Gil Blas vervolgt zijn reis en komt gelukkig te Oviédo aan. In
welken toestand hij zijn ouders vindt. Dood van zijn vader; gevolg
van dien dood.
Van Valladolid reisden wij in vier dagen naar Oviédo, zonder onderweg
slechte ontmoetingen te hebben gehad, niettegenstaande er gezegd
wordt, dat de dieven van verre het geld van de reizigers ruiken. Ze
hadden anders gemakkelijk hun slag kunnen slaan; want ik had aan
het hof geen dapperheid geleerd en mijn ezeldrijver scheen me niet
iemand, die zich zou laten dooden om de beurs van zijn meester te
verdedigen. Alleen Scipio had iets van een vechtersbaas.
Het was nacht toen wij in de stad aankwamen. Wij gingen in een
logement, dicht naast het huis van mijn oom Gil Perez. Voor ik naar
mijn ouders ging, wilde ik naar hen informeeren en ik wist niet beter
te doen, dan mij daarvoor te wenden tot den waard en zijn vrouw,
die wel alles van hunne buren zouden afweten. Na mij goed te hebben
aangekeken riep de herbergier uit: "Bij den heiligen Antonius van
Padua! Dat is de zoon van onzen goeden Blas de Santillano!"
"Ja waarlijk," bevestigde de vrouw, "hij is het, ik herken hem zeer
goed, hij is bijna niet veranderd. 't Is, of ik hem nog zie zooals
hij hier 's avonds met een flesch kwam, om wijn voor het souper van
zijn oom te halen."
"Ge hebt een goed geheugen," zei ik, "maar wees zoo goed en vertel
mij iets van mijn familie. Mijn vader en moeder hebben het zeker niet
te best!"
"Dat hebben ze zeker niet," antwoordde de vrouw, "ze konden er moeilijk
slechter aan toe zijn. De goede Gil Perez is door een beroerte aan
de eene helft van zijn lichaam verlamd en zal waarschijnlijk niet
lang meer leven; uw vader, die sedert korten tijd bij hem woont,
heeft een longontsteking of liever gezegd hij bevindt zich tusschen
leven en dood en uw moeder, wie het ook al niet te best gaat, past
hen beiden op. Ongelukkiger kon het dus wel niet!"
Ontroerd door alles, wat ik had gehoord, ging ik naar het huis
van mijn oom. Nadat mijn moeder mij had omhelsd, zei ze, dat ik
nog juist op tijd was gekomen, om mijn vader te zien sterven. Ze
bracht mij in een kamer waar op een armoedig bed de ongelukkige man
lag te sterven. Hoe nabij de dood ook was, was hij nog niet geheel
buiten kennis. Mijn moeder zei: "Hier is Gil Blas, je zoon, die je
vergiffenis vraagt voor het verdriet, dat hij je heeft aangedaan en
om je zegen smeekt." Bij die woorden opende mijn vader zijn oogen,
hij vestigde die op mij en merkte aan mijn droefheid, dat ik zeer
getroffen was door zijn verlies. Hij wilde spreken, maar had er de
kracht niet toe. Ik nam een van zijn handen, mijn tranen beletten
mij om een woord te spreken. Hij zuchtte, 't was of hij mijn aankomst
had afgewacht om den laatsten adem uit te blazen.
Mijn moeder was te veel voorbereid op zijn dood, om nu een hevig
verdriet te gevoelen. Ik was er misschien meer van onder den indruk
dan zij, hoewel mijn vader mij zijn leven lang geen enkel bewijs
van vriendschap had gegeven. Ik was niet alleen bedroefd omdat ik
mijn vader had verloren, maar ook omdat ik aan mijn hardheid moest
denken. Een monster van ondankbaarheid vond ik mijzelf, of liever
een vadermoordenaar.
Ook bij het zien van mijn oom, deed ik mijzelf heftige verwijten. Alle
verplichtingen, die ik aan hem had, kwamen mij nu voor den
geest. "Indien ge," zei ik tot mijzelf, "hun maar een klein gedeelte
van den overvloed hadt gegeven, die gij hebt gehad, dan zouden zij een
gelukkig leven hebben geleid en je vader was dan misschien niet dood."
De ongelukkige Gil Perez was kindsch geworden. Of mijn moeder hem al
zei, dat ik zijn neef Gil Blas was, hij lachte slechts met een onnoozel
gezicht en gaf geen antwoord. Ondertusschen bewaarde Scipio een somber
stilzwijgen, zuchtte met mij mee en vermengde uit vriendschap zijn
tranen met de mijne.
Mijn moeder en ik deden elkaar daarna een getrouw verslag van hetgeen
er gebeurd was nadat ik uit Oviédo was gegaan. Met alle respect voor
de nagedachtenis van mijn moeder, was ze nog al wijdloopig in haar
verhalen en zou mij driekwart van haar verhaal hebben kunnen besparen,
indien ze allerlei onnutte kleinigheden had terzijde gelaten.
Toen zij aan het eind van hare geschiedenis was gekomen, begon ik de
mijne. Slechts in het kort vertelde ik haar van al mijn avonturen,
maar bij het bezoek van den zoon van Bertrand Muscada, den kruidenier
uit Oviédo, bij mij te Madrid, stond ik langen tijd stil. "Ik moet
u bekennen," zei ik, "dat ik dien slecht heb ontvangen en om zich te
wreken zal hij zeker wel niet veel goeds van mij hebben gezegd."
"Hij vond je," antwoordde zij, "zoo trotsch geworden, omdat je de
gunsteling van den eersten minister was, dat je hem niet wilde
herkennen en het liet je geheel koud, toen hij van onze armoede
vertelde. Maar daar ouders altijd het beste van hunne kinderen
gelooven, dachten wij, dat hij overdreef. En je komst te Oviédo toont
nu, dat we gelijk hebben gehad."
