HOOFDSTUK VI

Gil Blas ontmoet, wandelende in de straten van Valencia, een monnik,

dien hij meent te herkennen; welke man die monnik was.

Daar ik den vorigen dag de geheele stad nog niet had kunnen zien,

ging ik den volgenden morgen weer uit om te wandelen. Ik merkte in de

straat een Karthuizer monnik, die met neergeslagen oogen liep en zulk

een vroom uiterlijk had, dat hij de blikken van alle voorbijgangers

trok. Hij ging dicht langs mij heen en ik meende in hem don Raphaël

te zien, dien avonturier, die in de twee eerste deelen van mijn werk

een zoo groote rol speelt.

Ik was zoo verwonderd over die ontmoeting, dat ik, inplaats van den

monnik aan te houden, eenige oogenblikken onbewegelijk bleef staan,

wat hem gelegenheid gaf zich van mij te verwijderen. "Hemel!" zei

ik bij mijzelf. "Heeft men wel ooit twee gezichten gezien, die zoo

op elkaar gelijken? Wat moet ik daarvan denken? Moet ik gelooven,

dat het don Raphaël was? Of was het verbeelding?"

Ik was te nieuwsgierig naar de waarheid om het daarbij te laten. Ik

liet mij dus aanwijzen, waar het klooster van de Karthuizer-monniken

was en ging daar dadelijk heen, in de hoop mijn man weer te zien,

wanneer hij er zou terugkeeren en besloot, hem aan te houden om hem te

spreken. Ik behoefde niet lang te wachten om op de hoogte te worden

gesteld; bij den ingang van het klooster deed een ander gezicht mijn

twijfel in zekerheid overgaan; ik herkende in den broeder portier

Ambrosius de Lamela, mijn ouden knecht. Men kan zich voorstellen,

hoe groot mijn verwondering was.

"Is het geen verbeelding? Is het werkelijk een van mijn vrienden,

die ik zie?" vroeg ik.

Hij herkende mij eerst niet, of liever hij veinsde mij niet te

herkennen, wat waarschijnlijker was. Maar bemerkende, dat dit toch

nutteloos was, nam hij plotseling het gezicht aan van iemand, die

zich plotseling iets herinnert. "Ah! mijnheer Gil Blas," riep hij,

"neem mij niet kwalijk, dat ik u niet dadelijk herkende. Sedert ik

in deze heilige plaats leef en de plichten vervul, door onze regels

voorgeschreven, verloor ik het geheugen voor hetgeen ik in de wereld

heb gezien."

"Het doet mij een groot genoegen," zei ik, "u na tien jaar in zulk

een eerwaardig kleed weer te zien."

"En ik," antwoordde hij, "ik schaam mij daarin gekleed te verschijnen

voor een man, die getuige is geweest van het schuldige leven, dat

ik heb geleid. Dit kleed verwijt mij dat zonder ophouden. Helaas! om

waardig te zijn het te dragen, had ik altijd in onschuld moeten leven."

"Het doet mij genoegen," herhaalde ik, "u te zien en ik brand van

verlangen om te vernemen op welke wonderbaarlijke wijze gij zoo op

den goeden weg zijt gekomen, gij en don Raphaël, want ik ben er van

overtuigd, dat hij het is geweest, dien ik in de stad heb ontmoet,

gekleed als Karthuizer monnik. Het spijt mij, dat ik hem op straat

niet heb aangehouden om met hem te spreken en ik ben hier gekomen om

hem op te wachten en mijn fout te herstellen."

"Ge hebt u niet vergist," zei Lamela, "'t is don Raphaël zelf,

die ge gezien hebt en wat onze geschiedenis betreft, ik zal u die

mededeelen. Nadat wij bij Ségorbo van u gescheiden waren, sloegen

don Raphaël en ik den weg in naar Valencia, met het doel er eenige

beroepsbezigheden te verrichten. Het toeval wilde op zekeren dag, dat

wij de Karthuizerkerk binnentraden, op het oogenblik, dat de monniken

hunne vrome liederen zongen. Wij aanschouwden hen en gevoelden, dat

de kwaden niet anders kunnen doen dan de deugd eeren. Wij bewonderden

in die mannen den ijver, waarmee ze tot God baden en de rust, die op

hun gelaat was te lezen.

"Zoo vervielen wij in een gepeins, dat ons heilzaam werd; wij

vergeleken ons zelf met deze vrome broeders en onze ziel werd met

angst en onrust vervuld. Gevoelens, die ons tot nog toe onbekend

geweest waren, bewogen ons en wij gevoelden misschien voor de eerste

maal in ons leven berouw over ons gedrag. Don Raphaël zei tot mij:

"Waarde Ambrosius, wij zijn twee verdwaalde schapen, die de Vader uit

erbarmen wil opnemen. Hij roept ons. Laten wij niet doof zijn voor die

stem. Laten wij den weg verlaten, die wij tot nu toe hebben bewandeld

en van nu af ernstig gaan werken voor het heil van onze ziel. De

rest van onze dagen moesten wij in dit klooster in boetedoening

doorbrengen."

