Gil Blas gaat naar de comedie, waar hij een nieuw treurspel
ziet. Succes van het stuk. Genie van het publiek van Valencia.
Toen ik aan den schouwburg kwam, bleef ik eenige oogenblikken
aan de deur staan om de personen te zien, die er binnentraden. Ik
zag heeren met een goed uiterlijk en rijk gekleed en ook armoedige
figuren. Ik merkte deftige dames op, die uit hare koetsen stegen en
avonturiersters, die slachtoffers gingen maken. Die verscheidenheid
van toeschouwers wekte bij mij den lust op om hun aantal te gaan
vermeerderen. Toen ik mij gereed maakte om een biljet te nemen, kwamen
juist de gouverneur en zijn vrouw binnen. Zij lieten mij roepen en
ik moest in hunne loge plaats nemen.
De schouwburg was geheel vol. "Wat een talrijke opkomst!" zei ik
tegen don Alphonso.
"Dat behoeft u niet te verwonderen," antwoordde hij, "het treurspel,
dat men zal geven, is een werk van don Gabriel Triaquero, een dichter,
die in de mode is. Zoodra het programma van den schouwburg een nieuw
werk van dezen schrijver aankondigt, is de heele stad Valencia er vol
van. De heeren en dames spreken over niets anders dan dit stuk. Alle
loges zijn besproken en bij de eerste voorstelling dringt men elkaar
bij de deur dood om binnen te komen."
"Die levendige belangstelling van het publiek en dat ongeduld, om
een nieuw stuk van don Gabriel te hooren," zei ik, "geven mij een
hoog idee van het genie van dezen dichter."
"Niet zoo haastig, mijn vriend," vermaande don Alphonse mij, "men
moet oppassen tegen vooroordeelen. Het publiek is soms verblind."
Ons gesprek werd afgebroken omdat de acteurs op de planken
verschenen. Ze werden levendig toegejuicht en aan het eind van iedere
akte was er een applaus, een leven alsof men de zaal afbrak. Toen het
stuk was afgeloopen, wees men mij den schrijver, die zich in enkele
loges eenige oogenblikken ophield om bescheidenlijk zijn hoofd te
laten kronen met lauweren. Wij keerden na afloop naar het paleis van
den gouverneur terug, waar weldra drie of vier heeren aankwamen. Er
verschenen ook twee oude schrijvers, zeer geëerd in hun genre en een
edelman uit Madrid, bekend om zijn geest en goeden smaak. Zij waren
allen in de comedie geweest en aan het souper kwam het stuk ter sprake.
"Mijnheer," zei een ridder van St. Jacques, "wat zegt gij van dit
treurspel?"
"Ik geloof niet, dat iemand er anders over denken kan," zei een
ridder uit Alcantera. "Dit stuk is vol tirades, die Apollo schijnt
gedicteerd te hebben." Hij wendde zich daarna tot den heer uit Madrid:
"Mijnheer is kenner, ik wed, dat hij van mijn gevoelen is."
"Wed niet, mijnheer," antwoordde de aangesprokene met een glimlach. "Ik
ben niet uit dit land en wij in Madrid beslissen niet zoo snel. Wel
verre van een stuk te beoordeelen, dat wij voor den eersten maal
hooren, hebben wij een zeker wantrouwen in de schoonheden, zoolang we
die niet anders kennen dan door den mond van de tooneelspelers. Wij
schorten ons oordeel op, tot wij het gelezen hebben en waarlijk, een
stuk op het papier geeft ons niet altijd hetzelfde genot als op de
planken. Wij onderzoeken dus zorgvuldig, voor wij een stuk prijzen;
de naam van den schrijver, hoe groot die ook zijn moge, kan ons
niet verblinden. Toen zelfs Lopes de Vega en Calderon hunne nieuwe
stukken gaven, vonden zij in hunne bewonderaars strenge rechters,
die hen niet hebben verheven op het toppunt van hun roem, dan na hen
daartoe waardig te hebben geoordeeld."
"O!" viel de ridder van St. Jacques in de rede, "wij zijn niet zoo
beschroomd als de heeren Castilianen. Wij wachten met het beslissen
niet tot een stuk is gedrukt. Dadelijk na de eerste voorstelling,
kennen wij de waarde ervan. Het is zelfs niet eens noodig, dat wij
zeer oplettend toeluisteren. 't Is voldoende te weten, dat het een
stuk van don Gabriel is, om overtuigd te zijn, dat het zonder gebreken
is. Toen die schrijver zijn werken begon, kon men zeggen, dat de goede
smaak werd geboren. De Lopes en de Calderons waren slechts leerlingen
in vergelijking met dezen grooten meester van het tooneel!"
De edelman uit Madrid, die Lopes en Calderon beschouwde als de
Sophocles en Euripides van de Spanjaarden, werd geprikkeld door deze
stoute bewering en zei: "Omdat ge mij noodzaakt heeren, te oordeelen
na een eerste voorstelling, moet ik u zeggen, dat ik volstrekt niet
ingenomen ben met het nieuwe treurspel van uw don Gabriel. Verre van
het te beschouwen als een meesterwerk, vind ik het zeer gebrekkig. 't
Is op effect berekend, driekwart van de verzen is slecht of rijmt
niet. De karakters zijn niet juist geteekend en slecht volgehouden
en de gedachten dikwijls zeer duister."
De twee schrijvers aan tafel, die door een even zeldzame als
prijzenswaardige terughoudendheid niets hadden gezegd uit vrees van
jaloezie te worden verdacht, konden niet nalaten met hunne blikken
hunne instemming met die woorden te betuigen.
Maar de andere heeren begonnen nu Gabriel nog meer te prijzen. Ze
plaatsten hem onder de goden. Die blinde aanbidding deed den
Castiliaan het geduld verliezen. Hij hief de handen ten hemel en riep
in geestdrift uit: "O, goddelijke Lopes de Vega, zeldzaam en verheven
genie, die zulk een enorme ruimte gelaten hebt tusschen u en Gabriel,
die zou willen trachten u te bereiken! en gij krachtige Calderon,
wiens zachte élegantie, wiens heldendichten onnavolgbaar zijn,
vreest niet, dat uwe altaren zullen worden afgebroken door dezen
nieuwen voedsterling der Muzen! Het zal gelukkig zijn, indien het
nageslacht, dat van _uw_ werken zal genieten gelijk wij het doen,
van _hem_ nog hoort spreken!"
Na deze onverwachte ontboezeming, die het geheele gezelschap deed
lachen, stond men van tafel op en scheidde. Op last van don Alphonse
werd mij een appartement aangewezen en ik sliep in, evenals die
Castiliaansche edelman betreurende, dat de onwetenden geen recht
lieten wedervaren aan Lopes en aan Calderon.