Gil Blas gaat op weg naar het koninkrijk Valencia en komt eindelijk
te Lirias aan. Beschrijving van het kasteel. Hoe hij er werd ontvangen
en welke menschen hij er vond.
Wij sloegen den weg in naar Léon, vervolgens dien naar Palencia
en kwamen na tien dagen te Sévorbe, vanwaar wij ons den volgenden
morgen naar mijn landgoed begaven, dat niet meer dan drie mijlen ver
was. Naarmate wij het naderden, zag ik met genoegen dat Scipio alle
kasteelen, die wij onderweg passeerden, nauwkeurig opnam en, als ze hem
bevielen, telkens zei: "Ik zou wel willen, dat ons huis er zóó uitzag."
"Ik weet niet, mijn vriend," zei ik, "welk een voorstelling je hebt
van onze woning, maar wanneer je denkt, dat het een prachtig huis is,
dan kom je bedrogen uit."
Toen wij er aankwamen, viel het hem intusschen zeer mee. Wij gingen een
zaal binnen en daar kwamen zeven of acht bedienden ons hun compliment
maken. Ze waren door don Cesar en don Alphonse de Leyva aangesteld om
mij te bedienen, als kok, portier, tuinknecht en lakeien, met verbod
van mij eenig geld aan te memen; die twee heeren droegen alle kosten
van mijn huishouden. De kok, genaamd meester Joachim, was het hoofd
van de bedienden. Hij voerde het woord en zei o.a., dat hij een grooten
voorraad verschillende wijnen had liggen en dat hij na zes jaren kok te
zijn geweest bij den aartsbisschop van Valencia, mij naar mijn smaak
zou kunnen bedienen. Vervolgens leidde hij ons het geheele huis rond,
om te zien of de inrichting mij beviel. Overal had ik gelegenheid om
de goedheid van don Cesar en zijn zoon voor mij te bewonderen.
Na alles met oplettendheid te hebben bekeken, gingen wij in de zaal
terug, waar een tafel met twee couverts klaar stond. Al spoedig
bevonden wij, dat er aanleiding bestond om den aartsbisschop van
Valencia te beklagen over het verlies van zulk een kok. Bij iederen
hap, dien we in onzen mond staken boden mijn nieuwe lakeien groote
glazen wijn van een uitstekend merk aan. Scipio was er verrukt over
maar, daar hij in hun bijzijn dat niet wilde laten merken, wierp hij
mij welsprekende blikken toe, die ik op dezelfde manier beantwoordde.
Toen we als uitgehongerden hadden gegeten en naar verhouding gedronken,
stonden we op om den tuin te zien.
Was Scipio al zeer tevreden geweest over het huis, hij was het nog meer
over den tuin, welke hij vergeleek met dien van het Escuriaal. Het is
waar, dat don César die nog al dikwijls in Lirias kwam, er genoegen
in had gevonden, om de omgeving van het landhuis te verfraaien.
Na een goed diner verraste de slaap ons weldra, nadat we waren gaan
zitten in de schaduw van een olm.
We hadden bijna twee uren geslapen, toen wij wakker werden door
geweerschoten, die zoo dicht in onze nabijheid waren, dat wij
ervan schrikten. Wij sprongen op om te gaan informeeren wat dit
te beteekenen had en vonden bij het huis acht of negen boeren,
allen inwoners van het gehucht, die door hun schoten mijn aankomst
hadden willen vieren. Zoodra ze mij zagen, riepen zij: "Leve onze
nieuwe heer! Welkom te Lirias!" De meesten hunner kenden mij nog uit
den tijd, dat ik intendant was geweest. Ik ontving hen vriendelijk
maar bleef ernstig, om te voorkomen, dat zij te familiair met mij
zouden worden. Ik verzekerde hun mijn protectie en gaf hun zelfs
een twintigtal pistolen, wat ze wel niet het minst aangename zullen
hebben gevonden.
Nadat Scipio en ik nog een wandeling hadden gemaakt in de bosschen,
vonden wij een heerlijk souper, waarbij ons de fijnste flesschen
werden geschonken.
Toen wij voelden, dat we niet meer drinken konden, namen de lakeien
toortsen en brachten mij naar de mooiste kamer waar ze zich beijverden
om mij te helpen uitkleeden. Maar toen ze mij mijn slaapmuts en
kamerjapon hadden gegeven zond ik ze weg om nog wat met Scipio
te praten.
"Welnu, mijn vriend," vroeg ik hem voor wij gingen slapen, "wat zeg
je van de behandeling, die ik van de heeren de Leyva ondervind?"
"Ik geloof niet," zei hij, "dat die beter zou kunnen zijn. Alleen
hoop ik maar, dat ze van langen duur wezen zal."
"Dat hoop ik niet," antwoordde ik, "het gaat niet aan, dat mijn
weldoeners zulke groote uitgaven voor mij doen. Het zou misbruik
maken zijn van hunne edelmoedige mildheid, indien ik dat langer
toeliet. Overigens kan ik er mij niet aan gewennen zooveel knechts te
hebben, die door anderen betaald worden. Ik zou me hier nooit thuis
gevoelen! Wat een dwaasheid trouwens, zoo'n groot personeel! Als
wij met Bertrand den kok, een jongen en één lakei hebben, dan is
dat voldoende."
Hoewel het mijn secretaris ongetwijfeld wel aanstond om op zulk een
wijze te blijven voortleven op kosten van den gouverneur van Valencia,
bestreed hij mijn kieschheid op dit punt niet en keurde mijn plan goed.