Gevolg van het huwelijk van Gil Blas en de schoone Antonia. Begin
van de geschiedenis van Scipio.
Den volgenden dag keerden de heeren de Leyva naar Valencia terug en
mijn secretaris en ik bleven met onze vrouwen en het gewone personeel
op het kasteel achter. De zorg, die wij ervoor over hadden om onze
dames te behagen, was niet vruchteloos; in korten tijd gevoelde mijn
vrouw voor mij evenveel liefde als ik voor haar en Scipio deed de
zijne al het verdriet vergeten, dat hij haar had aangedaan.
Béatrix, die een zacht karakter had, was spoedig in de gunst en het
vertrouwen van haar nieuwe meesteres. Wij leefden zeer genoeglijk met
ons vieren. Antonia was ernstig en Béatrix en ik waren vroolijk, maar
al waren wij het niet geweest, dan zou de aanwezigheid van Scipio wel
voldoende zijn geweest om alle droefgeestigheid te verdrijven. Hij
was een van die menschen, die zich maar behoeven te vertoonen, om
een gezelschap te vermaken.
Op zekeren dag vroeg ik hem ons zijn geschiedenis te vertellen,
omdat hij daarvan nog nooit had gesproken.
"Wanneer ik u mijn geschiedenis nog niet verteld heb," zei hij,
"komt dat omdat ge nooit van het minste verlangen getuigd hebt die
te weten. Maar zijt ge er nieuwsgierig naar, dan zal ik uw verlangen
bevredigen.
Ik zou de zoon zijn van een grande of tenminste van een ridder,
indien het van mij had afgehangen, maar, daar men zelf zijn vader niet
kiest, was de mijne, genaamd Torribio Scipio, een eenvoudig dienaar
van den heiligen Hermandad. Op zekeren dag ontmoette hij bij toeval
op een van de groote wegen, waar hij voor de uitoefening van zijn
ambt bijna altijd moest zijn, tusschen Cuença en Tolédo een jonge
zigeunerin, die hem zeer goed beviel. Ze was alleen, ging te voet en
droeg al wat zij bezat in een zak op haar rug. "Waar gaat ge heen,
lief kind?" vroeg hij en verzachtte daarbij zijn stem, die zeer hard
van natuur was. "Mijnheer," antwoordde zij, "ik ga naar Tolédo, waar
ik op eerlijke wijze mijn brood hoop te verdienen." "Dat is een zeer
prijzenswaardig voornemen," zei mijn vader, "en ik twijfel er niet
aan of ge hebt meer dan één koord op uw boog." Het meisje vertelde
daarop, dat ze verschillende talenten had; ze kon pommade en reukwater
maken en waarzeggen. Torribio, die haar een zeer voordeelige partij
vond voor een man als hij, die moeite had om van zijn bezoldiging
te leven, stelde haar voor hem te huwen. Met genoegen nam zij dat
voorstel aan. Toen dit tusschen hen vaststond trouwden ze zoo spoedig
mogelijk te Tolédo en in mij ziet ge de waardige vrucht van dit edele
huwelijk. Zij gingen in een van de buitenwijken wonen, waar mijn
moeder begon met hare pommade en reukwater te verkoopen; maar omdat
zij er geen voldoende afname van had, werd zij waarzegster. Toen
begon het bij haar ducaten en pistolen te regenen want Cascolina,
zoo heette zij, had spoedig naam verworven.
Mijn moeder had de gewoonte, om de menschen, die bij haar kwamen,
steeds een antwoord te geven, dat naar hun zin was. Kwam dan de
voorspelling goed uit, zoo had zij er de eer van en indien men haar
het tegendeel kwam verwijten, dan schreef zij dit toe aan een demon,
die sterker was dan zij.
Toen ze het later gewenscht oordeelde, om nu en dan den duivel
persoonlijk te laten optreden, werd die rol toebedeeld aan mijn vader,
die zich met zijn harde stem en leelijk gezicht uitstekend daartoe
leende. Vele lichtgeloovigen schrokken van hem, maar op een goeden dag
kwam er een brutale kapitein, die den duivel doorstak. Het gerecht,
dat van dezen dood vernam zond zijn mannen op mijn moeder af en ze werd
gearresteerd. Mij bracht men naar het weeshuis; ik was toen zeven jaar
oud. Er waren in dat weeshuis geestelijken, die goed werden betaald
voor hun zorgen, besteed aan de opvoeding van de kinderen en hun lezen
en schrijven leerden. Ze schenen op te merken, dat ik veel beloofde
en onderscheidden mij boven de anderen, door mij hunne boodschappen
te laten doen. Ter belooning leerden ze mij een beetje Latijn. Maar
ik had het er zoo slecht, dat ik op een goeden dag besloot, weg te
loopen. Ik ging Tolédo uit en begaf mij op weg naar Vevilla.
