Einde van de geschiedenis van Scipio.
Een slecht voorbeeld heeft soms ook goede uitwerking. Het gedrag van
den jongen Velasquez deed mij over het mijne nadenken. Ik begon mijn
slechte neigingen te bestrijden. Maar de gewoonte, om, wanneer ik
het geld van anderen kon nemen, dat te doen, was zoo sterk bij mij
geworden, dat ze niet gemakkelijk te overwinnen was. Maar ik hoopte
erin te zullen slagen; dikwijls reeds had ik gehoord, dat men om
deugdzaam te worden het slechts ernstig behoefde te willen.
Onze winkel werd dikwijls bezocht door don Manrique de Médrana, een
jong edelman en ridder van de orde van Alcantara. Wij hadden in hem
een van onze beste klanten en ik scheen het geluk te hebben, hem te
bevallen; steeds als hij bij ons kwam, sprak hij met mij. "Scipio,"
zei hij op een goeden dag, "ik zou wel iemand als jij tot lakei willen
hebben." Ik antwoordde: "dat kan gemakkelijk gebeuren, mijnheer, want
het is een zwak van mij, om zeer gesteld te zijn op de toegenegenheid
van voorname personen." "Als dat zoo is," hernam Manrique, "zal ik
mijnheer Velasquez vragen of hij goedvindt, dat je van zijn dienst
in den mijne overgaat; hij zal mij dat genoegen niet weigeren."
Velasquez maakte werkelijk geen bezwaar, het verlies van een
schelmachtigen knecht scheen hem niet onherstelbaar. Wat mij betreft,
de verandering verheugde mij zeer, 't was voor mij een groot verschil:
knecht te zijn van een burgerman of bediende bij een ridder.
Mijn nieuwe patroon was iemand met een zacht, beminnelijk humeur en een
goed verstand. Als jongere zoon van een meer beroemd dan rijk huis,
moest hij leven op kosten van een oude tante, die in Tolédo woonde,
hem als haar zoon lief had en goed voor hem zorgde. Hij kwam in de
voornaamste kringen en bezocht vooral dikwijls de markiezin van
Alménara. Dat was een weduwe van twee en zeventig jaar met zulke
aangename manieren en zooveel geest, dat ze den geheelen adel van
Cordova aantrok.
Op een avond, dat mijn meester van haar terug kwam, was hij in een
buitengewoon aangename stemming. "Mijnheer," zei ik, "mag uw getrouwe
dienaar vragen, of u vanavond ook iets ongewoons overkomen is?"
Hij antwoordde mij, dat hij een ernstig gesprek had gehad met
de markiezin van Alménara. Lachend vroeg ik, of die beminnelijke
zeventigjarige hem misschien een liefdesverklaring had gedaan. "Het
is geen spotternij," zei hij, "maar de markiezin bemint mij. Ze heeft
op de volgende manier tot mij gesproken: "Ik weet, dat ge weinig
fortuin hebt en ik ken uw adel; ik heb een groote genegenheid voor u
en ik ben van plan u te trouwen, daar ik geen ander middel weet, om
u op behoorlijke wijze rijk te maken. Ik weet wel, dat dit huwelijk
mij in de oogen van de wereld belachelijk zal maken, dat men kwaad
van mij zal spreken, van mij zeggen zal, dat ik een oude gekkin ben,
om weer te willen trouwen, maar dat is mij onverschillig. Het eenige,
wat ik vrees is, dat gij mijn gevoelens niet deelt."
De markiezin deelde mij nog mee, dat ze zeer aanzienlijke goederen
bezit, wat ik trouwens reeds wist en dat ze mij daarmee bij haar
leven gaarne gelukkig zou maken.
"Gij hebt zeker maar besloten haar aan te nemen?" vroeg ik.
"Kunt ge daar nog aan twijfelen?" antwoordde hij. "De markiezin is
niet alleen enorm rijk, maar ze is ook een goede en verstandige vrouw,
dus zou ik mijn verstand wel moeten hebben verloren, indien ik geen
gebruik maakte van deze gelegenheid."
