Gil Blas keert naar zijn kasteel te Lirias terug. Van de aangename
mededeeling, welke Scipio hem deed en van de verandering in het
dienstpersoneel.
Acht dagen bracht ik te Valencia in de groote wereld door, levende
als een graaf of een markies. Toen werd het weer tijd, om naar Lirias
terug te gaan; maar don Alphonse drong er op aan, dat ik den winter
in Valencia zou komen doorbrengen, wat ik beloofde.
Scipio was zeer verheugd mij weer te zien. Ik vroeg hem, waarmee
hij zich dien tijd had beziggehouden. Hij antwoordde mij: "Ik heb
gewandeld, ik heb gejaagd en gevischt en wat mij het meeste voldaan
heeft, ik heb verschillende goede boeken gelezen." Ik vroeg hem,
hoe hij aan die boeken was gekomen. "Ik heb ze gevonden in een mooie
bibliotheek, die in het kasteel is," antwoordde hij. "Meester Joachim
heeft me die gewezen."
"Maar waar kan die dan zijn? Wij hebben op den dag van onze aankomst
toch het geheele kasteel doorloopen!"
"Jawel, maar wij hebben slechts drie van de paviljoentjes bezocht en
er zijn er vier, en het laatste was de bibliotheek, wanneer don César
hier was. Er zijn zeer goede boeken in; we hebben nu een uitstekend
middel tegen verveling, als de tuin zijn bloemen en het bosch zijn
bladeren zal hebben verloren. De heeren de Leyva hebben hun werk niet
ten halve gedaan. Ze hebben zoowel aan het voedsel voor den geest,
als aan dat voor het lichaam gedacht."
Die mededeeling deed mij groot genoegen. Ik ging dadelijk dat paviljoen
zien, en vond er tal van werken op allerlei gebied: Wijsgeeren,
dichters, geschiedschrijvers, en een groot aantal ridderromans. Don
César moest stellig van deze laatste soort lectuur veel gehouden
hebben, en ik beken tot mijn schande dat ook ik er niet afkeerig van
was, ondanks alle buitensporigheden, die er in voorkomen. Misschien
keek ik niet zoo nauw of kwam het omdat Spanjaarden nu eenmaal dol
zijn op fantasieën.
"Mijn vriend," zei ik tot Scipio, "deze boeken kunnen ons veel
aangename uren verschaffen, maar voor we daaraan kunnen denken,
hebben wij iets anders te doen. Wij moeten verandering brengen in
ons personeel."
"Om u die moeite te besparen," antwoordde Scipio, "heb ik tijdens
uwe afwezigheid het personeel bestudeerd en ik durf u verzekeren,
dat ik die lieden nu ken! Laten wij beginnen bij meester Joachim;
ik ben ervan overtuigd, dat hij een schelm is, en dat hij bij den
aartsbisschop is weggejaagd om fouten, die hij in zijn rekensommen
maakte. Maar er zijn twee redenen om hem te behouden: de eerste is,
dat hij een goede kok is en de tweede, dat ik hem steeds in het oog
zal houden. Ik zal wel zoo op hem toezien, dat het hem niet mogelijk
zal zijn ons te foppen. Gisteren zei ik hem, dat het uw plan was,
om driekwart van het personeel weg te zenden. Daar zat hij erg over
in. Hij zei me, dat hij wel in uw dienst wilde blijven voor de helft
van het salaris, dat hij nu heeft en daaruit leid ik af, dat hij hier
ergens een meisje heeft. Wat den bijkok aangaat, die drinkt te veel
en de portier is brutaal; hen kunnen wij dus missen. Bij de lakeien
is er één goede jongen, de rest deugt niet. Dus zou ik u in overweging
geven hen ook te ontslaan."
Na nog eenige besprekingen besloten wij te doen, wat Scipio raadde
en met behulp van eenige goudstukken, die als troost moesten dienen,
werd reeds den volgenden dag het plan uitgevoerd. Het werk werd nu
behoorlijk geregeld. Wat mij betreft, ik zou mij gaarne met eenvoudige
maaltijden hebben tevreden gesteld, maar mijn secretaris, die veel
van ragouts en andere fijne schotels hield, was er de man niet naar,
om de kennis van onzen kok ongebruikt te laten.