk op om met mij te spreken en zei me,

dat hij mij op verzoek van den bedelaar wilde helpen. "Daar ik gehoord

heb," vervolgde hij, "dat de heer Baltazar Velasquez een lakei noodig

heeft, heb ik hem geschreven en hij heeft mij geantwoord, dat hij u zal

aannemen wanneer ge door mij wordt gezonden. Hij is mijn biechteling en

vriend. Ge kunt hem vandaag gaan opzoeken." Daarna onderhield de goede

monnik mij gedurende ongeveer drie kwartier over de plichten, die ik

had te vervullen. Voornamelijk moest ik zeer ijverig zijn en wanneer

de heer Velasquez tevreden over mij was, dan zou het mij goed gaan.

Na den geestelijke te hebben bedankt voor zijn goedheid, vertrok ik

met den bedelaar, die me zei, dat Baltazar Velasquez een oude koopman

in laken was, een rijke, eenvoudige en goedhartige man. "Ik twijfel

er niet aan," voegde hij er aan toe, "of ge zult het goed bij hem

hebben, beter dan bij een heer uit den meer deftigen stand." Nadat ik

nog geïnformeerd had, waar mijn nieuwen patroon woonde, nam ik afscheid

van den bedelaar, met de belofte zijn goede diensten te zullen beloonen

zoodra mij dat mogelijk was. Ik ging den winkel binnen en vond daar

twee bedienden; op mijn verzoek den patroon te mogen spreken, bracht

men mij naar een kantoor, waar de oude heer in een groot register

bladerde, dat op zijn schrijftafel lag. Hij groette mij vriendelijk

en ik behoefde niet lang bij dezen man in dienst te zijn om te weten,

dat hij was, zooals men hem mij had beschreven. Hij was zoo eenvoudig,

dat ik mij soms geweld aan moest doen om hem niet op de een of andere

wijze te foppen. Sinds vier jaar was hij weduwnaar en hij had twee

kinderen, een meisje van achttien en een zoon van vijfentwintig

jaar. De dochter was streng opgevoed en deugdzaam, maar haar broer

was, welke moeite men zich ook voor hem gegeven had, een jeugdige

losbol. Soms kwam hij in twee of drie dagen niet thuis en als zijn

vader hem dan bij zijn terugkomst verwijten deed, antwoordde hij op

zoo hoogen toon, dat de grijsaard zweeg.

Op een goeden dag zei mijn meester: "Scipio, mijn zoon Gaspard doet mij

veel verdriet aan. Hij geeft zich over aan allerlei uitspattingen. Dat

verwondert mij, want zijn opvoeding is niet verwaarloosd, hij heeft

steeds goede meesters gehad en vader Alexis, mijn vriend, heeft al het

mogelijke gedaan, om hem op den goeden weg te houden; maar niets heeft

mogen baten. Ge zult misschien zeggen, dat ik hem als kind met te veel

zachtheid heb behandeld. Dat is echter niet altijd het geval geweest,

ik ben ook wel streng geweest; ik heb hem zelfs in een gesticht laten

opsluiten, maar daar is hij nog ondeugender geworden. In één woord,

er is niets met hem te beginnen. De hemel zou hier een wonder moeten

doen."

Indien ik al niet zeer getroffen was door de droefheid van den

ongelukkigen vader, deed ik althans of ik het was. "Wat beklaag ik u,

mijnheer!" zei ik. "Een man als gij zijt verdiende een beteren zoon te

hebben." Hij antwoordde: "Wat zal ik je zeggen, mijn vriend? God heeft

mij zulk een troost willen onthouden. Onder de redenen tot klagen,

die ik over Gaspard heb, is er voornamelijk een, die mij veel onrust

geeft en dat is, zijn lust om mij te bestelen. Niettegenstaande mijn

waakzaamheid, weet hij daartoe toch maar al te dikwijls gelegenheid

te vinden. Met den bediende die je voorganger was, was hij het eens

en daarom heb ik hem weggestuurd. Wat jou betreft, reken ik erop,

dat je je niet door mijn zoon zult laten omkoopen. Vader Alexis

heeft je dat zeker wel op het hart gedrukt." Ik antwoordde, dat de

eerwaarde vader mij wel een uur had onderhouden over den eerbied,

dien ik moest hebben voor het goed van mijn meester, maar dat zoo

iets bij mij niet noodig was. Daarna beloofde ik, dat ik hem steeds

met trouw en ijver zou dienen.