Hoewel ik nauwelijks negen jaar was, voelde ik reeds het genoegen, van
vrij te zijn en meester over mijn daden. Toen ik een paar uren geloopen
had en ik moede was, ging ik onder een boom zitten rusten. Ik haalde
mijn leerboek uit mijn zak en vond er een genoegen in de bladen ervan
te verscheuren. Terwijl ik daarmee bezig was, kwam er een kluizenaar
voorbij, een man met een langen grijzen baard, een grooten bril op en
een eerbiedwaardig uiterlijk. Hij sprak mij aan en nadat wij eenigen
tijd samen hadden gepraat, stelde hij mij voor hem te vergezellen
naar zijn woning. "U moet mij niet kwalijk nemen," zei ik, "maar ik
heb geen lust om kluizenaar te worden." De grijsaard lachte en zei:
"Mijn kleed jaagt je zeker schrik aan, mijn zoon, 't is dan ook niet
mooi maar nuttig, het bezorgt mij een aangename verblijfplaats en de
inwoners van de naburige dorpen zijn goed voor mij. Kom mee en blijf,
als het je bevalt. Mocht het je niet bevallen, dan scheiden wij en
zal ik je toch helpen."
Ik liet mij overreden en volgde den kluizenaar, die mij tal van vragen
deed, die ik, naar het scheen, tot zijn genoegen beantwoordde. Toen wij
in zijn woning aankwamen, gaf de oude man mij eerst eenige vruchten,
die ik verslond, want ik had dien dag nog niets gegeten dan een stuk
droog brood, dat ik in het weeshuis voor ontbijt had gekregen. "Eet
maar goed, mijn zoon, ik heb je niet meegenomen, om je van honger te
laten sterven." Dat was waar, want hij begon dadelijk een schapenbout
te braden, waarvan wij een paar flinke stukken voor ons souper kregen,
met een beker wijn. "Zoo leef ik hier gewoonlijk," zei hij, "blijf je
bij me, dan is het niet noodig om altijd binnen te zijn, je kan doen,
wat je wil. Het eenige, wat ik van je vraag is om met mij mee te gaan
als ik de naburige dorpen bezoek. Dan moet je een juk met twee manden
voor me dragen, die door de liefdadige boeren worden gevuld met eieren,
brood, vleesch en visch."
"Ik wil dat graag doen," antwoordde ik, "als ik maar geen Latijn meer
hoef te leeren." Lachend stelde broeder Chrysostome, zoo heette de
hermiet, mij gerust.
Den volgenden dag gingen wij erop uit en brachten wel voor acht dagen
levensmiddelen thuis, een bewijs dat de oude man zeer gezien was bij
de inwoners van het dorp. Op zijn beurt was hij hen van groot nut. Hij
gaf goeden raad, als men dien kwam vragen, herstelde den vrede in het
huishouden, wanneer die was verstoord, huwelijkte de meisjes uit,
wanneer ze meenden, dat het tijd was, wist allerlei middelen voor
ziekten en leerde orakelspreuken aan vrouwen, die graag kinderen
wilden hebben.
Ik had een goed leven; broeder Chrysostome had van een oud kleed van
hem voor mij ook een soort van pij gemaakt en ik werd de kleine broeder
Scipio genoemd. Dat prettige leven had nog lang kunnen voortduren,
maar het lot wilde het anders.
Dikwijls zag ik den grijsaard bezig met het kussen, waarop hij sliep;
hij maakte het open, naaide het weer dicht en op zekeren dag meende ik
op te merken, dat hij er geld in deed. Dat maakte mij nieuwsgierig en
ik besloot dat eens te onderzoeken den eersten keer dat hij weg was
naar Tolédo, waar hij altijd eenmaal per week alleen heen ging. Met
ongeduld wachtte ik dien dag af, zonder echter andere plannen te
hebben, dan alleen mijn nieuwsgierigheid te bevredigen.
