HOOFDSTUK XII

Einde van de geschiedenis van Scipio.

Een slecht voorbeeld heeft soms ook goede uitwerking. Het gedrag van

den jongen Velasquez deed mij over het mijne nadenken. Ik begon mijn

slechte neigingen te bestrijden. Maar de gewoonte, om, wanneer ik

het geld van anderen kon nemen, dat te doen, was zoo sterk bij mij

geworden, dat ze niet gemakkelijk te overwinnen was. Maar ik hoopte

erin te zullen slagen; dikwijls reeds had ik gehoord, dat men om

deugdzaam te worden het slechts ernstig behoefde te willen.

Onze winkel werd dikwijls bezocht door don Manrique de Médrana, een

jong edelman en ridder van de orde van Alcantara. Wij hadden in hem

een van onze beste klanten en ik scheen het geluk te hebben, hem te

bevallen; steeds als hij bij ons kwam, sprak hij met mij. "Scipio,"

zei hij op een goeden dag, "ik zou wel iemand als jij tot lakei willen

hebben." Ik antwoordde: "dat kan gemakkelijk gebeuren, mijnheer, want

het is een zwak van mij, om zeer gesteld te zijn op de toegenegenheid

van voorname personen." "Als dat zoo is," hernam Manrique, "zal ik

mijnheer Velasquez vragen of hij goedvindt, dat je van zijn dienst

in den mijne overgaat; hij zal mij dat genoegen niet weigeren."

Velasquez maakte werkelijk geen bezwaar, het verlies van een

schelmachtigen knecht scheen hem niet onherstelbaar. Wat mij betreft,

de verandering verheugde mij zeer, 't was voor mij een groot verschil:

knecht te zijn van een burgerman of bediende bij een ridder.

Mijn nieuwe patroon was iemand met een zacht, beminnelijk humeur en een

goed verstand. Als jongere zoon van een meer beroemd dan rijk huis,

moest hij leven op kosten van een oude tante, die in Tolédo woonde,

hem als haar zoon lief had en goed voor hem zorgde. Hij kwam in de

voornaamste kringen en bezocht vooral dikwijls de markiezin van

Alménara. Dat was een weduwe van twee en zeventig jaar met zulke

aangename manieren en zooveel geest, dat ze den geheelen adel van

Cordova aantrok.

Op een avond, dat mijn meester van haar terug kwam, was hij in een

buitengewoon aangename stemming. "Mijnheer," zei ik, "mag uw getrouwe

dienaar vragen, of u vanavond ook iets ongewoons overkomen is?"

Hij antwoordde mij, dat hij een ernstig gesprek had gehad met

de markiezin van Alménara. Lachend vroeg ik, of die beminnelijke

zeventigjarige hem misschien een liefdesverklaring had gedaan. "Het

is geen spotternij," zei hij, "maar de markiezin bemint mij. Ze heeft

op de volgende manier tot mij gesproken: "Ik weet, dat ge weinig

fortuin hebt en ik ken uw adel; ik heb een groote genegenheid voor u

en ik ben van plan u te trouwen, daar ik geen ander middel weet, om

u op behoorlijke wijze rijk te maken. Ik weet wel, dat dit huwelijk

mij in de oogen van de wereld belachelijk zal maken, dat men kwaad

van mij zal spreken, van mij zeggen zal, dat ik een oude gekkin ben,

om weer te willen trouwen, maar dat is mij onverschillig. Het eenige,

wat ik vrees is, dat gij mijn gevoelens niet deelt."

De markiezin deelde mij nog mee, dat ze zeer aanzienlijke goederen

bezit, wat ik trouwens reeds wist en dat ze mij daarmee bij haar

leven gaarne gelukkig zou maken.

"Gij hebt zeker maar besloten haar aan te nemen?" vroeg ik.

"Kunt ge daar nog aan twijfelen?" antwoordde hij. "De markiezin is

niet alleen enorm rijk, maar ze is ook een goede en verstandige vrouw,

dus zou ik mijn verstand wel moeten hebben verloren, indien ik geen

gebruik maakte van deze gelegenheid."

