HOOFDSTUK VIII

Scipio reist voor het eerst naar Madrid, de beweegredenen daartoe en

het gevolg ervan. Gil Blas wordt ziek en wat daaruit voortvloeide.

Indien wij soms zeggen, dat wij geen grootere vijanden hebben dan

onze dienstboden, dan moeten wij eraan toevoegen, dat we geen betere

vrienden hebben aan hen, indien ze ons trouw en genegen zijn. In Scipio

kon ik niet anders zien dan mijn tweede ik. Dus, geen onderdanigheid

meer, Gil Blas en zijn secretaris hadden één kamer, een bed en één

tafel. Hij was van een zeer goed humeur en verstand. "Mijn vriend,"

zei ik op zekeren dag tegen hem, "het schijnt me, dat het niet kwaad

zou zijn, indien ik eens aan den hertog de Lerme schreef. Wat denk

je daarvan?"

"Wel," antwoordde hij, "de groote heeren zijn niet altijd gelijk

van humeur en dus weet ik niet zeker, hoe uw brief zou worden

opgenomen. Maar ik meen, dat het in ieder geval goed zou zijn, om

hem te schrijven. Hoewel de minister veel van u houdt, moet ge niet

stilzitten. Hij moet aan u herinnerd worden. Die heeren vergeten

dikwijls de personen, van wie ze niet hooren spreken."

"Hoewel ge in het algemeen gesproken gelijk hebt," antwoordde ik

hem, "oordeel ik toch beter over mijn patroon. Zijn goedheid is mij

bekend. Ik ben er van overtuigd, dat hij medelijden heeft met mijn

toestand en onophoudelijk daaraan denkt. Hij wacht kennelijk met

mij uit de gevangenis te helpen, tot de toorn van den koning bedaard

is." "Ik hoop," zei hij, "dat ge juist over den minister oordeelt. Roep

dus zijn hulp in door een treffenden brief. Ik zal hem dien brengen en

persoonlijk ter hand stellen." Ik schreef een zeer welsprekend stuk,

dat Tordesillas zelfs boven de preeken van den aartsbisschop stelde.

Ik vleide mij, dat de hertog de Lerme door medelijden zou worden

bewogen bij het lezen van het verhaal, dat ik hem deed van den

treurigen toestand, waarin ik niet verkeerde en in dat vertrouwen liet

ik mijn koerier naar Madrid vertrekken. Hij slaagde erin dadelijk na

zijn aankomst tot den minister door te dringen en zei, terwijl hij

hem den brief gaf: "Excellentie, een van uw trouwste dienaren, die op

stroo ligt in een donker cachot van den toren te Ségovië, verzoekt u

nederig dezen brief te lezen, dien hij heeft kunnen schrijven door de

goedhartigheid van den gevangenbewaarder." De minister nam den brief

aan en las dien door. In plaats van daardoor getroffen te zijn, zei

hij met woedende stem, zóó luid dat alle personen in zijn omgeving

het konden hooren: "Zeg aan Santillano, dat ik hem wel vermetel

vind, om zich tot mij te durven wenden na de onwaardige daad, die

hij heeft bedreven en waarvoor hij rechtvaardig wordt gestraft. Het

is een ongelukkige, die niet meer op mijn steun moet rekenen en dien

ik geheel overlaat aan het oordeel van den koning."

Scipio was geschrikt door die woorden, maar hij zweeg

niet. "Excellentie, die arme gevangene zal van verdriet sterven, als

ik hem die tijding breng." De hertog antwoordde mijn pleitbezorger

niet, maar keerde hem den rug toe. Zoo behandelde de minister mij,

om beter het aandeel te kunnen verbergen, dat hij zelf had in deze

verliefde intrige van den prins. En zoo wordt dikwijls de kleine

man behandeld, wanneer hij groote heeren dient in hunne geheime en

gevaarlijke ondernemingen.

Toen mijn secretaris terug was te Ségovië en mij verteld had, hoe

hij zich van zijn opdracht had gekweten, zag ik mij opnieuw gedompeld

in den verschrikkelijken afgrond, waarin ik den eersten dag van mijn

gevangenschap had verkeerd. Ik meende, dat ik zelfs nog ongelukkiger

was, omdat ik de bescherming miste van den hertog de Lerme. Al mijn

moed was mij ontzonken, ik had groot verdriet en hoe men mij ook

trachtte op te beuren, ik begon te kwijnen en werd ernstig ziek.

De gevangenbewaarder was zoo vol deelneming, dat hij niet beter meende

te kunnen doen, dan een paar doktoren te roepen. Ik was altijd zoo

vooringenomen geweest tegen dokters, dat ik ook nu, wanneer ik nog

aan het leven gehecht was geweest, die heeren zeer slecht zou hebben

ontvangen, maar ik was het leven zoo moe, dat ik er Tordesillas

dankbaar voor was, dat hij mij in hun handen stelde.

Een van hen zei: "Mijnheer, voor alles is het noodig, dat u een

onbeperkt vertrouwen in ons hebt."

"Dat heb ik ook," antwoordde ik. "Met uw hulp ben ik er zeker van,

dat ik spoedig van al mijn kwalen zal bevrijd zijn."

Hij hernam: "Ja, met Gods hulp zult ge dat zijn. Wij zullen tenminste

ons best doen."

Nu dat deden ze ook, het ging zoo goed, dat ik kennelijk op weg was

naar de andere wereld. Tordesillas had een ouden monnik laten komen,

die mij voorbereid had op den dood en ikzelf geloofde niet anders,

of mijn laatste uur had geslagen. Ik gaf Scipio een teeken om bij mijn

bed te komen en zei met een nauwelijks hoorbare stem, zoozeer hadden

de medicijnen en aderlatingen mij verzwakt: "mijn vriend, ik laat je

den eenen zak met pistolen en verzoek je den anderen naar Asturië te

brengen naar mijn vader en moeder die, als ze nog leven, dat geld

noodig zullen hebben. Vraag of ze mij vergiffenis willen schenken

voor mijn ondankbaarheid en onverschilligheid. Leven zij niet meer,

besteed dan dat geld om den hemel om rust te laten bidden voor hunne

ziel en de mijne." Dat zeggende, reikte ik hem de hand, die hij met

zijn tranen bevochtigde, zoo bedroefd was hij. De tranen van een

erfgenaam zijn dus klaarblijkelijk niet altijd verborgen glimlachjes.

Ik wachtte niet anders dan het einde, maar het kwam niet. Nadat de

dokters mij hadden verlaten en het terrein vrij was, genas ik. De

koorts, die volgens hen mij moest wegnemen, week. Het gevolg van die

ziekte was een volmaakte kalmte van geest. Ik behoefde niet meer

getroost te worden; ik had toen de dood mij nabij was, een groote

verachting gekregen voor eer en rijkdommen en het voornemen opgevat,

om, al zou de hertog de Lerme mij terugroepen, nooit aan het hof weer

te keeren. Ik stelde mij voor, wanneer ik uit de gevangenis kwam een

hut te koopen en daarin rustig te leven.

Mijn vertrouweling juichte mijn plan toe en wilde, om de uitvoering

ervan te verhaasten, nog eens naar Madrid gaan, om mijn bevrijding te

bewerken. Hij was vroeger in dienst geweest bij de min van den prins,

die op dezen altijd nog een grooten invloed had.

De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 2 van 2 De Spaansche Avonturier · 第 49 / 98 题