Het plan van mijn meester juichte ik sterk toe en ik gaf hem zelfs
den raad om haast te maken met de uitvoering, omdat de zaak anders
nog wel eens zou kunnen misloopen.
Gelukkig zette de dame zelve er spoed achter en gaf hare orders zóó,
dat de toebereidselen tot het huwelijk reeds spoedig waren genomen.
Zoodra men in de stad Cordova wist, dat de oude markiezin d'Almenara
voornemens was te trouwen met den jongen don Manrique de Médrana,
begon men met de weduwe te bespotten, maar zij liet zich daardoor
niet van haar plan afbrengen. Zij liet de menschen in de stad praten
en volgde haren ridder naar het altaar. Hun bruiloft werd schitterend
gevierd en gaf opnieuw stof aan de kwaadsprekers, die meenden, dat
een dergelijke pracht en praal niet paste aan zulk een oud mensch.
Nadat het bal afgeloopen was, gingen de jonggehuwden naar een kamer,
met een kamenier en mij. De oude dame zei daarop tot mijn meester: "Don
Manrique, dit is uw slaapkamer, de mijne is in een ander gedeelte van
het huis; den nacht zullen wij ieder in onze eigen kamer doorbrengen,
over dag zullen wij leven als moeder en zoon."
Toen mijn meester uit beleefdheid wilde tegenspreken, herinnerde
zij hem er aan, dat ze hem alleen had getrouwd om hem in het bezit
te stellen van de voordeelen van hare goederen en in ruil daarvoor
vroeg zij niet anders dan zijn vriendschap.
Na die woorden verliet ze met haar kamenier het vertrek.
Verbaasd bleven mijn meester en ik achter. "Wat zegt ge wel van zulk
een dame?" vroeg hij. "Mijnheer," zei ik, "welk een geluk haar te
bezitten. U hebt er alleen de voordeelen van en niet de lasten."
Don Manrique zei nog, dat hij van plan was haar door oplettende
zorgen voor zooveel goedheid te beloonen. Daarop zocht hij zijn mooi
bed op en het zal wel geen teleurstelling voor hem zijn geweest,
dat hij daar alleen moest slapen.
Het was een zeer gelukkig huwelijk en mijn meester was van een
armen ridder plotseling een zeer rijk man geworden. De echtgenooten
spraken den volgenden avond af, dat ze, zonder elkaar te hinderen,
zouden blijven leven als voor hun huwelijk. Toch mag ik dezen lof
niet aan don Manrique onthouden, hij deed n.l. voor zijn vrouw wat
weinig anderen in zijn plaats zouden hebben gedaan; hij liet een
vriendinnetje in den steek waarvan hij hield omdat hij in niets bij
zijn vrouw achter wilde staan wat consideratie betreft. Het voordeel,
dat ik daarbij had, was dat ik na eenigen tijd zijn secretaris werd
op een jaarwedde van vierhonderd kronen.
Op zekeren dag kreeg mijn meester een brief uit Tolédo, waarin hem werd
medegedeeld, dat dona Théodora Muscoso, zijn tante, op haar uiterste
lag. Dadelijk ging hij haar opzoeken en behalve mij nam hij nog een
knecht en een lakei mee. Wij reden op de beste paarden uit zijn stal
en waren spoedig te Tolédo, waar wij de oude dame in beteren toestand
vonden dan wij dachten. Niettegenstaande de uitspraak van den ouden
dokter, die haar behandelde, begon zij in beterschap toe te nemen,
minder misschien door de geneesmiddelen dan door het gezelschap van
haar lieven neef.
