Gil Blas vertrekt naar Asturië; hij reist over Valladolid, waar hij
dokter Sangrado, zijn ouden meester gaat bezoeken. Hij ontmoet bij
toeval den heer Manuel Ordonnez, administrateur van het klooster.
In den tijd, dat Scipio en ik Madrid verlieten, benoemde Paulus V
den hertog de Lerme tot kardinaal. De paus, die de inquisitie in het
koninkrijk Napels wilde instellen, bekleedde den minister met het
purper, om daardoor koning Philips voor zijn plannen te winnen. Al
wie dit nieuwe lid van het heilige college goed kenden, vonden als ik,
dat de kerk een schoone aanwinst had gedaan.
Scipio, die mij liever in een schitterende betrekking aan het hof
zag terugkeeren dan begraven in de eenzaamheid, raadde mij aan den
nieuwen kardinaal te gaan bezoeken. "Misschien," zei hij, "dat zijn
eminentie, wanneer hij u op bevel van den koning uit de gevangenis
ontslagen ziet, niet meer doet of hij gebelgd op u is en u weer in
zijn dienst terugneemt."
"Scipio," antwoordde ik hem, "je vergeet klaarblijkelijk, waarde,
dat ik de Castiliën zou verlaten. Denk je overigens, dat ik nu al
genoeg heb van mijn kasteel te Lirias? Ik heb je al gezegd en herhaal
het: wanneer de hertog de Lerme mij zijn gunsten weer zou willen
schenken, wanneer hij mij zelfs de plaats aanbood van Calderone,
zou ik weigeren. Mijn besluit is genomen, ik ga mijn ouders halen en
dan nabij Valencia wonen. Mocht het je berouwen, dat je je lot aan
het mijne hebt verbonden, dan behoef je dat maar te zeggen, ik ben
bereid om je de helft van mijn geld te geven, waarmee je in Madrid
kan blijven om verder je fortuin te maken".
"Hoe mijnheer!" zei Scipio, "denkt u dat het mij berouwt, dat ik
besloten heb u te volgen? Hoe, Scipio, die trouwe dienaar, die
gaarne de rest van zijn dagen met u zou hebben gesleten in den
toren van Ségovië, zou u niet gaarne vergezellen naar een plaats,
waar ons zooveel genot wacht! Neen mijnheer, ik denk er niet aan op
mijn besluit terug te komen. Ik moet u bekennen dat ik, toen ik dien
raad gaf u alleen maar eens heb willen polsen, om te zien of er nog
iets van de oude eerzucht in u was overgebleven. Maar ik zie, dat ge
niet meer aan grootheid zijt gehecht!"
Wij reisden in een wagen, bespannen met twee goede muilezels, gemend
door een jongen, dien ik bij mijn gevolg had gevoegd. Na eenige
dagen kwamen wij te Valladolid. Bij het gezicht van die stad kon ik
mij niet weerhouden te zuchten. Mijn metgezel vroeg, waarom ik dat
deed. "Mijn vriend", zei ik, "dat komt, omdat ik langen tijd hier
de geneeskunde heb beoefend. Ik kan er niet rustig aan denken. Mijn
geweten doet mij op dit oogenblik geheime verwijten. Wat zeg ik? Het
is mij of alle zieken, die ik vermoord heb, uit hun graven rijzen,
om mij in stukken te scheuren!"
"Wat een idee!" riep Scipio, "Waarlijk, mijnheer Santillano, ge zijt
te goed. Waarom maakt ge u er een verwijt van, dat ge uw beroep hebt
uitgeoefend? Kijk naar de oudste doktoren, hebben zij de wroeging? Wel
neen! Ze gaan steeds hun gang. Loopt een geval ongelukkig af, dan is de
natuur de schuld ervan en genezen zij iemand, dan hebben zij de eer!"
"'t Is waar," zei ik, "dat dokter Sangrado, wiens methode ik getrouw
volgde, er die manieren op nahield. Al stierven er per dag twintig
personen onder zijn handen, hij was zoo overtuigd van het heilzame van
aderlaten en van zijn drankjes, dat hij zeker was, daarmee alle ziekten
te kunnen genezen. Hij geloofde, dat de zieken alleen stierven, omdat
hij hen niet genoeg had gelaten, of dat ze te weinig geslikt hadden!"