HOOFDSTUK IX

Bruiloft van Gil Blas en de schoone Antonia. Op welke wijze die gevierd

werd; welke personen erbij tegenwoordig waren en welke genoegens er

op volgden.

Hoewel ik de toestemming van de heeren de Leyva niet noodig had om te

trouwen, meenden Scipio en ik toch, dat het niet meer dan mijn plicht

was, die te vragen. Den volgenden dag vertrok ik dus naar Valencia,

waar men even verrast was mij te zien, als te vernemen, wat het doel

was van mijn reis. Don César en don Alphonse, die Antonia kenden,

doordat ze haar meermalen hadden gezien, wenschten mij hartelijk

geluk. De eerste vooral maakte mij met zulk een levendigheid zijn

compliment, dat indien hij niet een heer geweest was op een leeftijd,

waarop men van zekere genoegens terugkomt, ik hem er van verdacht

zou hebben soms meer naar Lirias te zijn gegaan om het boerinnetje,

dan om het kasteel. Séraphine van haar kant zeide, dat zij altijd

zeer gunstig over Antonia had hooren spreken. "Maar," voegde ze er

ondeugend aan toe, alsof ze mij mijn onverschilligheid voor Séphora's

liefde verweet, "ook al had ik haar schoonheid niet hooren roemen,

zou ik op dat punt wel gerust zijn, daar ik uw kieskeurigheid ken."

De beide heeren stemden niet alleen in mijn huwelijk toe, ze wilden

ook alle kosten daarvan voor hunne rekening nemen.

"Ga nu naar Lirias terug," zeiden ze, "en blijf er rustig, tot ge van

ons hoort. Maak geen toebereidselen voor uw bruiloft; dat is een zorg,

waarmee wij ons zullen belasten."

Ik keerde terug, gaf Basilo en zijn dochter kennis van de plannen

van mijn beschermers en wij wachtten acht dagen op hetgeen er zou

gebeuren. Den negenden dag kwam er een groote wagen, bespannen met

vier muilezels, waarin kleermakers waren, die de schoonste zijden

stoffen brachten, om de bruid te kleeden. Verschillende bedienden

kwamen mee en een hunner gaf mij een brief van don Alphonse, waarin

hij mij meedeelde, dat hij den volgenden dag zelf zou komen met zijn

vader en zijn vrouw en dat een dag daarna ons huwelijk zou worden

voltrokken door den groot-vicaris van Valencia.

Na de aankomst van het voorname gezelschap betuigde ook Séraphine

mij haar ingenomenheid met mijn keuze.

Toen wij in de kleine kerk van het gehucht in het huwelijk zouden

worden verbonden, geleidde don Alphonse mij naar het altaar en

Séraphine bewees diezelfde eer aan mijn bruid. Alle inwoners van Lirias

waren daarbij tegenwoordig en ook de rijke boeren uit naburige dorpen,

die door Basilo waren uitgenoodigd. Hun dochters hadden zich getooid

met bloemen en linten en hielden tamboerijnen in haar handen.

Na deze plechtigheid keerden wij naar het kasteel terug, waar drie

tafels gereed stonden, een voor de heeren en dames, de tweede voor

de personen uit hun gevolg en de derde, die de grootste was, voor de

andere gasten. Scipio wilde aan geen van die tafels aanzitten, hij

liep van de eene naar de andere, om toe te zien dat alles goed ging.

Daar de maaltijd bereid was door koks van den gouverneur, behoeft

niet te worden gezegd, dat er niets aan ontbrak. De goede wijnen, die

meester Joachim voor mij had ingeslagen, werden flink toegesproken

en er heerschte een vroolijke stemming, toen plotseling een ongeval

de vreugde kwam verstoren.

Mijn secretaris had een flauwte gekregen in een van de zalen en toen

ik toesnelde om hem te helpen, merkte ik, dat ook een van de vrouwen

van Séraphine in zwijm was gevallen. Het geheele gezelschap onderstelde

natuurlijk, dat dit geen toeval kon zijn, maar dat er een geheim in het

spel was en dat bleek ook reeds spoedig, want, nadat Scipio weder tot

zichzelf was gekomen, zei hij zacht: "Moet nu de schoonste dag van uw

leven de onaangenaamste van het mijne zijn? Maar men kan zijn noodlot

niet ontgaan. Ik heb in een van die kameniers mijn vrouw herkend!"

"Wat!" riep ik, "ben je de man van de dame, die ook flauw gevallen is?"

"Ja mijnheer, ik ben haar man en er kan mij geen grooter ongeluk

overkomen dan haar te zien!"

"Ik weet niet, wat er gebeurd is, maar doe ter wille van mij jezelf

geweld aan en verstoor op dit oogenblik de feestvreugde niet."

"U zult tevreden over mij zijn," zei Scipio mij.

Wij gingen daarop naar zijn vrouw, die weder was bijgebracht en hij

zei, "Mijn lieve Béatrix, de hemel vereenigt ons eindelijk weer,

na tien jaar gescheiden te zijn geweest; welk een gelukkig oogenblik

voor mij."

"Ik weet niet," zei zijn vrouw, "of het je wel zooveel genoegen doet

mij weer te zien; wel ben ik ervan overtuigd, dat ik je nooit reden

heb gegeven, om mij te verlaten. Toen je in dien nacht don Fernand

de Leyva bij ons vond, die verliefd was op mijn meesteres Julie,

dacht je, dat hij daar om mij was gekomen. En in je dolle jaloesie

verliet je mij, vertrok uit Tolédo, ontvluchtte mij als een monster,

zonder ook zelfs maar eenige opheldering te vragen. Wie van ons beiden

heeft het meeste recht om zich te beklagen?"

"Dat heb jij, ontegenzeggelijk," antwoordde Scipio.

"Dat denk ik ook," stemde zij toe. "Don Fernand trouwde korten tijd

later Julie en ik bleef bij haar tot ze helaas door een vroegen dood

werd weggenomen. Toen ging ik over in dienst van mevrouw haar zuster

en deze zal je kunnen verklaren, dat mijn gedrag steeds onberispelijk

is geweest."

Mijn secretaris vroeg haar, nadat hij nogmaals zijn schuld had

bekend, om vergiffenis en ook ik verzocht Béatrix om het verledene

te vergeten. Ze beloofde dat en het geheele gezelschap juichte de

hereeniging van het echtpaar toe, die gevierd werd door hen naast

elkaar aan tafel te plaatsen en op hunne gezondheid te drinken.

Later op den avond liet Séraphine hen roepen en zei: "Het doet mij

veel genoegen, dat ge elkaar hebt teruggevonden. U, Scipio, kan ik

verzekeren, dat uw vrouw steeds van onbesproken gedrag is geweest en

gij Béatrix, hecht u even trouw aan Antonia als uw man dat deed aan

den heer de Santillano."

Scipio, die na dat alles zijn vrouw niet anders kon beschouwen dan als

een tweede Penelope, beloofde alle mogelijke zorg voor haar te hebben.

Lustig werd er den ganschen avond gedanst. Er was nog een prachtig

souper, de groot-vicaris zegende het echtelijk bed, Séraphine

ontkleedde mijn vrouw en de heeren de Leyva bewezen mij die eer.

Vermakelijk was het, dat de personen uit het gevolg van don Alphonse

en zijn vrouw dezelfde ceremonie wilden verrichten bij Scipio en

Béatrix. Rustig lieten zij zich ontkleeden en te bed leggen.

De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 2 van 2 De Spaansche Avonturier · 第 62 / 98 题