Eindelijk vertrok de goede man; ik maakte het kussen open en vond
aan allerlei muntstukken een waarde van ongeveer vijftig kronen.
Dat geld had hij zeker van de boeren gekregen voor de genezing van
hunne kwalen, of van de boerinnen, die door zijn orakelspreuken
kinderen hadden gekregen. Hoe het zij, ik zag geld, dat ik mij kon
toeëigenen en mijn Zigeunernatuur ontwaakte. Er kwam een zucht naar
stelen bij mij op, alleen verklaarbaar door het bloed, dat mij door de
aderen vloeide. Ik deed het geld in een zak, trok het kluizenaarskleed
uit en het weeshuispakje weer aan en verwijderde mij, meenende al de
schatten van Indië mee te voeren.
Hoewel ik nog een kind was, was ik toch niet zoo dom, om den weg
naar Tolédo in te slaan, waarop ik broeder Chrysostome had kunnen
ontmoeten. Ik ging een anderen kant uit en kwam na lang loopen in
het dorp Galvas. Daar ging ik een logement binnen en de eigenares,
een vrouw van veertig jaar, die bij het gezicht van mijn kleeren
meende, dat ik weggeloopen was uit het weeshuis, vroeg mij mijn
naam en waar ik heenging. Ik antwoordde haar, dat ik mijn vader
en moeder had verloren en ergens een dienst zocht. Ze vroeg mij of
ik lezen en schrijven kon en op mijn bevestigend antwoord zei ze,
dat ik bij haar kon blijven. "Ik zal je geen loon geven," voegde zij
eraan toe, "aangezien in dit logement fatsoenlijke menschen komen,
die de bedienden niet vergeten."
Ik nam haar aanbod aan. Maar al dadelijk kwam ik in groote onrust; want
ik wilde niet laten weten, dat ik geld had en wist niet goed, waar ik
het verbergen moest. Wat geeft rijkdom toch een last! Eindelijk besloot
ik mijn zak in een hoek van den zolder onder het stroo te stoppen.
Er waren drie dienstboden in het huis; een groote staljongen, een
jonge meid uit Gallicië en ik. Alle drie kregen wij fooien van de
bezoekers, maar de meid was altijd het beste af. Niet zoodra ontving
ik een stuiver, of die werd boven gebracht in mijn zak en hoe grooter
mijn schat werd, des te meer hechtte ik mij daaraan. Wel dertigmaal
op een dag ging ik naar boven, om naar mijn geld te kijken. De
waardin, die dat begon te merken en wantrouwend van karakter was,
besloot den zolder eens na te kijken. Ze wierp het stroo ter zijde
en vond mijn zak. Toen ze zag, dat daarin kronen en pistolen waren,
geloofde zij, dat die bij haar gestolen waren, of liever zij deed of
ze dit geloofde. Zij schold mij uit voor een kleinen dief, liet mij
door den staljongen afranselen en zette mij buiten de deur. Of ik al
riep, dat ik haar niet bestolen had, zij hield vol en men geloofde
haar meer dan mij. Op die wijze gingen de geldstukken van broeder
Chrysostome uit de handen van een dief over in die van een dievegge.
Ik betreurde het verlies van mijn geld, zooals men een eenigen zoon
beweent, en indien mijn tranen mij al niet teruggaven, wat men mij
ontnomen had, ze waren tenminste oorzaak, dat ik het medelijden
opwekte van personen, die ze zagen vloeien en onder anderen van den
pastoor van Galves, die toevallig voorbijkwam. Hij scheen getroffen
door mijn verdriet en nam mij mee. Door mij te beklagen en vriendelijk
met mij te spreken, wist hij mij zoover te krijgen, dat ik hem alles
vertelde. "Mijn zoon," zei hij, "hoewel een kluizenaar geen geld mag
verzamelen, vermindert dat uw schuld niet; door broeder Crysostome te
bestelen, hebt gij gezondigd tegen de tien geboden; maar troost u er
mede, dat ik de waardin zal verplichten, om afstand te doen van dat
geld en het weer den kluizenaar zal doen toekomen. Uw geweten kan in
dat opzicht dus gerust zijn."
Nu moet ik eerlijk bekennen, dat mij dat maar heel weinig belang
inboezemde. Maar de pastoor ging verder; hij beloofde voor mij te
zullen zorgen. "Ik zal u morgen door een ezeldrijver laten brengen
naar mijn neef, den kanunnik van den kathedraal van Tolédo. Hij zal,
op mijn verzoek, niet weigeren om u in zijn dienst te nemen en u op
te leiden tot lakei, dan hebt ge bij hem een aangenaam leven."