Het plan van mijn meester juichte ik sterk toe en ik gaf hem zelfs

den raad om haast te maken met de uitvoering, omdat de zaak anders

nog wel eens zou kunnen misloopen.

Gelukkig zette de dame zelve er spoed achter en gaf hare orders zóó,

dat de toebereidselen tot het huwelijk reeds spoedig waren genomen.

Zoodra men in de stad Cordova wist, dat de oude markiezin d'Almenara

voornemens was te trouwen met den jongen don Manrique de Médrana,

begon men met de weduwe te bespotten, maar zij liet zich daardoor

niet van haar plan afbrengen. Zij liet de menschen in de stad praten

en volgde haren ridder naar het altaar. Hun bruiloft werd schitterend

gevierd en gaf opnieuw stof aan de kwaadsprekers, die meenden, dat

een dergelijke pracht en praal niet paste aan zulk een oud mensch.

Nadat het bal afgeloopen was, gingen de jonggehuwden naar een kamer,

met een kamenier en mij. De oude dame zei daarop tot mijn meester: "Don

Manrique, dit is uw slaapkamer, de mijne is in een ander gedeelte van

het huis; den nacht zullen wij ieder in onze eigen kamer doorbrengen,

over dag zullen wij leven als moeder en zoon."

Toen mijn meester uit beleefdheid wilde tegenspreken, herinnerde

zij hem er aan, dat ze hem alleen had getrouwd om hem in het bezit

te stellen van de voordeelen van hare goederen en in ruil daarvoor

vroeg zij niet anders dan zijn vriendschap.

Na die woorden verliet ze met haar kamenier het vertrek.

Verbaasd bleven mijn meester en ik achter. "Wat zegt ge wel van zulk

een dame?" vroeg hij. "Mijnheer," zei ik, "welk een geluk haar te

bezitten. U hebt er alleen de voordeelen van en niet de lasten."

Don Manrique zei nog, dat hij van plan was haar door oplettende

zorgen voor zooveel goedheid te beloonen. Daarop zocht hij zijn mooi

bed op en het zal wel geen teleurstelling voor hem zijn geweest,

dat hij daar alleen moest slapen.

Het was een zeer gelukkig huwelijk en mijn meester was van een

armen ridder plotseling een zeer rijk man geworden. De echtgenooten

spraken den volgenden avond af, dat ze, zonder elkaar te hinderen,

zouden blijven leven als voor hun huwelijk. Toch mag ik dezen lof

niet aan don Manrique onthouden, hij deed n.l. voor zijn vrouw wat

weinig anderen in zijn plaats zouden hebben gedaan; hij liet een

vriendinnetje in den steek waarvan hij hield omdat hij in niets bij

zijn vrouw achter wilde staan wat consideratie betreft. Het voordeel,

dat ik daarbij had, was dat ik na eenigen tijd zijn secretaris werd

op een jaarwedde van vierhonderd kronen.

Op zekeren dag kreeg mijn meester een brief uit Tolédo, waarin hem werd

medegedeeld, dat dona Théodora Muscoso, zijn tante, op haar uiterste

lag. Dadelijk ging hij haar opzoeken en behalve mij nam hij nog een

knecht en een lakei mee. Wij reden op de beste paarden uit zijn stal

en waren spoedig te Tolédo, waar wij de oude dame in beteren toestand

vonden dan wij dachten. Niettegenstaande de uitspraak van den ouden

dokter, die haar behandelde, begon zij in beterschap toe te nemen,

minder misschien door de geneesmiddelen dan door het gezelschap van

haar lieven neef.

