HOOFDSTUK III

Gil Blas gaat op weg naar het koninkrijk Valencia en komt eindelijk

te Lirias aan. Beschrijving van het kasteel. Hoe hij er werd ontvangen

en welke menschen hij er vond.

Wij sloegen den weg in naar Léon, vervolgens dien naar Palencia

en kwamen na tien dagen te Sévorbe, vanwaar wij ons den volgenden

morgen naar mijn landgoed begaven, dat niet meer dan drie mijlen ver

was. Naarmate wij het naderden, zag ik met genoegen dat Scipio alle

kasteelen, die wij onderweg passeerden, nauwkeurig opnam en, als ze hem

bevielen, telkens zei: "Ik zou wel willen, dat ons huis er zóó uitzag."

"Ik weet niet, mijn vriend," zei ik, "welk een voorstelling je hebt

van onze woning, maar wanneer je denkt, dat het een prachtig huis is,

dan kom je bedrogen uit."

Toen wij er aankwamen, viel het hem intusschen zeer mee. Wij gingen een

zaal binnen en daar kwamen zeven of acht bedienden ons hun compliment

maken. Ze waren door don Cesar en don Alphonse de Leyva aangesteld om

mij te bedienen, als kok, portier, tuinknecht en lakeien, met verbod

van mij eenig geld aan te memen; die twee heeren droegen alle kosten

van mijn huishouden. De kok, genaamd meester Joachim, was het hoofd

van de bedienden. Hij voerde het woord en zei o.a., dat hij een grooten

voorraad verschillende wijnen had liggen en dat hij na zes jaren kok te

zijn geweest bij den aartsbisschop van Valencia, mij naar mijn smaak

zou kunnen bedienen. Vervolgens leidde hij ons het geheele huis rond,

om te zien of de inrichting mij beviel. Overal had ik gelegenheid om

de goedheid van don Cesar en zijn zoon voor mij te bewonderen.

Na alles met oplettendheid te hebben bekeken, gingen wij in de zaal

terug, waar een tafel met twee couverts klaar stond. Al spoedig

bevonden wij, dat er aanleiding bestond om den aartsbisschop van

Valencia te beklagen over het verlies van zulk een kok. Bij iederen

hap, dien we in onzen mond staken boden mijn nieuwe lakeien groote

glazen wijn van een uitstekend merk aan. Scipio was er verrukt over

maar, daar hij in hun bijzijn dat niet wilde laten merken, wierp hij

mij welsprekende blikken toe, die ik op dezelfde manier beantwoordde.

Toen we als uitgehongerden hadden gegeten en naar verhouding gedronken,

stonden we op om den tuin te zien.

Was Scipio al zeer tevreden geweest over het huis, hij was het nog meer

over den tuin, welke hij vergeleek met dien van het Escuriaal. Het is

waar, dat don César die nog al dikwijls in Lirias kwam, er genoegen

in had gevonden, om de omgeving van het landhuis te verfraaien.

Na een goed diner verraste de slaap ons weldra, nadat we waren gaan

zitten in de schaduw van een olm.

We hadden bijna twee uren geslapen, toen wij wakker werden door

geweerschoten, die zoo dicht in onze nabijheid waren, dat wij

ervan schrikten. Wij sprongen op om te gaan informeeren wat dit

te beteekenen had en vonden bij het huis acht of negen boeren,

allen inwoners van het gehucht, die door hun schoten mijn aankomst

hadden willen vieren. Zoodra ze mij zagen, riepen zij: "Leve onze

nieuwe heer! Welkom te Lirias!" De meesten hunner kenden mij nog uit

den tijd, dat ik intendant was geweest. Ik ontving hen vriendelijk

maar bleef ernstig, om te voorkomen, dat zij te familiair met mij

zouden worden. Ik verzekerde hun mijn protectie en gaf hun zelfs

een twintigtal pistolen, wat ze wel niet het minst aangename zullen

hebben gevonden.

Nadat Scipio en ik nog een wandeling hadden gemaakt in de bosschen,

vonden wij een heerlijk souper, waarbij ons de fijnste flesschen

werden geschonken.

Toen wij voelden, dat we niet meer drinken konden, namen de lakeien

toortsen en brachten mij naar de mooiste kamer waar ze zich beijverden

om mij te helpen uitkleeden. Maar toen ze mij mijn slaapmuts en

kamerjapon hadden gegeven zond ik ze weg om nog wat met Scipio

te praten.

"Welnu, mijn vriend," vroeg ik hem voor wij gingen slapen, "wat zeg

je van de behandeling, die ik van de heeren de Leyva ondervind?"

"Ik geloof niet," zei hij, "dat die beter zou kunnen zijn. Alleen

hoop ik maar, dat ze van langen duur wezen zal."

"Dat hoop ik niet," antwoordde ik, "het gaat niet aan, dat mijn

weldoeners zulke groote uitgaven voor mij doen. Het zou misbruik

maken zijn van hunne edelmoedige mildheid, indien ik dat langer

toeliet. Overigens kan ik er mij niet aan gewennen zooveel knechts te

hebben, die door anderen betaald worden. Ik zou me hier nooit thuis

gevoelen! Wat een dwaasheid trouwens, zoo'n groot personeel! Als

wij met Bertrand den kok, een jongen en één lakei hebben, dan is

dat voldoende."

Hoewel het mijn secretaris ongetwijfeld wel aanstond om op zulk een

wijze te blijven voortleven op kosten van den gouverneur van Valencia,

bestreed hij mijn kieschheid op dit punt niet en keurde mijn plan goed.

De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 2 van 2 De Spaansche Avonturier · 第 56 / 98 题