Ik zocht mij in die vreemde plaats zoo goed mogelijk te amuseeren. Met
eenige jongelieden, die ik had leeren kennen, bezocht ik feesten en
ook gingen wij wel eens naar plaatsen, waar gespeeld werd. Maar ik
was niet zoo'n handige speler, als don Abel, mijn vorige meester, die
altijd won. Ik daarentegen verloor steeds, maar ik kreeg een zekeren
hartstocht voor het spel en het zou misschien verkeerd met mij en de
kas van mijn meester zijn afgeloopen, wanneer wij niet gered waren
geworden door de liefde. Op een dag zag ik door de vensters van een
groot huis een jong meisje, dat mij meer een godin scheen, dan een
sterveling. Ik zou mij nog van een sterkere uitdrukking bedienen,
indien er een was, om u juist uit te drukken, welk een indruk haar
verschijning op mij maakte. Dadelijk informeerde ik en ik vernam, dat
zij Béatrix heette en kamenier was bij dona Julia, de jongste dochter
van den graaf de Polan. Niet lang daarna bood ik haar mijn hand aan,
maar daar wij met het oog op onze positie, den eersten tijd nog niet
mochten trouwen, besloten wij in stilte te huwen. Dat gebeurde dan
ook in tegenwoordigheid van Lorença Séphora en eenige andere personen
uit het gevolg van den graaf de Polan.
Eenige malen op den dag had ik gelegenheid mijn vrouw te zien en 's
nachts kwamen wij samen in den tuin. Van een kleine deur, waardoor
ik daarin kon komen, had zij mij den sleutel gegeven. Nooit zijn
een paar jonggetrouwden zoo gelukkig geweest, als Béatrix en ik
waren. Maar de jaloezie kwam ons geluk verstoren. Op een nacht werd ik
zeer verschrikt, doordat ik het deurtje open vond. In de duisternis
naderde ik het prieeltje, waarin ik gewoon was, met mijn vrouw te
spreken. Ik hoorde een mannestem zeggen: "Laat mij dus niet langer
verlangen, mijn waarde Béatrix. Maak mijn geluk volkomen. Bedenk, dat
uw fortuin er mee gemoeid is." Inplaats van geduld te hebben en verder
te luisteren, meende ik, dat het niet noodig was, meer te hooren;
een woedende jaloezie maakte zich van mij meester. Ik dorstte slechts
naar wraak en met uitgetrokken degen, trad ik binnen. "Lafaard!" riep
ik. "Wie ge ook zijn moogt, ge zult mij eerst het leven moeten benemen,
voor ge mij van mijn eer kunt berooven."
De vreemdeling trok ook zijn degen en verdedigde zich als iemand,
die al spoedig de wapens beter machtig bleek dan ik--trouwens ik had
slechts eenige schermlessen ontvangen te Cordova.
Maar welk een vechtersbaas hij was, hij kon een stoot van mij niet
afweren, of liever gezegd, hij deed een verkeerden pas; en niets
anders denkende, dan dat ik hem doodelijk had getroffen, snelde ik weg,
zonder Béatrix te antwoorden, die mij met luide stem riep.
Hier werd Scipio in de rede gevallen door zijn vrouw, die zei: "Ja,
ik riep om 't misverstand op te helderen. De heer met wien mijn man
mij hoorde spreken, was don Fernand de Leyva. Deze, die mijn meesteres
Julia liefhad, had het plan gevormd haar te schaken, omdat hij haar
niet op een andere wijze meende te kunnen krijgen. Hij had mij een
onderhoud gevraagd in den tuin om mijn medewerking te vragen waarvan,
naar hij verzekerde, mijn fortuin zou afhangen. Of ik mijn man al
riep, hij was verblind van toorn en verliet mij alsof ik hem ontrouw
was geworden."
Scipio vervolgde hier weer zijn verhaal: "In den toestand, waarin
ik mij bevond, was ik tot alles in staat. Zij, die bij ondervinding
weten, wat de jaloezie is en welke uitwerking ze heeft, zelfs op de
grootste geesten, zullen zich niet verwonderen over de verwarring in
mijn zwakke hersenen. Van het eene uiterste viel ik in het andere. Voor
de teederheid, die ik, een oogenblik tevoren, nog voor mijn vrouw had
gevoeld, was haat in de plaats gekomen. Ik deed een eed, dat ik haar
zou verlaten en uit mijn gedachten verbannen.
Bovendien meende ik een moord te hebben begaan, en om niet in de
handen van de justitie te vallen, vluchtte ik dus uit Tolédo. Niets
anders had ik bij mij dan mijn kleeren en gelukkig had ik in mijn
zak ongeveer honderd pistolen.