Ik zocht mij in die vreemde plaats zoo goed mogelijk te amuseeren. Met

eenige jongelieden, die ik had leeren kennen, bezocht ik feesten en

ook gingen wij wel eens naar plaatsen, waar gespeeld werd. Maar ik

was niet zoo'n handige speler, als don Abel, mijn vorige meester, die

altijd won. Ik daarentegen verloor steeds, maar ik kreeg een zekeren

hartstocht voor het spel en het zou misschien verkeerd met mij en de

kas van mijn meester zijn afgeloopen, wanneer wij niet gered waren

geworden door de liefde. Op een dag zag ik door de vensters van een

groot huis een jong meisje, dat mij meer een godin scheen, dan een

sterveling. Ik zou mij nog van een sterkere uitdrukking bedienen,

indien er een was, om u juist uit te drukken, welk een indruk haar

verschijning op mij maakte. Dadelijk informeerde ik en ik vernam, dat

zij Béatrix heette en kamenier was bij dona Julia, de jongste dochter

van den graaf de Polan. Niet lang daarna bood ik haar mijn hand aan,

maar daar wij met het oog op onze positie, den eersten tijd nog niet

mochten trouwen, besloten wij in stilte te huwen. Dat gebeurde dan

ook in tegenwoordigheid van Lorença Séphora en eenige andere personen

uit het gevolg van den graaf de Polan.

Eenige malen op den dag had ik gelegenheid mijn vrouw te zien en 's

nachts kwamen wij samen in den tuin. Van een kleine deur, waardoor

ik daarin kon komen, had zij mij den sleutel gegeven. Nooit zijn

een paar jonggetrouwden zoo gelukkig geweest, als Béatrix en ik

waren. Maar de jaloezie kwam ons geluk verstoren. Op een nacht werd ik

zeer verschrikt, doordat ik het deurtje open vond. In de duisternis

naderde ik het prieeltje, waarin ik gewoon was, met mijn vrouw te

spreken. Ik hoorde een mannestem zeggen: "Laat mij dus niet langer

verlangen, mijn waarde Béatrix. Maak mijn geluk volkomen. Bedenk, dat

uw fortuin er mee gemoeid is." Inplaats van geduld te hebben en verder

te luisteren, meende ik, dat het niet noodig was, meer te hooren;

een woedende jaloezie maakte zich van mij meester. Ik dorstte slechts

naar wraak en met uitgetrokken degen, trad ik binnen. "Lafaard!" riep

ik. "Wie ge ook zijn moogt, ge zult mij eerst het leven moeten benemen,

voor ge mij van mijn eer kunt berooven."

De vreemdeling trok ook zijn degen en verdedigde zich als iemand,

die al spoedig de wapens beter machtig bleek dan ik--trouwens ik had

slechts eenige schermlessen ontvangen te Cordova.

Maar welk een vechtersbaas hij was, hij kon een stoot van mij niet

afweren, of liever gezegd, hij deed een verkeerden pas; en niets

anders denkende, dan dat ik hem doodelijk had getroffen, snelde ik weg,

zonder Béatrix te antwoorden, die mij met luide stem riep.

Hier werd Scipio in de rede gevallen door zijn vrouw, die zei: "Ja,

ik riep om 't misverstand op te helderen. De heer met wien mijn man

mij hoorde spreken, was don Fernand de Leyva. Deze, die mijn meesteres

Julia liefhad, had het plan gevormd haar te schaken, omdat hij haar

niet op een andere wijze meende te kunnen krijgen. Hij had mij een

onderhoud gevraagd in den tuin om mijn medewerking te vragen waarvan,

naar hij verzekerde, mijn fortuin zou afhangen. Of ik mijn man al

riep, hij was verblind van toorn en verliet mij alsof ik hem ontrouw

was geworden."

Scipio vervolgde hier weer zijn verhaal: "In den toestand, waarin

ik mij bevond, was ik tot alles in staat. Zij, die bij ondervinding

weten, wat de jaloezie is en welke uitwerking ze heeft, zelfs op de

grootste geesten, zullen zich niet verwonderen over de verwarring in

mijn zwakke hersenen. Van het eene uiterste viel ik in het andere. Voor

de teederheid, die ik, een oogenblik tevoren, nog voor mijn vrouw had

gevoeld, was haat in de plaats gekomen. Ik deed een eed, dat ik haar

zou verlaten en uit mijn gedachten verbannen.

Bovendien meende ik een moord te hebben begaan, en om niet in de

handen van de justitie te vallen, vluchtte ik dus uit Tolédo. Niets

anders had ik bij mij dan mijn kleeren en gelukkig had ik in mijn

zak ongeveer honderd pistolen.