Het is altijd goed, om beide partijen te hooren. De jonge Velasquez,

die, naar mijn uiterlijk oordeelende, meende dat ik wel even

gemakkelijk zou zijn te verleiden als mijn voorganger, riep mij apart

en zei: "Luister eens, waarde vriend, ik begrijp zeer goed, dat mijn

vader je heeft opgedragen om mij te bespieden, maar ik waarschuw je

vooruit, dat het geen aangenaam werk is. Als ik merk, dat je het doet,

sla ik je halfdood; wanneer je mij in plaats daarvan wilt helpen, om

mijn vader te bedriegen, dan kan je op mijn dankbaarheid rekenen. Om

nog duidelijker te spreken: je zult je deel hebben. Je hebt nu maar

te kiezen; verklaar je voor den vader of voor den zoon."

"Mijnheer," antwoordde ik hem, "u zet iemand wel het mes op de keel;

maar ik zie wel, dat ik uw partij moet kiezen, hoewel het mij spijt

mijnheer uw vader te moeten verraden."

"Bekommer je daar niet om, hij is een leelijke, oude gierigaard,

die mij het noodige onthoudt, want als men vijfentwintig jaar is,

heeft men behoefte aan genoegens."

"Dat ben ik volkomen met u eens en ik ben ook bereid u van dienst te

zijn, maar we moeten onze goede verstandhouding geheim houden, want

anders kon men uw trouwen helper wel eens de deur uit jagen. Het kan

misschien geen kwaad dat u tegenover de buitenwereld op mij afgeeft;

wees maar brutaal tegen mij. U kunt mij ook wel eens eenige schoppen

geven, die niet te hard aankomen."

Ik beloofde hem nog, dat ik bij het bedienen aan tafel altijd doen zou,

of ik er een tegenzin in had hem te helpen. Voor den ouden heer zouden

dat bewijzen temeer zijn, dat hij mij kon vertrouwen en wanneer ieder

in huis dacht, dat wij doodsvijanden waren, konden wij des te beter

onzen slag slaan.

"Mijn jonge vriend," riep Gaspard verheugd, "ik bewonder je, op je

jeugdigen leeftijd heb je al veel slag voor intrige en dat beschouw

ik als een gunstig voorteeken voor mij."

Met de belofte alles te zullen doen, om recht te doen wedervaren aan

de goede meening, die hij van mij had, scheidden wij.

Niet lang daarna was ik in de gelegenheid Gaspard een dienst te

bewijzen. De oude heer had zijn brandkast in zijn slaapkamer, waar

ik in en uit mocht gaan, terwijl de toegang aan Gaspard verboden

was. Dikwijls had ik me zelf afgevraagd, of die brandkast altijd voor

mij gesloten zou zijn. Op zekeren dag, dat de oude daar bezig was,

bemerkte ik, dat hij den sleutel verborg onder een kleedje. Ik lette

goed op die plaats en deelde mijn ontdekking mee aan mijn jongen

meester.

Deze was zeer verheugd en riep: "Scipio, wat een gelukkige tijding;

ons fortuin is gemaakt; ik zal je vandaag was geven, dan moet je daar

den sleutel in afdrukken en mij dat afdruksel geven. Ik zal wel een

slotenmaker vinden, die ons dan een valschen sleutel bezorgt, want

Cordova is niet de stad in Spanje, waar men de minste schelmen vindt."

"Waarom?" vroeg ik, "wilt ge u van een valschen sleutel bedienen,

als wij den goeden kunnen gebruiken?"

"Dat is wel zoo," zei hij, "maar ik ben bang, dat hij dien sleutel

uit wantrouwen niet lang op een zelfde plaats laat en het zekerste is,

dat wij er zelf ook een hebben."