Ik juichte het plan van Raphaël toe en wij besloten Karthuizers te

worden. Om dat plan te volvoeren, gingen wij naar den prior, die ons

een cel gaf en een jaar lang volgden wij zoo trouw en standvastig

de voorschriften, dat wij onder de novices werden opgenomen. Later

werden wij monnik en don Raphaël, die begaafd is met een buitengewoon

talent voor zaken, werd aangewezen tot hulp van een ouden vader, die

toen administrateur was. Hij kweet zich zoo uitnemend van die taak,

dat hij, hoewel hij zijn tijd liever uitsluitend aan gebeden zou

hebben gewijd, dien ouden vader opvolgde toen deze stierf. Dat ambt

oefent don Raphaël nu uit en het is merkwaardig, dat hij bij alle

zorg voor het verbeteren van onze inkomsten slechts vervuld schijnt

van de eeuwigheid. Laten zijn werkzaamheden hem een oogenblik wat

rust dan verdiept hij zich in het gebed."

Hier viel ik Lamela met een uitroep van vreugde in de rede, want ik

zag don Raphaël naderen. Wij begroetten elkaar hartelijk en zonder

in het minst iets van verwondering te laten blijken, zei hij: "God

zegene u, mijnheer de Santillano, wat voert u naar Valencia?"

"Werkelijk, mijn beste Raphaël, ik verheug mij in uw voorspoed. Broeder

Ambrosius heeft mij de geschiedenis van uwe bekeering verteld en

dat verhaal deed mij veel pleizier. Welk een voorrecht voor u beide,

tot deze kleine schare van uitverkorenen te behooren, die een eeuwige

gelukzaligheid zullen genieten!"

Ik vertelde hun daarna mijn geschiedenis. Toen ik ook meedeelde, dat

don Alphonse de Leyva mij met drieduizend ducaten naar Samuel Simon

had gezonden, viel Lamela mij in de rede door tot Raphaël te zeggen:

"Die koopman heeft zich dus niet te beklagen. Hij heeft zijn geld

met woeker teruggekregen en in dat opzicht kunnen wij ons geweten

dus onbezwaard achten."

"Voor wij in het klooster gingen," zei don Raphaël, "hebben Ambrosius

en ik hem in het geheim door tusschenkomst van een geestelijke

vijftienhonderd ducaten doen toekomen. Zooveel te erger voor Samuel

Simon, indien hij die som heeft aangenomen, na haar reeds in haar

geheel te hebben ontvangen van den heer de Santillano."

"Maar," vroeg ik, "is het wel zeker, dat het geld van u hem in handen

is gekomen?"

"Daarvoor kunnen wij u borg staan. Ze zijn hem gebracht door een

priester die gewoon is zulke opdrachten te vervullen en die zelfs

al over dergelijke hem toevertrouwde sommen twee of drie processen

heeft gevoerd en gewonnen." "Als dat zoo is," hernam ik, "is er geen

twijfel mogelijk, of het geld is hem trouw afgedragen."

Ons gesprek duurde nog eenigen tijd en wij scheidden nadat ze mij

nog hadden aangemaand om steeds de vreeze Gods voor oogen te houden

en ik hun had verzocht mij in hunne gebeden te willen gedenken.

Dadelijk hierna ging ik naar don Alphonse en zei: "Ge kunt nooit

raden met wie ik zooeven een lang onderhoud heb gehad. Zooeven heb

ik twee Karthuizer monniken gesproken, die hier in het klooster zijn,

goede kennissen van u."

"Ik ken hier geen Karthuizers," zei don Alphonse.

"Toch wel," hield ik vol. "Ge hebt hen vroeger ontmoet, toen zij

commissaris en griffier waren van de heilige inquisitie!"

"Is het mogelijk? Zijn Raphaël en Lamela monnik geworden?"

"Ja, al sinds eenige jaren en ze hebben beiden een ambt. De een is

administrateur en de andere portier. De eerste is dus meester van de

kas en de tweede van de deur."

Don Alphonse dacht eenige oogenblikken na en zei: "'t Is best mogelijk,

dat mijnheer de commissaris en mijnheer de griffier weer een nieuwe

comedie spelen!"

"Dat kan zijn," antwoordde ik hem, "maar wat mij betreft, hoewel

men iemand niet in het hart kan zien, oordeel ik toch gunstiger over

hen. Naar het schijnt, hebben de schelmen zich werkelijk bekeerd."

"Het gebeurt wel meer, dat zulke vagebonden later in een klooster

terechtkomen," zei don Alphonse, "en dan oprecht boete doen, maar ik

kan toch niet nalaten deze twee heeren te wantrouwen, vooral als zij

over de kas gaan. Men zet geen dronkaard, die onthouder geworden is,

in een wijnkelder. Ik beklaag de Karthuizers."

Het wantrouwen van don Alphonse werd werkelijk na eenige dagen reeds

gerechtvaardigd. Als een loopend vuurtje ging het door de stad dat

de broeder administrateur en de broeder portier zich met de kas van

de Karthuizers hadden verwijderd.

Wij wachtten er ons wel voor, om te zeggen dat die heeren kennissen

van ons waren.

De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 2 van 2 De Spaansche Avonturier · 第 59 / 98 题