Den geheelen dag liep ik door en 's morgens kwam ik in het dorp

Muqueda. Daar vond ik een ezeldrijver, die met vier muilezels naar

Madrid moest. Ik maakte een accoord met hem en besteeg een van

de dieren.

Nauwelijks waren wij buiten het dorp of de ezeldrijver hief een

kerkzang aan. Hoewel hij mij doof schreeuwde, riep ik: "Vooruit maar,

mijn vriend. Indien de hemel u goede longen heeft gegeven, moet ge

niet nalaten daarvan een goed gebruik te maken."

"O, wat dat betreft, dat doe ik goddank altijd. Ik ben niet zooals de

meeste voerlieden, die lichtzinnige en gemeene liedjes zingen. Niet

eens zing ik romances op onze krijgslieden tegen de Mooren, want al

zijn die niet onzedelijk, ze zijn toch ijdel en passen een Christen

niet."

Die reinheid van zeden in een ezeldrijver vond ik tamelijk

zeldzaam. "Maar zeg mij, vriend, hebt ge ook een gelofte van

kuischheid afgelegd voor 't geval ge in logementen komt met jeugdige

dienstboden?" "Natuurlijk," antwoordde hij, "ik denk daaraan niets

anders dan aan de verzorging van mijn muilezels."

Tegen het einde van den dag kwamen wij aan te Illescas. Toen wij in het

logement kwamen, liet ik aan mijn metgezel de zorg voor onze muilezels

over en ik ging zelf de keuken binnen, waar ik den waard last gaf een

goed souper te bereiden, wat hij beloofde zoo uitstekend te doen, dat

ik mij mijn gansche leven zou herinneren bij hem te hebben gelogeerd.

Terwijl de waard het eten klaarmaakte, ging ik naar de eetzaal, waar

ik mij uitstrekte op een ruststoel, die daar stond en daar ik den

vorigen nacht niet geslapen had, viel ik van vermoeienis in slaap. Na

twee uren kwam mijn metgezel mij roepen met de mededeeling dat ons

avondeten gereed was.

Wij gingen aan tafel zitten en men bracht ons hazepeper. Ik vond dien

buitengewoon goed, misschien deed mijn groote eetlust mij zoo gunstig

oordeelen, of mogelijk kwam het wel door de goede bereiding. Daarna

kregen wij een schapenbout en daar de ezeldrijver alleen van het

laatste gerecht zich bediende en het eerste onaangeroerd had gelaten,

vroeg ik de oorzaak daarvan. Glimlachend antwoordde hij mij, dat

hij niet van hazepeper hield. Dat antwoord of liever de glimlach,

waarmee hij het deed vergezeld gaan, kwam mij geheimzinnig voor. "Ge

verbergt mij," zei ik, "de ware redenen, waarom ge niet van dien

hazepeper hebt gegeten. Doe mij genoegen en deel mij die mee." "Omdat

ge zoo benieuwd zijt het te weten," antwoordde hij, "zal ik u zeggen,

dat ik een tegenzin heb in dat soort van eten, sinds ik eens op een

avond tusschen Tolédo en Cuença heb gezien, dat men een gebakken kater

gebruikte om er hazepeper van te maken." Hij had die woorden nog niet

gesproken, of niettegenstaande al mijn honger, was mijn eetlust opeens

verdwenen. Ik stond woedend van tafel op en verwenschte den hazepeper,

den waard en zijn logement.

's Nachts sliep ik beter dan ik verwacht had en den volgenden morgen

gingen we vroeg op weg. Ik was zoo vol van den hazepeper van den

vorigen dag dat ik alle beesten, die ik tegenkwam, voor katers aanzag.

Zoodra ik in Madrid was aangekomen en mijn drijver had betaald,

huurde ik een gemeubileerde kamer. Hoewel ik aan het leven in groote

steden gewoon was, verbaasde mij toch de pracht, die zich hier aan

mij vertoonde. Vooral in de nabijheid van het hof raakte ik niet

uitgekeken.

Het gelukte mij niet spoedig een betrekking te vinden en daar mijn

geld intusschen opraakte, moest ik mij met al mijn verdiensten tevreden

stellen met een betrekking bij iemand, die zich letterkundige noemde,

te Salamanca woonde en voor een familie-aangelegenheid naar Madrid

was gekomen.