Die verzekering troostte mij en den volgende dag kwamen er twee
muilezels voor. Men hielp mij op den eene, de drijver besteeg den
andere en wij sloegen den weg in naar Tolédo. Mijn reismakker was
een man met een goed humeur die niets liever deed, dan zich vermaken
ten koste van zijn naasten. Hij begon al dadelijk een gesprek met
mij. "Mijn jongen vriend, ge hebt een goeden beschermer in mijnheer
den pastoor van Galves. Dat toont hij u wel. Hij kan u geen beteren
dienst bewijzen, dan door u te plaatsen bij zijn heer, den kanunnik,
dien ik de eer heb te kennen. 't Is allerminst één van die bleeke
en magere vromen, maar een man, die van het leven houdt en zich de
genoegens, die het biedt, niet ontzegt. Ge zult het daar best hebben."
De man hield niet op met van het geluk te spreken, dat mij wachtte, tot
wij in het dorp Obisa kwamen, waar onze muilezels moesten rusten. Daar
bemerkte ik, goddank, dat men mij bedroog. Ziehier op welke wijze. De
drijver, die op en neer ging in het logement, liet bij toeval een
papier vallen, dat ik zoo slim was op te rapen en te lezen, terwijl hij
in den stal was. Het was een brief aan de priesters van het weeshuis,
die aldus luidde: "Mijne heeren! Ik heb gemeend, dat de barmhartigheid
mij verplicht om weer in uw handen te stellen een jongen schelm,
die uit uw inrichting is ontsnapt; hij schijnt niet dom en waard,
dat gij de goedheid hebt, hem bij u opgesloten te houden. Ik twijfel
er niet aan, of met strenge tucht zult gij een flinken jongen van hem
maken. God zegene uw vroom en barmhartig werk. De pastoor van Galves."
Toen ik dien brief had gelezen, was het voor mij niet lang de vraag,
wat ik had te doen. Het hotel uit te snellen en naar den oever van
den Taag te loopen, die op een mijl afstand lag, was het werk van een
oogenblik. De angst gaf mij vleugelen om de priesters van het weeshuis
te ontvluchten, waar ik in geen geval wilde terugkeeren; zulk een
tegenzin had ik in de manier, waarop zij Latijn onderwezen. Ik bereikte
Tolédo, en de fortuin was mij gunstig in die groote stad. Een heer,
die zeer goed gekleed was, hield mij aan en zei: "Vriendje, wil je
in mijn dienst komen? Ik heb een jongen zooals jij noodig." "En ik
een meester zooals u," antwoordde ik.
Die heer, die ongeveer dertig jaar oud kon zijn, heette don Abel. Hij
logeerde in een hotel, waar hij een mooie kamer had, was speler van
beroep, en ziehier op welke wijze wij leefden; 's morgens stopte ik
zijn pijp vijf- of zes maal en maakte zijn kleeren schoon, dan ging
ik den barbier voor hem halen en daarna ging hij uit, om niet terug
te keeren voor elf of twaalf uur 's avonds. Maar iederen morgen voor
hij uitging, gaf hij mij wat klein geld en ik kon den dag besteden,
zooals ik wilde, mits ik maar 's avonds om tien uur thuis was. Daar hij
zeer tevreden over mij was, liet hij mij een livrei maken, waarop ik
niet weinig trotsch was. Mijn nieuwe betrekking beviel mij zeer goed.
Ongeveer een maand was ik bij hem geweest, toen hij mij vroeg, of
ik tevreden bij hem was. Ik antwoordde, dat ik het niet beter kon
wenschen en daarop zei hij: "dan zullen wij morgen naar Sévilla
vertrekken, waar mijn zaken mij roepen. Het zal je niet spijten,
de hoofdstad van Andaloesië te zien. Het spreekwoord zegt, dat wie
Sévilla niet heeft gezien, niets gezien heeft." Ik betuigde hem,
dat ik bereid was hem overal te volgen.
Den volgenden dag kwam er een man in het hotel om zijn koffer te
halen en daarna vertrokken wij.
Don Abel was zóó gelukkig in het spel, dat hij alleen verloor,
wanneer hij het wilde, wat hem noodzaakte, dikwijls van woonplaats
te veranderen, om zich te onttrekken aan ontmoetingen met zijn
slachtoffers. Daarom moesten wij ook nu vertrekken.