Op zekeren morgen, dat mijn oude patroon een bezoek bracht aan vader

Alexis, wat gewoonlijk lang duurde, nam ik een afdruk van den sleutel,

maar toen ik dien eenmaal in handen had, kon ik ook niet nalaten,

er gebruik van te maken. De brandkast was in een oogenblik geopend en

ik zag voor mij een bekoorlijke verscheidenheid van groote en kleine

zakken. Ik wist niet welken te kiezen; daar echter de vrees te worden

ontdekt mij geen langdurig onderzoek toeliet, nam ik maar een van de

grootsten. Daarna stopte ik den sleutel weer weg, en ging met mijn

prooi naar mijn kamertje. Later ging ik daarmee naar Gaspard, die zeer

tevreden over mij was en mij de helft aanbood, maar ik wilde daarvan

niets weten en zei, dat deze eerste zak voor hem alleen was. Toen ik

drie dagen later mijn kans schoon zag, nam ik er weer een en daarvan

stelde ik mij tevreden met een vierde gedeelte, hoewel de jonge

Velasquez broederlijk met mij had willen deelen. Evenals de eerste,

bevatte ook deze vijfhonderd kronen.

Zoodra mijn jonge meester zich in het bezit zag van zooveel geld en

bijgevolg voldoen kon aan zijn hartstocht voor de vrouwen en het spel,

gaf hij zich daaraan geheel over. Ongelukkig had hij het ongeluk in

aanraking te komen met een van die bekende coquettes, die het geld

als het ware verslinden. Ze joeg hem op zoo hooge kosten, dat de

oude Velasquez spoedig merkte dat er ongewenschte bezoeken aan zijn

brandkast werden gebracht.

"Scipio," zei hij op een morgen tot me, "ik moet je een ontdekking

doen, men besteelt mij, mijn brandkast is opengemaakt en ik mis er

verscheidene zakken geld uit. Wien moet ik daarvan beschuldigen of

liever gezegd wien anders moet ik beschuldigen dan mijn zoon? Gaspard

is zeker heimelijk in mijn kamer gekomen of misschien ook wel heb

jij hem er gebracht, want hoewel ge kwaad met elkaar zijt, twijfel

ik er toch soms aan of jij het niet met hem eens bent. Maar ik wil

niet toegeven aan die verdenking omdat vader Alexis voor je trouw

heeft ingestaan."

Met een huichelachtig gezicht zei ik, dat het goed van anderen mij

heilig was. De oude heer sprak er niet verder van maar hij bleef

mij wantrouwen en nam maatregelen tegen onze aanslagen. Hij liet

een anderen sleutel van zijn brandkast maken en droeg dien altijd

bij zich. De gemeenschap tusschen de zakken en ons was daardoor

verbroken, tot groot leedwezen vooral van Gaspard, die geen uitgaven

meer kon doen voor zijn nimf en nu vreesde, dat hij haar niet meer

zou kunnen zien. Hij vond daarom een ander middel en vroeg mij geld

ter leen. Dat werd zoo dikwijls herhaald, dat ik eindelijk niets

meer over had van hetgeen de aderlatingen van de brandkast mij hadden

opgeleverd. Toen ik mijn laatste stuk had gegeven meende ik mijn fout

te hebben goedgemaakt; immers, ik had den zoon en erfgenaam vergoed,

wat ik den vader had ontstolen.

Toen de jongeman ook die laatste hulpbron zag uitgeput, verviel hij

in een sombere droefgeestigheid. Hij beschouwde zijn vader slechts als

een man, die zijn leven ongelukkig maakte. De ellendeling vatte zelfs

het afschuwelijke plan op om zijn vader te vergiftigen. Hij bepaalde

er zich niet toe mij deelgenoot te maken van dit plan, maar stelde

zelfs voor hem te helpen. Bij dit voorstel voelde ik een afschuw van

hem. Ik zei: "Mijnheer, hoe is het mogelijk, dat ge zóó door den hemel

zijt verlaten, dat ge mij een dergelijk voorstel kunt doen? Zoudt

ge in staat zijn uw eigen vader het leven te benemen? Zou men in het

Christelijke Spanje een misdaad moeten zien begaan, waarvoor men zelfs

in de meest beschaafde naties met schrik en afschuw zou terugdeinzen?"

Lang sprak ik met Gaspard, om te trachten hem van zijn onmenschelijk

plan af te brengen, maar hij bleef somber en stil, zoodat ik meende,

dat hij bij zijn voornemen bleef volharden.