Mijn nieuwe patroon heette don Ignacio de Ipigna. Hij noemde zich

"don", omdat hij onderwijzer was geweest van een hertog, die hem uit

dankbaarheid een jaarlijksch pensioen had geschonken. Hij had ook nog

een pensioen als oud-onderwijzer aan een school en bovendien trok

hij ieder jaar van het publiek twee- of driehonderd pistolen door

boeken over moraal, die hij de gewoonte had, te laten drukken. De

wijze waarop hij zijn werken samenstelde, verdient wel vermeld te

worden. De beroemde don Ignacio bracht bijna den geheelen dag door

met het lezen van Hebreeuwsche, Grieksche en Latijnsche schrijvers en

schreef op kleine vierkante papiertjes alle spreuken of schitterende

gedachten, die van zijn gading waren. Die papiertjes werden dan door

mij aan een ijzerdraad geregen, dat den vorm had van een guirlande

en iedere guirlande vormde een deel.

Wat maakten wij een boeken! De persen zuchtten er onder!

Het ergste was echter, dat hij zijn compilaties voor nieuw en

oorspronkelijk werk uitgaf. Wanneer de beoordeelaars hem verweten,

dat hij de ouden plunderde, antwoorde hij met een fier "Furto laetamur

in ipso."

Intusschen profiteerde ik wel bij dien geleerde; het zou ondankbaar

zijn, dat niet te erkennen. Ik begon beter te schrijven, omdat ik

zijn werk moest copieeren. Hij behandelde mij meer als een leerling

dan als een bediende. Hij zorgde niet alleen voor de vorming van

mijn geest, maar ook voor mijn zeden. "Scipio," zei hij, wanneer hij

toevallig hoorde van een of ander schelmstuk, dat door een bediende

was uitgehaald, "pas op, mijn jongen, dat je zulk een voorbeeld niet

volgt. Een knecht moet zijn meester dienen met evenveel trouw als ijver

en deugdzaam worden door het werk, wanneer hij het niet is van natuur."

In één woord, don Ignacio liet geen gelegenheid voorbijgaan, om te

trachten mij te verbeteren en zijn pogingen hadden zulk een goede

uitwerking, dat ik niet den minsten aandrang gevoelde hem beet te

nemen gedurende de vijftien maanden, dat ik bij hem woonde.

Mijn meester had een familielid in Madrid genaamd Catalina, die in

betrekking was bij de min van den prins en van wier tusschenkomst ik

mij indertijd ook heb bediend om de bevrijding van den heer Gil Blas

uit den toren van Ségovië te bewerken. Deze Catalina nu wist door

hare meesteres gedaan te krijgen, dat don Ignacio benoemd werd tot

het aartsdekenaat te Granada. Zoodra wij de tijding kregen, vertrokken

wij naar Madrid omdat mijn meester zijn weldoener wilde bedanken. Ik

had gelegenheid om Catalina te zien en te spreken en--vergeef mij

waarde Béatrix, want ik meende toen, dat ge mij ontrouw waart--wij

werden op elkaar verliefd.

Na eenigen tijd maakte mijn meester aanstalten om naar Granada te gaan,

maar Catalina en ik zagen tegen een scheiding op en dus zonnen wij op

een middel om die te voorkomen. Ik deed alsof ik ziek was, ik klaagde

over mijn hoofd, over mijn borst, over alle mogelijke kwalen. Don

Ignacio liet een dokter komen, waar ik zeer tegen opzag, omdat ik

vreesde, dat die man wel dadelijk zou ontdekken, dat ik volstrekt niet

ziek was. Maar gelukkig voor mij en alsof wij het eens waren, zei hij

na mij goed te hebben opgenomen, dat mijn ziekte ernstiger was dan

men dacht en dat ik langen tijd mijn kamer zou moeten houden. Mijn

meester, die begeerig was om naar zijn nieuwe woonplaats te gaan,

kon om mij zijn vertrek niet uitstellen, hij gaf er de voorkeur aan

een anderen jongen in zijn dienst te nemen. Hij vertrouwde mij toe

aan de zorg van een verpleegster aan wie hij een som gelds gaf om mij

te laten begraven wanneer ik stierf, of om mijn diensten te beloonen

voor het geval, dat ik van mijn ziekte genas.

