Lachend riep Scipio: "Dat is een interessante persoonlijkheid!"

"Als ge hem wilt leeren kennen," zei ik, "dan is daar morgen

gelegenheid toe, wanneer althans Sangrado nog leeft en nog in

Valladolid woont. Ik kan dat echter moeilijk gelooven, want hij was

al oud, toen ik hem verliet en er zijn sedert dien tijd heel wat

jaren verloopen."

Ons eerste werk, toen wij in het hotel aankwamen, was te informeeren

naar dokter Sangrado, die nog leefde, maar te oud was om visites

te maken en dus zijn practijk aan drie of vier andere doktoren had

overgedaan. Wij besloten den volgenden dag in die stad over te blijven,

zoowel om hem te bezoeken, als om onze muilezels te laten rusten.

Den volgenden morgen om tien uur gingen wij hem bezoeken; wij vonden

hem in een fauteuil, met een boek in de hand. Zoodra hij ons zag, stond

hij op, kwam naar ons toe met een fermen stap voor een zeventigjarige

en vroeg, wat wij wilden.

"Dokter," zei ik, "kijk mij eens oplettend aan! Herkent ge mij niet? Ik

heb toch de eer een van uw leerlingen te zijn. Herinnert gij u niet

een zekeren Gil Blas, die bij u gewoond heeft?"

Hij drukte mij hartelijk de hand en zei: "Zijt gij het Santillano? Ik

zou u niet meer herkend hebben. Het doet mij recht veel genoegen

u weer te zien. Wat hebt ge sedert onze scheiding gedaan? Zeker de

geneeskunde beoefend?"

"Wat mij betreft," antwoordde ik, "had ik daar wel neiging toe,

maar redenen van overwegenden aard hebben het mij belet."

"Dat is jammer," zei Sangrado, "want met de grondbeginselen, die ik

bij u had gelegd, zoudt ge een uitstekend geneesheer zijn geworden,

indien de hemel u althans had behoed voor de gevaarlijke liefde tot

de scheikunde. Wat een verandering in de geneeskunde in de laatste

jaren! Ge ziet mij er tegelijkertijd verwonderd en bedroefd over. Men

ontneemt aan onze wetenschap de eer en de waardigheid. Die kunst, die

door alle eeuwen heen het leven van den mensch heeft gerespecteerd,

is nu ten prooi geworden aan vermetelheid, aan vermoedens, aan

onervarenheid. Men ziet tegenwoordig ook in deze stad dokters, wier

eenige wetenschap van de geneeskunde bestaat in het bereiden van

scheikundige mengsels. Alles is verkeerd in hun methode! Het aderlaten

van den voet bijvoorbeeld, vroeger zoo zeldzaam gedaan, is tegenwoordig

bijna de eenige wijze. De purgeermiddelen vroeger zacht en weldadig,

zijn nu brakerig werkende. Het is een chaos geworden, iedereen doet

wat hij wil en overschrijdt de grenzen van de regelmaat en wijsheid,

die onze eerste meesters hebben vastgesteld."

Welk een lust ik ook had om te lachen, ik wist mij te

weerhouden. Scipio, wien het geval vermaakte, wilde het vuur nog wat

aanwakkeren. "Dokter," zei hij tegen Sangrado, "daar ik een achterneef

ben van een dokter van de andere school, zij het mij vergund, met u

al die scheikundige remedies ver weg te werpen. Wijlen mijn oudoom

was een zoo overtuigd volgeling van Hippocrates, dat hij dikwijls

gevochten heeft met de kwakzalvers, die met niet genoeg respect spraken

van dien koning der geneeskunde. Het bloed verloochent zich niet en

ik zou graag voor beul dienen van al die nieuwerwetsche domooren,

over wie gij u met evenveel rechtvaardigheid als welsprekendheid

beklaagt. Welk een wanorde veroorzaken deze ellendelingen niet in de

beschaafde maatschappij!"

"Die wanorde," zei de dokter, "gaat veel verder dan ge denkt. Het

heeft mij niet gebaat een boek uit te geven tegen die struikrooverij

op het gebied van de geneeskunst; integendeel, ze neemt van dag

tot dag toe. De chirurgen zijn zoo gek dokters te willen zijn en

denken, dat ze er geschikt voor zijn als er maar braakmiddelen hoeven

gegeven te worden, waarbij ze dan, heel willekeurig voet-aderlatingen

voegen. Deze besmetting verspreidt zich zelfs in de kloosters, er

zijn onder de monniken sommige broeders, die tegelijk apotheker en

chirurgijn zijn en schadelijke drankjes maken, die het leven verkorten

van de eerwaarde vaders."

