HOOFDSTUK II

Gil Blas vervolgt zijn reis en komt gelukkig te Oviédo aan. In

welken toestand hij zijn ouders vindt. Dood van zijn vader; gevolg

van dien dood.

Van Valladolid reisden wij in vier dagen naar Oviédo, zonder onderweg

slechte ontmoetingen te hebben gehad, niettegenstaande er gezegd

wordt, dat de dieven van verre het geld van de reizigers ruiken. Ze

hadden anders gemakkelijk hun slag kunnen slaan; want ik had aan

het hof geen dapperheid geleerd en mijn ezeldrijver scheen me niet

iemand, die zich zou laten dooden om de beurs van zijn meester te

verdedigen. Alleen Scipio had iets van een vechtersbaas.

Het was nacht toen wij in de stad aankwamen. Wij gingen in een

logement, dicht naast het huis van mijn oom Gil Perez. Voor ik naar

mijn ouders ging, wilde ik naar hen informeeren en ik wist niet beter

te doen, dan mij daarvoor te wenden tot den waard en zijn vrouw,

die wel alles van hunne buren zouden afweten. Na mij goed te hebben

aangekeken riep de herbergier uit: "Bij den heiligen Antonius van

Padua! Dat is de zoon van onzen goeden Blas de Santillano!"

"Ja waarlijk," bevestigde de vrouw, "hij is het, ik herken hem zeer

goed, hij is bijna niet veranderd. 't Is, of ik hem nog zie zooals

hij hier 's avonds met een flesch kwam, om wijn voor het souper van

zijn oom te halen."

"Ge hebt een goed geheugen," zei ik, "maar wees zoo goed en vertel

mij iets van mijn familie. Mijn vader en moeder hebben het zeker niet

te best!"

"Dat hebben ze zeker niet," antwoordde de vrouw, "ze konden er moeilijk

slechter aan toe zijn. De goede Gil Perez is door een beroerte aan

de eene helft van zijn lichaam verlamd en zal waarschijnlijk niet

lang meer leven; uw vader, die sedert korten tijd bij hem woont,

heeft een longontsteking of liever gezegd hij bevindt zich tusschen

leven en dood en uw moeder, wie het ook al niet te best gaat, past

hen beiden op. Ongelukkiger kon het dus wel niet!"

Ontroerd door alles, wat ik had gehoord, ging ik naar het huis

van mijn oom. Nadat mijn moeder mij had omhelsd, zei ze, dat ik

nog juist op tijd was gekomen, om mijn vader te zien sterven. Ze

bracht mij in een kamer waar op een armoedig bed de ongelukkige man

lag te sterven. Hoe nabij de dood ook was, was hij nog niet geheel

buiten kennis. Mijn moeder zei: "Hier is Gil Blas, je zoon, die je

vergiffenis vraagt voor het verdriet, dat hij je heeft aangedaan en

om je zegen smeekt." Bij die woorden opende mijn vader zijn oogen,

hij vestigde die op mij en merkte aan mijn droefheid, dat ik zeer

getroffen was door zijn verlies. Hij wilde spreken, maar had er de

kracht niet toe. Ik nam een van zijn handen, mijn tranen beletten

mij om een woord te spreken. Hij zuchtte, 't was of hij mijn aankomst

had afgewacht om den laatsten adem uit te blazen.

Mijn moeder was te veel voorbereid op zijn dood, om nu een hevig

verdriet te gevoelen. Ik was er misschien meer van onder den indruk

dan zij, hoewel mijn vader mij zijn leven lang geen enkel bewijs

van vriendschap had gegeven. Ik was niet alleen bedroefd omdat ik

mijn vader had verloren, maar ook omdat ik aan mijn hardheid moest

denken. Een monster van ondankbaarheid vond ik mijzelf, of liever

een vadermoordenaar.