In Sévilla gingen wij in een hotel en begonnen hetzelfde leven als in
Tolédo. Maar, mijn patroon vond verschil tusschen die twee steden, want
hij ontmoette hier spelers, die even gelukkig waren als hij en daarover
was hij kwaad. Op een morgen, dat hij weer eens uit zijn humeur was,
omdat hij den vorigen avond honderd pistolen had verloren, vroeg
hij mij, waarom zijn waschgoed niet was weggebracht. Ik antwoordde
hem, dat ik daar niet aan had gedacht, waarop hij in woede mij een
half dozijn klappen in mijn gezicht gaf, die zoo hard waren, dat
ik meer lichten zag, dan er in Salomo's tempel waren. "Daar, kleine
stommeling! Dat zal je wel leeren, om aan je plicht te denken!" Met
die woorden ging hij weg en ik was zoo kwaad op hem, dat ik besloot
mij te wreken bij de eerste gelegenheid, die zich zou voordoen.
Ik weet niet, welk nieuw avontuur hij had gehad, maar op een avond kwam
hij in zeer opgewonden toestand thuis en zei: "Scipio, ik ben van plan
naar Italië te gaan. Ik heb daar mijn redenen voor en denk, dat je wel
lust zult hebben mij te vergezellen en van zulk een schoone gelegenheid
te profiteeren, om het prachtigste land van de wereld te zien."
Ik antwoordde hem, dat ik niets liever wilde, maar tegelijkertijd
nam ik mij voor, om te verdwijnen op het oogenblik, dat hij wilde
vertrekken. Daardoor dacht ik mij op mijn meester te wreken en ik
vond het plan zeer vernuftig. Zoo tevreden was ik er over, dat ik
niet kon nalaten het mee te deelen aan een kameraad, dien ik op straat
ontmoette. Sedert ik in Sévilla was, had ik eenige slechte kennissen
gekregen en daaronder behoorde deze.
Ik vertelde hem, waarom en op welke wijze ik mij op mijn meester
wilde wreken en vroeg hem, wat hij ervan dacht.
Hij antwoordde mij: "Mijn vriend, uw eer gedoogt niet, dat ge
ongewroken blijft; maar 't is niet voldoende don Abel alleen te
laten vertrekken; daarmee straft ge hem niet genoeg. Laten wij hem
zijn koffer en zijn geld ontnemen en de buit broederlijk deelen na
zijn vertrek."
Hoewel ik een natuurlijke neiging had tot stelen, verschrikte ik toch
van het voorstel tot zulk een ernstigen diefstal. Maar mijn kameraad
wist mij zoo te bepraten, dat ik toestemde en ziehier den uitslag.
Mijn kameraad, die groot en sterk was, kwam den volgenden morgen in ons
hotel. Ik wees hem den koffer, waar don Abel reeds alles had ingepakt
en vroeg hem, of die hem niet te zwaar was om alleen te dragen. "Te
zwaar!" zei hij. "Als 't is om het goed van anderen weg te nemen,
dan zou ik den heelen ark van Noach wel kunnen dragen." Hij nam daarop
den koffer op zijn schouders en ging met lichten tred naar beneden. Ik
volgde hem en wij waren aan het einde van de straat, toen don Abel door
zijn gelukkig gesternte daarheen geleid, plotseling voor ons stond.
"Waar ga je met dien koffer heen?" vroeg hij. Ik was zoo verschrikt,
dat ik geen antwoord kon geven en mijn kameraad, die zag dat het spel
mislukt was, wierp den koffer weg en maakte beenen. "Waar ga je met
dien koffer heen?" vroeg mijn meester voor de tweede maal.
Meer dood dan levend antwoordde ik: "Mijnheer, ik ga dien naar het
schip brengen, waarmee u morgen naar Italië wilt gaan."
"En kan je mij ook zeggen met welk schip ik ga?"
"Neen, mijnheer, maar elke weg leidt naar Rome en ik zou aan de
haven hebben geïnformeerd." "Wie heeft je bevolen mijn koffer uit
het huis te doen dragen?" "Uzelf," zei ik. "Wat? Ik?" antwoordde hij
verbaasd. "Natuurlijk," hernam ik, "herinner u maar, dat u mij een
paar dagen geleden onder slagen bevolen hebt uw orders te voorkomen
en op mijn eigen houtje te doen wat er gebeuren moest!"
