Bruiloft van Gil Blas en de schoone Antonia. Op welke wijze die gevierd
werd; welke personen erbij tegenwoordig waren en welke genoegens er
op volgden.
Hoewel ik de toestemming van de heeren de Leyva niet noodig had om te
trouwen, meenden Scipio en ik toch, dat het niet meer dan mijn plicht
was, die te vragen. Den volgenden dag vertrok ik dus naar Valencia,
waar men even verrast was mij te zien, als te vernemen, wat het doel
was van mijn reis. Don César en don Alphonse, die Antonia kenden,
doordat ze haar meermalen hadden gezien, wenschten mij hartelijk
geluk. De eerste vooral maakte mij met zulk een levendigheid zijn
compliment, dat indien hij niet een heer geweest was op een leeftijd,
waarop men van zekere genoegens terugkomt, ik hem er van verdacht
zou hebben soms meer naar Lirias te zijn gegaan om het boerinnetje,
dan om het kasteel. Séraphine van haar kant zeide, dat zij altijd
zeer gunstig over Antonia had hooren spreken. "Maar," voegde ze er
ondeugend aan toe, alsof ze mij mijn onverschilligheid voor Séphora's
liefde verweet, "ook al had ik haar schoonheid niet hooren roemen,
zou ik op dat punt wel gerust zijn, daar ik uw kieskeurigheid ken."
De beide heeren stemden niet alleen in mijn huwelijk toe, ze wilden
ook alle kosten daarvan voor hunne rekening nemen.
"Ga nu naar Lirias terug," zeiden ze, "en blijf er rustig, tot ge van
ons hoort. Maak geen toebereidselen voor uw bruiloft; dat is een zorg,
waarmee wij ons zullen belasten."
Ik keerde terug, gaf Basilo en zijn dochter kennis van de plannen
van mijn beschermers en wij wachtten acht dagen op hetgeen er zou
gebeuren. Den negenden dag kwam er een groote wagen, bespannen met
vier muilezels, waarin kleermakers waren, die de schoonste zijden
stoffen brachten, om de bruid te kleeden. Verschillende bedienden
kwamen mee en een hunner gaf mij een brief van don Alphonse, waarin
hij mij meedeelde, dat hij den volgenden dag zelf zou komen met zijn
vader en zijn vrouw en dat een dag daarna ons huwelijk zou worden
voltrokken door den groot-vicaris van Valencia.
Na de aankomst van het voorname gezelschap betuigde ook Séraphine
mij haar ingenomenheid met mijn keuze.
Toen wij in de kleine kerk van het gehucht in het huwelijk zouden
worden verbonden, geleidde don Alphonse mij naar het altaar en
Séraphine bewees diezelfde eer aan mijn bruid. Alle inwoners van Lirias
waren daarbij tegenwoordig en ook de rijke boeren uit naburige dorpen,
die door Basilo waren uitgenoodigd. Hun dochters hadden zich getooid
met bloemen en linten en hielden tamboerijnen in haar handen.
Na deze plechtigheid keerden wij naar het kasteel terug, waar drie
tafels gereed stonden, een voor de heeren en dames, de tweede voor
de personen uit hun gevolg en de derde, die de grootste was, voor de
andere gasten. Scipio wilde aan geen van die tafels aanzitten, hij
liep van de eene naar de andere, om toe te zien dat alles goed ging.
Daar de maaltijd bereid was door koks van den gouverneur, behoeft
niet te worden gezegd, dat er niets aan ontbrak. De goede wijnen, die
meester Joachim voor mij had ingeslagen, werden flink toegesproken
en er heerschte een vroolijke stemming, toen plotseling een ongeval
de vreugde kwam verstoren.
Mijn secretaris had een flauwte gekregen in een van de zalen en toen
ik toesnelde om hem te helpen, merkte ik, dat ook een van de vrouwen
van Séraphine in zwijm was gevallen. Het geheele gezelschap onderstelde
natuurlijk, dat dit geen toeval kon zijn, maar dat er een geheim in het
spel was en dat bleek ook reeds spoedig, want, nadat Scipio weder tot
zichzelf was gekomen, zei hij zacht: "Moet nu de schoonste dag van uw
leven de onaangenaamste van het mijne zijn? Maar men kan zijn noodlot
niet ontgaan. Ik heb in een van die kameniers mijn vrouw herkend!"
"Wat!" riep ik, "ben je de man van de dame, die ook flauw gevallen is?"
"Ja mijnheer, ik ben haar man en er kan mij geen grooter ongeluk
overkomen dan haar te zien!"
"Ik weet niet, wat er gebeurd is, maar doe ter wille van mij jezelf
geweld aan en verstoor op dit oogenblik de feestvreugde niet."
"U zult tevreden over mij zijn," zei Scipio mij.
Wij gingen daarop naar zijn vrouw, die weder was bijgebracht en hij
zei, "Mijn lieve Béatrix, de hemel vereenigt ons eindelijk weer,
na tien jaar gescheiden te zijn geweest; welk een gelukkig oogenblik
voor mij."
"Ik weet niet," zei zijn vrouw, "of het je wel zooveel genoegen doet
mij weer te zien; wel ben ik ervan overtuigd, dat ik je nooit reden
heb gegeven, om mij te verlaten. Toen je in dien nacht don Fernand
de Leyva bij ons vond, die verliefd was op mijn meesteres Julie,
dacht je, dat hij daar om mij was gekomen. En in je dolle jaloesie
verliet je mij, vertrok uit Tolédo, ontvluchtte mij als een monster,
zonder ook zelfs maar eenige opheldering te vragen. Wie van ons beiden
heeft het meeste recht om zich te beklagen?"
"Dat heb jij, ontegenzeggelijk," antwoordde Scipio.
"Dat denk ik ook," stemde zij toe. "Don Fernand trouwde korten tijd
later Julie en ik bleef bij haar tot ze helaas door een vroegen dood
werd weggenomen. Toen ging ik over in dienst van mevrouw haar zuster
en deze zal je kunnen verklaren, dat mijn gedrag steeds onberispelijk
is geweest."
Mijn secretaris vroeg haar, nadat hij nogmaals zijn schuld had
bekend, om vergiffenis en ook ik verzocht Béatrix om het verledene
te vergeten. Ze beloofde dat en het geheele gezelschap juichte de
hereeniging van het echtpaar toe, die gevierd werd door hen naast
elkaar aan tafel te plaatsen en op hunne gezondheid te drinken.
Later op den avond liet Séraphine hen roepen en zei: "Het doet mij
veel genoegen, dat ge elkaar hebt teruggevonden. U, Scipio, kan ik
verzekeren, dat uw vrouw steeds van onbesproken gedrag is geweest en
gij Béatrix, hecht u even trouw aan Antonia als uw man dat deed aan
den heer de Santillano."
Scipio, die na dat alles zijn vrouw niet anders kon beschouwen dan als
een tweede Penelope, beloofde alle mogelijke zorg voor haar te hebben.
Lustig werd er den ganschen avond gedanst. Er was nog een prachtig
souper, de groot-vicaris zegende het echtelijk bed, Séraphine
ontkleedde mijn vrouw en de heeren de Leyva bewezen mij die eer.
Vermakelijk was het, dat de personen uit het gevolg van don Alphonse
en zijn vrouw dezelfde ceremonie wilden verrichten bij Scipio en
Béatrix. Rustig lieten zij zich ontkleeden en te bed leggen.