Ook bij het zien van mijn oom, deed ik mijzelf heftige verwijten. Alle

verplichtingen, die ik aan hem had, kwamen mij nu voor den

geest. "Indien ge," zei ik tot mijzelf, "hun maar een klein gedeelte

van den overvloed hadt gegeven, die gij hebt gehad, dan zouden zij een

gelukkig leven hebben geleid en je vader was dan misschien niet dood."

De ongelukkige Gil Perez was kindsch geworden. Of mijn moeder hem al

zei, dat ik zijn neef Gil Blas was, hij lachte slechts met een onnoozel

gezicht en gaf geen antwoord. Ondertusschen bewaarde Scipio een somber

stilzwijgen, zuchtte met mij mee en vermengde uit vriendschap zijn

tranen met de mijne.

Mijn moeder en ik deden elkaar daarna een getrouw verslag van hetgeen

er gebeurd was nadat ik uit Oviédo was gegaan. Met alle respect voor

de nagedachtenis van mijn moeder, was ze nog al wijdloopig in haar

verhalen en zou mij driekwart van haar verhaal hebben kunnen besparen,

indien ze allerlei onnutte kleinigheden had terzijde gelaten.

Toen zij aan het eind van hare geschiedenis was gekomen, begon ik de

mijne. Slechts in het kort vertelde ik haar van al mijn avonturen,

maar bij het bezoek van den zoon van Bertrand Muscada, den kruidenier

uit Oviédo, bij mij te Madrid, stond ik langen tijd stil. "Ik moet

u bekennen," zei ik, "dat ik dien slecht heb ontvangen en om zich te

wreken zal hij zeker wel niet veel goeds van mij hebben gezegd."

"Hij vond je," antwoordde zij, "zoo trotsch geworden, omdat je de

gunsteling van den eersten minister was, dat je hem niet wilde

herkennen en het liet je geheel koud, toen hij van onze armoede

vertelde. Maar daar ouders altijd het beste van hunne kinderen

gelooven, dachten wij, dat hij overdreef. En je komst te Oviédo toont

nu, dat we gelijk hebben gehad."

"U denkt te gunstig over mij," zei ik. "Wat de jonge Muscada heeft

gezegd, is waar. Toen hij bij mij kwam, dacht ik aan niets anders dan

aan mijn fortuin, de eerzucht belette mij om mij bezig te houden met

het lot van mijn familie. Daar kwam bij, dat hij mij al dadelijk tegen

zich innam, door mij te zeggen, dat hij gehoord had, dat ik zoo rijk

was als een jood. Daarbij wilde hij mij op brutalen toon voorschrijven,

wat ik te doen had. Maar nadat ik hem weggestuurd had, voelde ik toch

wel berouw over mijn gedrag tegenover u. Toen ik later in den toren van

Ségovië was opgesloten, werd ik gevaarlijk ziek en die gelukkige ziekte

is het geweest, die u uw zoon heeft teruggegeven. De natuur hernam haar

rechten en ik werd geheel losgemaakt van het hof. Ik ben teruggekomen

van dat rumoerige leven en verlang nu alleen naar de eenzaamheid en

ik ben nu hier om u te vragen, of ge met mij mee wilt gaan naar een

landgoed bij Valencia, dat mij toebehoort en waar wij kalm zullen

leven. U begrijpt wel, dat ik ook vader had willen voorstellen,

om ons te vergezellen, indien de hemel het niet anders had gewild."

"Ik ben je zeer dankbaar voor dit aanbod en ik zou zeker niet aarzelen,

wanneer ik mijn broer niet alleen moest laten; ook ben ik aan het

land hier gehecht. Maar wij kunnen er nog eens over denken, onze

eerste zorg moet nu zijn voor de begrafenis van je vader."