Don Abel, die merkte, dat ik niet zoo onschuldig was als hij altijd had
gedacht, zei op koelen toon: "Ik ontsla je, je hebt te veel verstand
voor je leeftijd!
Bovendien houd ik er niet van om te spelen met menschen, die nu eens
een kaart te veel of dan er een te weinig hebben."
Zoo liep ik nu door de straten van Sévilla, met niet meer dan een paar
stuivers op zak. Bij de keukens van het paleis van den aartsbisschop
trof een aangename geur mijn neus. Zou er geen middel voor mij zijn,
om iets te eten te krijgen? Ik verzon een list en dadelijk was die
uitgevoerd. Hard loopend kwam ik de plaats op bij de keuken en riep:
"Help! Help!" alsof iemand mij achterna kwam, om mij te vermoorden. Op
mijn geschreeuw kwam meester Diego, de kok, aangesneld met drie of
vier koksjongens om te weten, wat er gaande was. Daar hij niemand
anders zag dan mij, vroeg hij waarom ik zoo hard schreeuwde. Ik deed
of ik hevig ontsteld was en vertelde hem van een grooten, sterken
man, een vechtersbaas, die mij op straat was tegengekomen en me had
willen doodslaan. De goede man stelde mij gerust en zei: "Kom, kom,
die man heeft misschien een grap met je willen hebben en bovendien,
hier zal hij niet komen."
"Neen, neen! 't Was geen gekheid en hij zal mij op straat wel
opwachten!"
"Welnu, laat hem dan maar wachten en blijf hier, je kunt vanavond
met de koksjongens eten en gaan slapen."
Mijn doel was bereikt en ik amuseerde mij zoo goed met de jongens,
dat toen ik den volgenden morgen meester Diego wilde gaan bedanken,
hij me zei: "de jongens hebben zooveel genoegen met je gehad, dat ze
mij gezegd hebben, je graag voor kameraad te willen hebben. Heb je
daar lust in?"
Natuurlijk antwoordde ik, dat ik niets liever wenschte en zoo werd ik
koksjongen. In de keuken zag ik 15 personen bezig met het souper van
Monseigneur, maar de gerechten kon ik niet tellen; zoo goed zorgde
de Voorzienigheid voor hem.
Al spoedig stond ik zoo in de gunst bij meester Diego, dat hij mij
gebruikte om schotels en wijn te brengen bij een dame in de buurt,
die mooi en levendig was en die er uitzag of ze haren kok niet zeer
trouw was. Ondertusschen voorzag hij haar niet slechts van vleesch,
brood, suiker en olie, maar zorgde ook voor haar wijnvoorraad; en
dat alles op kosten van den aartsbisschop.
Mijn verblijf in het bisschoppelijk paleis eindigde met een poets,
waarvan men nog heden spreekt. De pages en eenige andere bedienden
hadden het plan gevormd, om op den verjaardag van monseigneur een
comedie op te voeren. Ze kozen er een, waarin een jongen man van
mijn leeftijd een jongen koning moest voorstellen. De hofmeester, die
het stuk hielp instudeeren, koos mij daarvoor en na eenige repetities
verklaarde hij, dat ik niet onder de minste spelers zou behooren. Niets
werd gespaard om de opvoering zoo luisterrijk mogelijk te maken. Een
van de grootste zalen werd voor schouwburg ingericht en ook aan de
costuums werd alle zorg besteed. Een kleermaker was mijn maat komen
nemen en ik kreeg een rijk kleed aan van blauw fluweel, met galon,
knoopen en goud.
Eindelijk kwam de lang verwachte avond. De jonge koning moest het
eerst op het tooneel zijn. Ik opende dus de voorstelling met het
declameeren van een reeks verzen, waarvan het slot luidde, dat de
koning zich niet tegen den slaap kon verzetten. Bij die woorden moest
ik terugtrekken tusschen de coulissen en op een rustbed gaan liggen,
dat daarvoor was klaargezet. Maar toen ik daar zoo lag, begon ik er
aan te denken, of er geen middel was, om met mijn koninklijke kleeren
te ontkomen. Ik zag een klein trapje onder het tooneel, waarmee ik in
een andere zaal kon komen. Toen ik mijn kans schoon zag en niemand op
mij lette, sloop ik daar af en liep de zaal door bij de deur, roepende:
"Plaats! ik moet mij gaan verkleeden!"