Zoodra ik wist, dat don Ignacio naar Granada was, genas ik dadelijk

van al mijn kwalen. Ik stond op, stuurde mijn dokter weg, die zooveel

scherpzinnigheid bezat en ontdeed mij van mijn verpleegster, die

mij meer dan de helft had ontstolen van het geld, dat ze voor mij

had gekregen.

Intusschen had Catalina hare meesteres Anna de Guevara verteld,

dat ik bewonderenswaardig geschikt was voor allerlei intriges. Deze

dame had zulke personen noodig voor hare winstgevende ondernemingen

en zij nam mij onder haar personeel op. Zij gaf mij verschillende

opdrachten, die een weinig handigheid vereischten en ik mag zeggen,

dat ik mij daarvan niet slecht kweet. Zij was spoedig zoo tevreden

over mij als ik onvoldaan was over haar. De dame was zoo gierig,

dat ik niet het minste profijt trok van wat ze door mijn werk ontving.

Ik had dan ook al spoedig lust om weg te gaan, maar werd daarvan

teruggehouden door Catalina, die met den dag verliefder op mij werd

en mij eindelijk formeel voorstelde haar te trouwen.

"Aanbiddelijke schoone," zei ik, "dat gaat zoo niet; ik moet eerst

den dood vernemen van een jeugdige persoon, die u voor is geweest en

van wie ik de echtgenoot ben geworden."

"Maak dat anderen wijs!" riep ze. "Je wilt me vertellen, dat je

getrouwd bent. Waarom? Alleen omdat je er een tegenzin in hebt om

mij tot vrouw te nemen."

Tevergeefs trachtte ik haar ervan te overtuigen, dat ik de waarheid

sprak. Ze gevoelde zich beleedigd en veranderde ten opzichte van mij.

Onder die omstandigheden vernam ik, dat er een lakei noodig was bij

den heer Gil Blas de Santillano, secretaris van den eersten minister

en die betrekking stond mij zeer aan. Men zei mij, dat de heer de

Santillano iemand was van groote verdiensten, zeer in de gunst bij

den hertog de Lerme en bovendien edelmoedig. Ik liet deze gelegenheid

niet ongebruikt voorbijgaan en ging mij presenteeren bij den heer

Gil Blas, die mij op mijn gezicht aannam en die, de hemel geve het,

mijn laatste meester zal zijn."

Hier eindigde Scipio en richtte zich daarna uitsluitend tot mij:

"Mijnheer de Santillano, doe mij het genoegen voor de dames te

getuigen, dat ge mij steeds hebt gekend als een even ijverigen,

als trouwen dienaar. Ik heb behoefte aan uw getuigenis, om haar te

overtuigen, dat de zoon van Coscolina zijn zeden heeft gebeterd en

zijn slechte neigingen bedwongen."

"Ja dames," zei ik toen, "daar kan ik u voor instaan. Indien Scipio

in zijn jeugd een deugniet is geweest, hij heeft zich sedert dien

tijd zoo veranderd, dat hij het model is geworden van een volmaakten

bediende. Wel verre van hem iets te kunnen verwijten in zijn gedrag

tegenover mij, moet ik eerder bekennen, dat ik groote verplichtingen

aan hem heb. In den nacht, dat men mij oplichtte en naar den toren

van Ségovië bracht, redde hij uit de plundering een gedeelte van

mijn geld en bracht dat in veiligheid. Hij had het zich ongestraft

kunnen toeëigenen. Hij bepaalde er zich niet toe, om voor mijn geld

te zorgen; alleen uit vriendschap voor mij, liet hij zich met mij in

de gevangenis opsluiten. Boven de begeerlijkheden der vrijheid gaf

hij er de voorkeur aan met mij mijn verdriet te deelen."

De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 2 van 2 De Spaansche Avonturier · 第 65 / 98 题