HOOFDSTUK VII

Gil Blas keert naar zijn kasteel te Lirias terug. Van de aangename

mededeeling, welke Scipio hem deed en van de verandering in het

dienstpersoneel.

Acht dagen bracht ik te Valencia in de groote wereld door, levende

als een graaf of een markies. Toen werd het weer tijd, om naar Lirias

terug te gaan; maar don Alphonse drong er op aan, dat ik den winter

in Valencia zou komen doorbrengen, wat ik beloofde.

Scipio was zeer verheugd mij weer te zien. Ik vroeg hem, waarmee

hij zich dien tijd had beziggehouden. Hij antwoordde mij: "Ik heb

gewandeld, ik heb gejaagd en gevischt en wat mij het meeste voldaan

heeft, ik heb verschillende goede boeken gelezen." Ik vroeg hem,

hoe hij aan die boeken was gekomen. "Ik heb ze gevonden in een mooie

bibliotheek, die in het kasteel is," antwoordde hij. "Meester Joachim

heeft me die gewezen."

"Maar waar kan die dan zijn? Wij hebben op den dag van onze aankomst

toch het geheele kasteel doorloopen!"

"Jawel, maar wij hebben slechts drie van de paviljoentjes bezocht en

er zijn er vier, en het laatste was de bibliotheek, wanneer don César

hier was. Er zijn zeer goede boeken in; we hebben nu een uitstekend

middel tegen verveling, als de tuin zijn bloemen en het bosch zijn

bladeren zal hebben verloren. De heeren de Leyva hebben hun werk niet

ten halve gedaan. Ze hebben zoowel aan het voedsel voor den geest,

als aan dat voor het lichaam gedacht."

Die mededeeling deed mij groot genoegen. Ik ging dadelijk dat paviljoen

zien, en vond er tal van werken op allerlei gebied: Wijsgeeren,

dichters, geschiedschrijvers, en een groot aantal ridderromans. Don

César moest stellig van deze laatste soort lectuur veel gehouden

hebben, en ik beken tot mijn schande dat ook ik er niet afkeerig van

was, ondanks alle buitensporigheden, die er in voorkomen. Misschien

keek ik niet zoo nauw of kwam het omdat Spanjaarden nu eenmaal dol

zijn op fantasieën.

"Mijn vriend," zei ik tot Scipio, "deze boeken kunnen ons veel

aangename uren verschaffen, maar voor we daaraan kunnen denken,

hebben wij iets anders te doen. Wij moeten verandering brengen in

ons personeel."

"Om u die moeite te besparen," antwoordde Scipio, "heb ik tijdens

uwe afwezigheid het personeel bestudeerd en ik durf u verzekeren,

dat ik die lieden nu ken! Laten wij beginnen bij meester Joachim;

ik ben ervan overtuigd, dat hij een schelm is, en dat hij bij den

aartsbisschop is weggejaagd om fouten, die hij in zijn rekensommen

maakte. Maar er zijn twee redenen om hem te behouden: de eerste is,

dat hij een goede kok is en de tweede, dat ik hem steeds in het oog

zal houden. Ik zal wel zoo op hem toezien, dat het hem niet mogelijk

zal zijn ons te foppen. Gisteren zei ik hem, dat het uw plan was,

om driekwart van het personeel weg te zenden. Daar zat hij erg over

in. Hij zei me, dat hij wel in uw dienst wilde blijven voor de helft

van het salaris, dat hij nu heeft en daaruit leid ik af, dat hij hier

ergens een meisje heeft. Wat den bijkok aangaat, die drinkt te veel

en de portier is brutaal; hen kunnen wij dus missen. Bij de lakeien

is er één goede jongen, de rest deugt niet. Dus zou ik u in overweging

geven hen ook te ontslaan."

Na nog eenige besprekingen besloten wij te doen, wat Scipio raadde

en met behulp van eenige goudstukken, die als troost moesten dienen,

werd reeds den volgenden dag het plan uitgevoerd. Het werk werd nu

behoorlijk geregeld. Wat mij betreft, ik zou mij gaarne met eenvoudige

maaltijden hebben tevreden gesteld, maar mijn secretaris, die veel

van ragouts en andere fijne schotels hield, was er de man niet naar,

om de kennis van onzen kok ongebruikt te laten.

De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 2 van 2 De Spaansche Avonturier · 第 60 / 98 题