Juist kwam Scipio binnen, want het was reeds dag geworden en hij wilde

vragen, of hij ons ook van dienst kon zijn. Ik vroeg hem, of hij zich

belasten wilde met de zorg voor de begrafenis en hij verklaarde zich

daar gaarne toe bereid. "Maar denk er aan," zei mijn moeder tot mijn

vriend, "dat het niet te mooi moet zijn; de heele stad heeft hem

altijd als een eenvoudig en arm man gekend."

Scipio antwoordde: "Mevrouw, al was hij nog armer geweest, daarom

zou ik geen twee cent besparen. Ik denk hierbij slechts aan mijn

meester. Mijn meester is de gunsteling geweest van den hertog de Lerme,

dus moet zijn vader op plechtige wijze worden begraven."

Ik keurde het plan van mijn secretaris goed en verzocht hem zelfs,

geen geld te sparen. Een rest van ijdelheid, die nog in mij was,

ontwaakte bij deze gelegenheid. Ik meende, dat wanneer ik geen kosten

spaarde voor de begrafenis van een vader, die mij niets had nagelaten,

ik zekere bewondering voor mijn mildheid zou opwekken. En mijn moeder,

hoe nederig zij ook was, vond het toch niet kwaad, dat mijn vader

met luister werd ter aarde besteld.

Scipio was maar al te goed geslaagd. Alle inwoners van Oviédo, van

groot tot klein, namen aanstoot aan dit prachtvertoon en men maakte

allerlei opmerkingen, die minder eervol voor mij waren. De een zei:

"Hij heeft wel geld, om zijn vader te begraven, maar had het niet om

hem te eten te geven." "Het zou beter zijn," merkte een ander op,

"als hij zijn vader bij diens leven wat meer genoegen had gedaan,

dan hem nu zoo deftig te begraven." Scipio, Bertrand en ik werden

zelfs op straat nageroepen, toen wij uit de kerk kwamen, ja, men

ontzag zich niet ons met steenen en modder te gooien. Mijn moeder

moest zich vertoonen en openlijk verklaren, dat zij tevreden over mij

was, om de menigte uiteen te doen gaan, die zich voor het huis van

mijn oom verzameld had. Al die beleedigingen waren hoofdzakelijk een

gevolg van de praatjes, die de jonge kruidenier in de stad over mij had

rondgestrooid. Ik kreeg daardoor zoo'n tegenzin in een langer verblijf

in Oviédo, dat ik spoedig besloot om te vertrekken. Daar mijn moeder

bij mijn oom wilde blijven, die het echter niet lang meer zou maken,

vroeg ik haar, bij mij te komen wonen, als hij er niet meer zou zijn.

"Ik kan die belofte niet geven," antwoordde mijn moeder, "want ik

zou haar niet houden. De rest van mijn dagen wil ik hier in Asturië

doorbrengen in volkomen onafhankelijkheid."

"Maar zult ge in mijn huis dan niet onbeperkt meesteres zijn?" vroeg

ik.

"Je hebt maar verliefd te worden op een of ander meisje en haar te

trouwen, dan is zij de schoondochter en ik ben de schoonmoeder en

dat gaat niet samen."

Hoewel ik haar betoogde, dat ik in het geheel niet aan trouwen dacht,

en zelfs, als ik het deed, dat ik dan mijn vrouw wel zou dwingen

haar te gehoorzamen, kon ik haar niet overreden en dus besloten wij,

dat ze in haar huis zou blijven en dat ze jaarlijks een toelage van

honderd pistolen van mij zou ontvangen.

Wij vertrokken uit Oviédo voor het aanbreken van den dag, uit vrees

last te zullen krijgen van het volk. Zoo was de ontvangst, die men

mij bereidde in mijn vaderstad. Schoone les voor mannen uit het gewone

volk, die buiten hun land rijk zijn geworden en daar terugkeeren, om

te toonen, dat ze menschen van gewicht zijn geworden! Hoe meer zij door

rijkdommen willen schitteren, des te meer zullen zij worden gehaat.

De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 2 van 2 De Spaansche Avonturier · 第 55 / 98 题