HOOFDSTUK V

Gil Blas gaat naar de comedie, waar hij een nieuw treurspel

ziet. Succes van het stuk. Genie van het publiek van Valencia.

Toen ik aan den schouwburg kwam, bleef ik eenige oogenblikken

aan de deur staan om de personen te zien, die er binnentraden. Ik

zag heeren met een goed uiterlijk en rijk gekleed en ook armoedige

figuren. Ik merkte deftige dames op, die uit hare koetsen stegen en

avonturiersters, die slachtoffers gingen maken. Die verscheidenheid

van toeschouwers wekte bij mij den lust op om hun aantal te gaan

vermeerderen. Toen ik mij gereed maakte om een biljet te nemen, kwamen

juist de gouverneur en zijn vrouw binnen. Zij lieten mij roepen en

ik moest in hunne loge plaats nemen.

De schouwburg was geheel vol. "Wat een talrijke opkomst!" zei ik

tegen don Alphonso.

"Dat behoeft u niet te verwonderen," antwoordde hij, "het treurspel,

dat men zal geven, is een werk van don Gabriel Triaquero, een dichter,

die in de mode is. Zoodra het programma van den schouwburg een nieuw

werk van dezen schrijver aankondigt, is de heele stad Valencia er vol

van. De heeren en dames spreken over niets anders dan dit stuk. Alle

loges zijn besproken en bij de eerste voorstelling dringt men elkaar

bij de deur dood om binnen te komen."

"Die levendige belangstelling van het publiek en dat ongeduld, om

een nieuw stuk van don Gabriel te hooren," zei ik, "geven mij een

hoog idee van het genie van dezen dichter."

"Niet zoo haastig, mijn vriend," vermaande don Alphonse mij, "men

moet oppassen tegen vooroordeelen. Het publiek is soms verblind."

Ons gesprek werd afgebroken omdat de acteurs op de planken

verschenen. Ze werden levendig toegejuicht en aan het eind van iedere

akte was er een applaus, een leven alsof men de zaal afbrak. Toen het

stuk was afgeloopen, wees men mij den schrijver, die zich in enkele

loges eenige oogenblikken ophield om bescheidenlijk zijn hoofd te

laten kronen met lauweren. Wij keerden na afloop naar het paleis van

den gouverneur terug, waar weldra drie of vier heeren aankwamen. Er

verschenen ook twee oude schrijvers, zeer geëerd in hun genre en een

edelman uit Madrid, bekend om zijn geest en goeden smaak. Zij waren

allen in de comedie geweest en aan het souper kwam het stuk ter sprake.

"Mijnheer," zei een ridder van St. Jacques, "wat zegt gij van dit

treurspel?"

"Ik geloof niet, dat iemand er anders over denken kan," zei een

ridder uit Alcantera. "Dit stuk is vol tirades, die Apollo schijnt

gedicteerd te hebben." Hij wendde zich daarna tot den heer uit Madrid:

"Mijnheer is kenner, ik wed, dat hij van mijn gevoelen is."

"Wed niet, mijnheer," antwoordde de aangesprokene met een glimlach. "Ik

ben niet uit dit land en wij in Madrid beslissen niet zoo snel. Wel

verre van een stuk te beoordeelen, dat wij voor den eersten maal

hooren, hebben wij een zeker wantrouwen in de schoonheden, zoolang we

die niet anders kennen dan door den mond van de tooneelspelers. Wij

schorten ons oordeel op, tot wij het gelezen hebben en waarlijk, een

stuk op het papier geeft ons niet altijd hetzelfde genot als op de

planken. Wij onderzoeken dus zorgvuldig, voor wij een stuk prijzen;

de naam van den schrijver, hoe groot die ook zijn moge, kan ons

niet verblinden. Toen zelfs Lopes de Vega en Calderon hunne nieuwe

stukken gaven, vonden zij in hunne bewonderaars strenge rechters,

die hen niet hebben verheven op het toppunt van hun roem, dan na hen

daartoe waardig te hebben geoordeeld."

"O!" viel de ridder van St. Jacques in de rede, "wij zijn niet zoo

beschroomd als de heeren Castilianen. Wij wachten met het beslissen

niet tot een stuk is gedrukt. Dadelijk na de eerste voorstelling,

kennen wij de waarde ervan. Het is zelfs niet eens noodig, dat wij

zeer oplettend toeluisteren. 't Is voldoende te weten, dat het een

stuk van don Gabriel is, om overtuigd te zijn, dat het zonder gebreken

is. Toen die schrijver zijn werken begon, kon men zeggen, dat de goede

smaak werd geboren. De Lopes en de Calderons waren slechts leerlingen

in vergelijking met dezen grooten meester van het tooneel!"

De edelman uit Madrid, die Lopes en Calderon beschouwde als de

Sophocles en Euripides van de Spanjaarden, werd geprikkeld door deze

stoute bewering en zei: "Omdat ge mij noodzaakt heeren, te oordeelen

na een eerste voorstelling, moet ik u zeggen, dat ik volstrekt niet

ingenomen ben met het nieuwe treurspel van uw don Gabriel. Verre van

het te beschouwen als een meesterwerk, vind ik het zeer gebrekkig. 't

Is op effect berekend, driekwart van de verzen is slecht of rijmt

niet. De karakters zijn niet juist geteekend en slecht volgehouden

en de gedachten dikwijls zeer duister."

De twee schrijvers aan tafel, die door een even zeldzame als

prijzenswaardige terughoudendheid niets hadden gezegd uit vrees van

jaloezie te worden verdacht, konden niet nalaten met hunne blikken

hunne instemming met die woorden te betuigen.

Maar de andere heeren begonnen nu Gabriel nog meer te prijzen. Ze

plaatsten hem onder de goden. Die blinde aanbidding deed den

Castiliaan het geduld verliezen. Hij hief de handen ten hemel en riep

in geestdrift uit: "O, goddelijke Lopes de Vega, zeldzaam en verheven

genie, die zulk een enorme ruimte gelaten hebt tusschen u en Gabriel,

die zou willen trachten u te bereiken! en gij krachtige Calderon,

wiens zachte élegantie, wiens heldendichten onnavolgbaar zijn,

vreest niet, dat uwe altaren zullen worden afgebroken door dezen

nieuwen voedsterling der Muzen! Het zal gelukkig zijn, indien het

nageslacht, dat van _uw_ werken zal genieten gelijk wij het doen,

van _hem_ nog hoort spreken!"

Na deze onverwachte ontboezeming, die het geheele gezelschap deed

lachen, stond men van tafel op en scheidde. Op last van don Alphonse

werd mij een appartement aangewezen en ik sliep in, evenals die

Castiliaansche edelman betreurende, dat de onwetenden geen recht

lieten wedervaren aan Lopes en aan Calderon.

De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 2 van 2 De Spaansche Avonturier · 第 58 / 98 题