"U denkt te gunstig over mij," zei ik. "Wat de jonge Muscada heeft
gezegd, is waar. Toen hij bij mij kwam, dacht ik aan niets anders dan
aan mijn fortuin, de eerzucht belette mij om mij bezig te houden met
het lot van mijn familie. Daar kwam bij, dat hij mij al dadelijk tegen
zich innam, door mij te zeggen, dat hij gehoord had, dat ik zoo rijk
was als een jood. Daarbij wilde hij mij op brutalen toon voorschrijven,
wat ik te doen had. Maar nadat ik hem weggestuurd had, voelde ik toch
wel berouw over mijn gedrag tegenover u. Toen ik later in den toren van
Ségovië was opgesloten, werd ik gevaarlijk ziek en die gelukkige ziekte
is het geweest, die u uw zoon heeft teruggegeven. De natuur hernam haar
rechten en ik werd geheel losgemaakt van het hof. Ik ben teruggekomen
van dat rumoerige leven en verlang nu alleen naar de eenzaamheid en
ik ben nu hier om u te vragen, of ge met mij mee wilt gaan naar een
landgoed bij Valencia, dat mij toebehoort en waar wij kalm zullen
leven. U begrijpt wel, dat ik ook vader had willen voorstellen,
om ons te vergezellen, indien de hemel het niet anders had gewild."
"Ik ben je zeer dankbaar voor dit aanbod en ik zou zeker niet aarzelen,
wanneer ik mijn broer niet alleen moest laten; ook ben ik aan het
land hier gehecht. Maar wij kunnen er nog eens over denken, onze
eerste zorg moet nu zijn voor de begrafenis van je vader."
Juist kwam Scipio binnen, want het was reeds dag geworden en hij wilde
vragen, of hij ons ook van dienst kon zijn. Ik vroeg hem, of hij zich
belasten wilde met de zorg voor de begrafenis en hij verklaarde zich
daar gaarne toe bereid. "Maar denk er aan," zei mijn moeder tot mijn
vriend, "dat het niet te mooi moet zijn; de heele stad heeft hem
altijd als een eenvoudig en arm man gekend."
Scipio antwoordde: "Mevrouw, al was hij nog armer geweest, daarom
zou ik geen twee cent besparen. Ik denk hierbij slechts aan mijn
meester. Mijn meester is de gunsteling geweest van den hertog de Lerme,
dus moet zijn vader op plechtige wijze worden begraven."
Ik keurde het plan van mijn secretaris goed en verzocht hem zelfs,
geen geld te sparen. Een rest van ijdelheid, die nog in mij was,
ontwaakte bij deze gelegenheid. Ik meende, dat wanneer ik geen kosten
spaarde voor de begrafenis van een vader, die mij niets had nagelaten,
ik zekere bewondering voor mijn mildheid zou opwekken. En mijn moeder,
hoe nederig zij ook was, vond het toch niet kwaad, dat mijn vader
met luister werd ter aarde besteld.
Scipio was maar al te goed geslaagd. Alle inwoners van Oviédo, van
groot tot klein, namen aanstoot aan dit prachtvertoon en men maakte
allerlei opmerkingen, die minder eervol voor mij waren. De een zei:
"Hij heeft wel geld, om zijn vader te begraven, maar had het niet om
hem te eten te geven." "Het zou beter zijn," merkte een ander op,
"als hij zijn vader bij diens leven wat meer genoegen had gedaan,
dan hem nu zoo deftig te begraven." Scipio, Bertrand en ik werden
zelfs op straat nageroepen, toen wij uit de kerk kwamen, ja, men
ontzag zich niet ons met steenen en modder te gooien. Mijn moeder
moest zich vertoonen en openlijk verklaren, dat zij tevreden over mij
was, om de menigte uiteen te doen gaan, die zich voor het huis van
mijn oom verzameld had. Al die beleedigingen waren hoofdzakelijk een
gevolg van de praatjes, die de jonge kruidenier in de stad over mij had
rondgestrooid. Ik kreeg daardoor zoo'n tegenzin in een langer verblijf
in Oviédo, dat ik spoedig besloot om te vertrekken. Daar mijn moeder
bij mijn oom wilde blijven, die het echter niet lang meer zou maken,
vroeg ik haar, bij mij te komen wonen, als hij er niet meer zou zijn.
"Ik kan die belofte niet geven," antwoordde mijn moeder, "want ik
zou haar niet houden. De rest van mijn dagen wil ik hier in Asturië
doorbrengen in volkomen onafhankelijkheid."
"Maar zult ge in mijn huis dan niet onbeperkt meesteres zijn?" vroeg
ik.
"Je hebt maar verliefd te worden op een of ander meisje en haar te
trouwen, dan is zij de schoondochter en ik ben de schoonmoeder en
dat gaat niet samen."
Hoewel ik haar betoogde, dat ik in het geheel niet aan trouwen dacht,
en zelfs, als ik het deed, dat ik dan mijn vrouw wel zou dwingen
haar te gehoorzamen, kon ik haar niet overreden en dus besloten wij,
dat ze in haar huis zou blijven en dat ze jaarlijks een toelage van
honderd pistolen van mij zou ontvangen.
Wij vertrokken uit Oviédo voor het aanbreken van den dag, uit vrees
last te zullen krijgen van het volk. Zoo was de ontvangst, die men
mij bereidde in mijn vaderstad. Schoone les voor mannen uit het gewone
volk, die buiten hun land rijk zijn geworden en daar terugkeeren, om
te toonen, dat ze menschen van gewicht zijn geworden! Hoe meer zij door
rijkdommen willen schitteren, des te meer zullen zij worden gehaat.