Den geheelen dag liep ik door en 's morgens kwam ik in het dorp
Muqueda. Daar vond ik een ezeldrijver, die met vier muilezels naar
Madrid moest. Ik maakte een accoord met hem en besteeg een van
de dieren.
Nauwelijks waren wij buiten het dorp of de ezeldrijver hief een
kerkzang aan. Hoewel hij mij doof schreeuwde, riep ik: "Vooruit maar,
mijn vriend. Indien de hemel u goede longen heeft gegeven, moet ge
niet nalaten daarvan een goed gebruik te maken."
"O, wat dat betreft, dat doe ik goddank altijd. Ik ben niet zooals de
meeste voerlieden, die lichtzinnige en gemeene liedjes zingen. Niet
eens zing ik romances op onze krijgslieden tegen de Mooren, want al
zijn die niet onzedelijk, ze zijn toch ijdel en passen een Christen
niet."
Die reinheid van zeden in een ezeldrijver vond ik tamelijk
zeldzaam. "Maar zeg mij, vriend, hebt ge ook een gelofte van
kuischheid afgelegd voor 't geval ge in logementen komt met jeugdige
dienstboden?" "Natuurlijk," antwoordde hij, "ik denk daaraan niets
anders dan aan de verzorging van mijn muilezels."
Tegen het einde van den dag kwamen wij aan te Illescas. Toen wij in het
logement kwamen, liet ik aan mijn metgezel de zorg voor onze muilezels
over en ik ging zelf de keuken binnen, waar ik den waard last gaf een
goed souper te bereiden, wat hij beloofde zoo uitstekend te doen, dat
ik mij mijn gansche leven zou herinneren bij hem te hebben gelogeerd.
Terwijl de waard het eten klaarmaakte, ging ik naar de eetzaal, waar
ik mij uitstrekte op een ruststoel, die daar stond en daar ik den
vorigen nacht niet geslapen had, viel ik van vermoeienis in slaap. Na
twee uren kwam mijn metgezel mij roepen met de mededeeling dat ons
avondeten gereed was.
Wij gingen aan tafel zitten en men bracht ons hazepeper. Ik vond dien
buitengewoon goed, misschien deed mijn groote eetlust mij zoo gunstig
oordeelen, of mogelijk kwam het wel door de goede bereiding. Daarna
kregen wij een schapenbout en daar de ezeldrijver alleen van het
laatste gerecht zich bediende en het eerste onaangeroerd had gelaten,
vroeg ik de oorzaak daarvan. Glimlachend antwoordde hij mij, dat
hij niet van hazepeper hield. Dat antwoord of liever de glimlach,
waarmee hij het deed vergezeld gaan, kwam mij geheimzinnig voor. "Ge
verbergt mij," zei ik, "de ware redenen, waarom ge niet van dien
hazepeper hebt gegeten. Doe mij genoegen en deel mij die mee." "Omdat
ge zoo benieuwd zijt het te weten," antwoordde hij, "zal ik u zeggen,
dat ik een tegenzin heb in dat soort van eten, sinds ik eens op een
avond tusschen Tolédo en Cuença heb gezien, dat men een gebakken kater
gebruikte om er hazepeper van te maken." Hij had die woorden nog niet
gesproken, of niettegenstaande al mijn honger, was mijn eetlust opeens
verdwenen. Ik stond woedend van tafel op en verwenschte den hazepeper,
den waard en zijn logement.
's Nachts sliep ik beter dan ik verwacht had en den volgenden morgen
gingen we vroeg op weg. Ik was zoo vol van den hazepeper van den
vorigen dag dat ik alle beesten, die ik tegenkwam, voor katers aanzag.
Zoodra ik in Madrid was aangekomen en mijn drijver had betaald,
huurde ik een gemeubileerde kamer. Hoewel ik aan het leven in groote
steden gewoon was, verbaasde mij toch de pracht, die zich hier aan
mij vertoonde. Vooral in de nabijheid van het hof raakte ik niet
uitgekeken.