Hier werd ons gesprek gestoord door de komst van een oude dienstbode,

die een blad bracht, waarop een broodje, een glas en twee caraffen,

de een gevuld met water en de andere met wijn. Hij vulde het glas

voor niet meer dan een vierde gedeelte met wijn en de rest met

water. "Ho, ho! dokter!" riep ik, "daar betrap ik u op heeterdaad,

u drinkt wijn, gij, die u altijd zoo tegen dien drank hebt verklaard

en daardoor veroorzaakt hebt, dat ik in tien jaren tijds geen druppel

wijn heb gedronken. Sedert wanneer zijt gij zoo veranderd? Ge kunt

u niet beroepen op uw leeftijd, omdat ge in een van uw geschriften

den ouderdom verklaart als een natuurlijke tering en ge daarom de

onwetendheid betreurt van personen, die den wijn de melk der grijsaards

noemen. Wat hebt ge te zeggen om u te rechtvaardigen?"

"Ge doet mij onrecht aan," zei de oude heer. "Indien ik enkel

wijn dronk, zoudt ge gelijk hebben, maar ik vermeng dien met veel

water." "Mijn waarde meester," antwoordde ik, "herinnert ge u niet,

dat ge het afkeurde in den kanunnik Sedillo, dat hij wijn dronk,

hoewel hij er veel water in deed? Beken maar, dat ge uw dwaling hebt

ingezien, dat het drinken van wijn niet slecht is, zooals ge in uw

boeken hebt gezegd, mits men er maar een matig gebruik van maakt."

De dokter was een weinig verlegen door mijn woorden; hij kon zich

er niet goed uit redden, dus bracht ik het gesprek op een ander

onderwerp en wij vertrokken spoedig na hem nogmaals goed succes te

hebben toegewenscht in zijn strijd tegen de nieuwe geneeskunde.

Terwijl Scipio en ik op weg naar het hotel nog eens hartelijk lachten

om dien origineelen dokter, ging ons een man voorbij van omstreeks

zestig jaren, die de oogen naar den grond hield geslagen. Ik herkende

in hem Manuel Ordonnez, den administrateur, van wien ik zoo eervol

melding maakte in het eerste deel van mijn geschiedenis. Ik groette

hem, hij keek mij aan en zei, dat hij, hoewel mijn gezicht hem niet

onbekend voorkwam, zich toch niet kon herinneren, wie ik was. Ik

kwam zijn geheugen te hulp en zei, dat ik vroeger wel eens bij hem

kwam toen hij een vriend van mij in dienst had, genaamd Fabricius

Nunez. Hij antwoordde: "Ja, nu herinner ik het mij. Ge hebt samen

wel eens streken uitgehaald! Maar zeg mij eens, wat er van dien armen

Fabricius geworden is."

"Fabricius is in Madrid, waar hij zich met verschillend werk bezig

houdt."

"Wat verstaat ge onder verschillend werk?" vroeg hij. "Dat klinkt

mij zoo dubbelzinnig."

"Ik wil daarmee zeggen," antwoordde ik, "dat hij schrijft in poëzie

en in proza, hij maakt comedies en romans; in één woord, het is iemand

met talent, die zeer goed wordt ontvangen in groote huizen."

"Maar hoe staat het met zijn geldmiddelen?"

"Niet al te best," antwoordde ik. "Ik geloof niet, dat hij rijk is."

"O, dat dacht ik wel!" riep Ordonnez. "Laat hij het hof maar maken aan

groote heeren! Dat zal hem even weinig inbrengen als zijn geschrijf. Ik

zie hem den een of anderen dag nog eens in ons armenhuis terechtkomen."

"Dat zou wel kunnen," stemde ik toe, "de poëzie heeft er wel anderen

gebracht. Mijn vriend Fabricius zou beter hebben gedaan, indien hij

maar bij u was gebleven, dan zou zijn karretje nu over een zandweg

gaan."

"Hij zou het tenminste goed hebben," zei Manuel. "Ik hield van dien

jongen en hij had in onze inrichting een goede positie kunnen krijgen,

indien het hem niet in het hoofd was gekomen zich aan de schoone

kunst te gaan wijden. De domoor! Hij maakte een comediestuk, dat

opgevoerd werd door een troep, die bij ons in de stad was. Hij had

succes en zijn hoofd werd daardoor op hol gebracht. Hij meende een

nieuwe Lopez de Vega te zijn en gaf de voorkeur aan den bedwelmenden

rook van het applaudissement van het publiek, boven de werkelijke

voordeelen die mijn vriendschap hem kon aanbieden. Hij heeft zijn

geluk niet begrepen. De jongen, dien ik in zijn plaats nam, is daar

het bewijs van. Hij heeft minder verstand dan Fabricius, maar legde

zich uitsluitend op zijn betrekking toe en bekleedt nu bij ons twee

posten, waarvan de minste hem ruimschoots in staat stelt te leven

als een fatsoenlijk man, die een groot huishouden tot zijn last heeft."

De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 2 van 2 De Spaansche Avonturier · 第 54 / 98 题