Zoo kwam ik in minder dan één minuut ongehinderd buiten het paleis en,
door de duisternis begunstigd, begaf ik mij naar de woning van mijn
vriend, met wien ik dat mislukte avontuur van den koffer had beleefd.
Hij was ten hoogste verwonderd mij te zien in mijn koninklijk
costuum. Spoedig had ik hem op de hoogte gebracht. Hij wenschte mij
hartelijk geluk met deze goed gelukte grap en voorspelde mij, dat ik,
wanneer ik zoo zou voortgaan, de wereld nog eens versteld zou doen
staan door mijn verstand.
"Maar hoe zullen we die rijke kleeren nu goed kwijtraken?" vroeg ik.
"O, dat is het minste, ik ken iemand, die zonder nieuwsgierig te zijn,
alles koopt, wat van zijn gading is. Morgen ga ik hem opzoeken."
Den volgenden morgen sliep ik nog, toen hij terugkwam met den koopman
Ybagnez de Ségoviër, die mij een half versleten pak bracht met
zilveren knoopen en voor mijn prachtig gewaad en kroon, na eindelooze
onderhandelingen, dertig pistolen gaf.
Mijn kameraad nam de helft van dat geld, liet mij de rest en zei:
"Vriend Scipio, met de vijftien pistolen, die je overblijven, raad
ik je zoo spoedig mogelijk de stad te verlaten, want je begrijpt wel,
dat men je, op last van den aartsbisschop, overal zal zoeken. Ik zou
wanhopig zijn, wanneer je na een daad, waardoor je je zoo onderscheiden
hebt, gevangen werd genomen."
Ik antwoordde, dat ik zoo spoedig mogelijk uit Sévilla weg wilde. Na
een hoed en eenig ondergoed te hebben gekocht, ging ik op weg en kwam
na drie dagen in Cordova. Ik ging logeeren in een hotel bij den ingang
van de stad, gaf mij uit voor den zoon van een familie in Tolédo en
zeide, dat ik voor mijn genoegen reisde. Ik zag er zindelijk genoeg
uit om dat te doen gelooven en liet den waard toevalligerwijze een paar
van mijn pistolen zien. Hij vroeg verder niet, misschien uit vrees, dat
zijn nieuwsgierigheid mij zou kunnen doen besluiten om te verhuizen.
Voor niet te veel geld had ik het daar goed. Er waren 's avonds
ongeveer twaalf personen aan tafel, die zwijgend zaten te eten. Maar
een was er, die bijna geen oogenblik zijn mond hield. Hij wist allerlei
nieuwtjes, grappen en verhalen. Wat mij betreft, ik luisterde er weinig
naar, maar ten slotte trok hij ook mijn aandacht. Ik hoorde hem zeggen:
"Alles wat ik tot nu toe verteld heb, heeren, is niets in vergelijking
met het vermakelijke avontuur, dat voor eenige dagen is afgespeeld in
het paleis van den aartsbisschop." De man vertelde daarna met groote
nauwkeurigheid mijn geschiedenis; ik vernam er nu ook het slot van,
dat ik nog niet wist.
Een oogenblik nadat ik verdwenen was, kwamen zooals de volgorde
in het stuk dat bepaalde, de Mooren op, die den koning moesten
oplichten. Ze naderden daarvoor het rustbed, dat, zooals ik zei,
tusschen de coulissen stond, slechts voor een deel zichtbaar voor
het publiek. De Mooren moesten koning Leon slapende verrassen, maar
op het rustbed was niemand te vinden.
Dat gaf dadelijk groote verwarring. Alle acteurs liepen op het tooneel
en achter de schermen rond, de een riep me, de ander zocht mij en
een derde wenschte mij naar den duivel.
De aartsbisschop liet vragen, wat dat alles te beteekenen had en men
moest hem eindelijk wel zeggen, dat de koning niet door de Mooren
kon worden gevangen genomen, omdat hij er met zijn koninklijk gewaad
vandoor was gegaan. De prelaat zei: "Gelukkig dat hij ontkomen is
aan de vijanden van onzen godsdienst. Zeker is hij gevlucht naar
de hoofdstad van zijn koninkrijk en ik wil niet hebben, dat men hem
volgt!" Nadat de aartsbisschop dit bevel had gegeven, zei hij, dat
men moest doorspelen en dat mijn rol gelezen moest worden.