Het gelukte mij niet spoedig een betrekking te vinden en daar mijn
geld intusschen opraakte, moest ik mij met al mijn verdiensten tevreden
stellen met een betrekking bij iemand, die zich letterkundige noemde,
te Salamanca woonde en voor een familie-aangelegenheid naar Madrid
was gekomen.
Mijn nieuwe patroon heette don Ignacio de Ipigna. Hij noemde zich
"don", omdat hij onderwijzer was geweest van een hertog, die hem uit
dankbaarheid een jaarlijksch pensioen had geschonken. Hij had ook nog
een pensioen als oud-onderwijzer aan een school en bovendien trok
hij ieder jaar van het publiek twee- of driehonderd pistolen door
boeken over moraal, die hij de gewoonte had, te laten drukken. De
wijze waarop hij zijn werken samenstelde, verdient wel vermeld te
worden. De beroemde don Ignacio bracht bijna den geheelen dag door
met het lezen van Hebreeuwsche, Grieksche en Latijnsche schrijvers en
schreef op kleine vierkante papiertjes alle spreuken of schitterende
gedachten, die van zijn gading waren. Die papiertjes werden dan door
mij aan een ijzerdraad geregen, dat den vorm had van een guirlande
en iedere guirlande vormde een deel.
Wat maakten wij een boeken! De persen zuchtten er onder!
Het ergste was echter, dat hij zijn compilaties voor nieuw en
oorspronkelijk werk uitgaf. Wanneer de beoordeelaars hem verweten,
dat hij de ouden plunderde, antwoorde hij met een fier "Furto laetamur
in ipso."
Intusschen profiteerde ik wel bij dien geleerde; het zou ondankbaar
zijn, dat niet te erkennen. Ik begon beter te schrijven, omdat ik
zijn werk moest copieeren. Hij behandelde mij meer als een leerling
dan als een bediende. Hij zorgde niet alleen voor de vorming van
mijn geest, maar ook voor mijn zeden. "Scipio," zei hij, wanneer hij
toevallig hoorde van een of ander schelmstuk, dat door een bediende
was uitgehaald, "pas op, mijn jongen, dat je zulk een voorbeeld niet
volgt. Een knecht moet zijn meester dienen met evenveel trouw als ijver
en deugdzaam worden door het werk, wanneer hij het niet is van natuur."
In één woord, don Ignacio liet geen gelegenheid voorbijgaan, om te
trachten mij te verbeteren en zijn pogingen hadden zulk een goede
uitwerking, dat ik niet den minsten aandrang gevoelde hem beet te
nemen gedurende de vijftien maanden, dat ik bij hem woonde.
Mijn meester had een familielid in Madrid genaamd Catalina, die in
betrekking was bij de min van den prins en van wier tusschenkomst ik
mij indertijd ook heb bediend om de bevrijding van den heer Gil Blas
uit den toren van Ségovië te bewerken. Deze Catalina nu wist door
hare meesteres gedaan te krijgen, dat don Ignacio benoemd werd tot
het aartsdekenaat te Granada. Zoodra wij de tijding kregen, vertrokken
wij naar Madrid omdat mijn meester zijn weldoener wilde bedanken. Ik
had gelegenheid om Catalina te zien en te spreken en--vergeef mij
waarde Béatrix, want ik meende toen, dat ge mij ontrouw waart--wij
werden op elkaar verliefd.
Na eenigen tijd maakte mijn meester aanstalten om naar Granada te gaan,
maar Catalina en ik zagen tegen een scheiding op en dus zonnen wij op
een middel om die te voorkomen. Ik deed alsof ik ziek was, ik klaagde
over mijn hoofd, over mijn borst, over alle mogelijke kwalen. Don
Ignacio liet een dokter komen, waar ik zeer tegen opzag, omdat ik
vreesde, dat die man wel dadelijk zou ontdekken, dat ik volstrekt niet
ziek was. Maar gelukkig voor mij en alsof wij het eens waren, zei hij
na mij goed te hebben opgenomen, dat mijn ziekte ernstiger was dan
men dacht en dat ik langen tijd mijn kamer zou moeten houden. Mijn
meester, die begeerig was om naar zijn nieuwe woonplaats te gaan,
kon om mij zijn vertrek niet uitstellen, hij gaf er de voorkeur aan
een anderen jongen in zijn dienst te nemen. Hij vertrouwde mij toe
aan de zorg van een verpleegster aan wie hij een som gelds gaf om mij
te laten begraven wanneer ik stierf, of om mijn diensten te beloonen
voor het geval, dat ik van mijn ziekte genas.