Ten einde raad, besloot ik mijn ouden meester te waarschuwen; ik vroeg

hem een geheim onderhoud en toen wij in zijn kamer waren opgesloten,

viel ik op mijn knieën en badende in mijn tranen, vertelde ik van

onzen diefstal en van het gesprek, dat ik met Gaspard had gehad.

Welke slechte meening de oude Velasquez ook omtrent het karakter van

zijn zoon had, zoo iets had hij toch niet verwacht. Hij twijfelde

echter niet aan de waarheid van mijn mededeeling. "Ik vergeef

je," zei hij, "ter wille van het gewichtige feit, dat je mij hebt

meegedeeld. Gaspard staat mij dus naar het leven. De ellendeling

ziet zelfs niet tegen een vadermoord op! En welke redenen heeft

hij daarvoor? Ieder jaar verschaf ik hem een som, die voldoende is

om op behoorlijke wijze van het leven te genieten! Ik kan voor zijn

uitspattingen toch niet zijn zuster en mijzelf ruïneeren. Maar bewaar

het geheim, dat je mij hebt verteld. Laat niemand iets merken!"

Zeer nieuwsgierig was ik, te weten welk besluit de ongelukkige vader

zou nemen, toen hij denzelfden dag Gaspard liet roepen en zonder dat

hij iets liet merken van hetgeen er in zijn ziel omging, tot hem zei:

"Mijn zoon, ik heb een brief ontvangen van een vriend uit Mérida. Men

vraagt mij, of ge wilt trouwen met een meisje van zestien jaar, zeer

schoon en in het bezit van een aanzienlijke bruidschat. Als gij geen

bezwaar hebt tegen dit huwelijk, zullen wij ons morgen zeer vroeg op

weg begeven; wij zullen het meisje bezoeken, bevalt ze u, dan kunt

ge haar trouwen, zoo niet, dan zal er over een huwelijk niet verder

worden gesproken."

Zoodra Gaspard van een bruidschat hoorde, was hij bereid mee te gaan

en, gezeten op goede muilezels, vertrokken zij den volgenden dag.

Toen zij in de bergen waren en op een plaats, die bekend was door

de roovers, welke dikwijls de reizigers overvielen, steeg Baltazar

af en verzocht zijn zoon hetzelfde te doen. De jongeman gehoorzaamde

en vroeg, waarom men hier moest ophouden. De grijsaard keek hem vol

smart aan en zei: "Dat zal ik je zeggen. Wij gaan niet naar Mérida

en het geheele huwelijk, waarvan ik je heb gesproken, is slechts een

verzinsel geweest, om je hier te krijgen. Ondankbare en onnatuurlijke

zoon! Ik weet welk misdadig plan je hebt. Ik weet, dat je een vergift

heb bereid, dat mij zou moeten worden gegeven. Maar onverstandige! Denk

je dan, dat je mij ongestraft het leven zou kunnen benemen? Je misdaad

zou ontdekt worden en je zou moeten sterven door de handen van den

beul. Er is een beter middel, om je doel te bereiken, zonder je aan

een schandelijken dood bloot te stellen. Wij zijn hier op een plaats

zonder getuigen en waar vaak moorden begaan worden. Indien je mijn

bloed wil, steek dan de dolk in mijn hart en men zal dien moord aan

roovers wijten." Bij die woorden maakte Baltazar zijn kleeren los en

wees de plaats aan, waar deze moest toestooten.

De jonge Velasquez, door deze woorden als door den bliksem getroffen,

viel buiten bewustzijn aan de voeten van zijn vader. De goede

grijsaard, wien dit een teeken van berouw scheen, kon aan zijn

vaderlijke zwakheid geen weerstand bieden, hij hielp den ongelukkige

op. Deze kwam spoedig weer tot bewustzijn, besteeg zijn muilezel en

reed weg zonder een woord te spreken.

Baltazar vernam korten tijd later, dat zijn zoon in het Karthuizer

klooster te Sévilla was gegaan, om er de rest van zijn dagen in

boetedoening te slijten.

De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 2 van 2 De Spaansche Avonturier · 第 64 / 98 题