Zoodra ik wist, dat don Ignacio naar Granada was, genas ik dadelijk
van al mijn kwalen. Ik stond op, stuurde mijn dokter weg, die zooveel
scherpzinnigheid bezat en ontdeed mij van mijn verpleegster, die
mij meer dan de helft had ontstolen van het geld, dat ze voor mij
had gekregen.
Intusschen had Catalina hare meesteres Anna de Guevara verteld,
dat ik bewonderenswaardig geschikt was voor allerlei intriges. Deze
dame had zulke personen noodig voor hare winstgevende ondernemingen
en zij nam mij onder haar personeel op. Zij gaf mij verschillende
opdrachten, die een weinig handigheid vereischten en ik mag zeggen,
dat ik mij daarvan niet slecht kweet. Zij was spoedig zoo tevreden
over mij als ik onvoldaan was over haar. De dame was zoo gierig,
dat ik niet het minste profijt trok van wat ze door mijn werk ontving.
Ik had dan ook al spoedig lust om weg te gaan, maar werd daarvan
teruggehouden door Catalina, die met den dag verliefder op mij werd
en mij eindelijk formeel voorstelde haar te trouwen.
"Aanbiddelijke schoone," zei ik, "dat gaat zoo niet; ik moet eerst
den dood vernemen van een jeugdige persoon, die u voor is geweest en
van wie ik de echtgenoot ben geworden."
"Maak dat anderen wijs!" riep ze. "Je wilt me vertellen, dat je
getrouwd bent. Waarom? Alleen omdat je er een tegenzin in hebt om
mij tot vrouw te nemen."
Tevergeefs trachtte ik haar ervan te overtuigen, dat ik de waarheid
sprak. Ze gevoelde zich beleedigd en veranderde ten opzichte van mij.
Onder die omstandigheden vernam ik, dat er een lakei noodig was bij
den heer Gil Blas de Santillano, secretaris van den eersten minister
en die betrekking stond mij zeer aan. Men zei mij, dat de heer de
Santillano iemand was van groote verdiensten, zeer in de gunst bij
den hertog de Lerme en bovendien edelmoedig. Ik liet deze gelegenheid
niet ongebruikt voorbijgaan en ging mij presenteeren bij den heer
Gil Blas, die mij op mijn gezicht aannam en die, de hemel geve het,
mijn laatste meester zal zijn."
Hier eindigde Scipio en richtte zich daarna uitsluitend tot mij:
"Mijnheer de Santillano, doe mij het genoegen voor de dames te
getuigen, dat ge mij steeds hebt gekend als een even ijverigen,
als trouwen dienaar. Ik heb behoefte aan uw getuigenis, om haar te
overtuigen, dat de zoon van Coscolina zijn zeden heeft gebeterd en
zijn slechte neigingen bedwongen."
"Ja dames," zei ik toen, "daar kan ik u voor instaan. Indien Scipio
in zijn jeugd een deugniet is geweest, hij heeft zich sedert dien
tijd zoo veranderd, dat hij het model is geworden van een volmaakten
bediende. Wel verre van hem iets te kunnen verwijten in zijn gedrag
tegenover mij, moet ik eerder bekennen, dat ik groote verplichtingen
aan hem heb. In den nacht, dat men mij oplichtte en naar den toren
van Ségovië bracht, redde hij uit de plundering een gedeelte van
mijn geld en bracht dat in veiligheid. Hij had het zich ongestraft
kunnen toeëigenen. Hij bepaalde er zich niet toe, om voor mijn geld
te zorgen; alleen uit vriendschap voor mij, liet hij zich met mij in
de gevangenis opsluiten. Boven de begeerlijkheden der vrijheid gaf
hij er de voorkeur aan met mij mijn verdriet te deelen."