Scipio komt Gil Blas opzoeken in den toren te Ségovië en deelt hem
veel nieuws mee.
Ons gesprek werd afgebroken door Tordesillas, die zei: "Mijnheer Gil
Blas, ik heb zooeven een jongeman gesproken, die zich aan de deur van
deze gevangenis aanmeldde. Hij vroeg of gij hier gevangen waart. Toen
ik aanvankelijk weigerde om aan zijn nieuwsgierigheid te voldoen, zei
hij met tranen in de oogen: 'Weiger mijn zeer onderdanig verzoek niet
en deel mij mee of de heer de Santillano hier is. Ik ben zijn eerste
bediende en gij zult een zeer goede daad verrichten, indien ge mij
wilt toestaan hem een oogenblik te zien, ge zijt in Ségovië als een
zeer edelmoedig man bekend en ik hoop, dat ge mij in de gelegenheid
zult stellen met mijn meester te spreken, die meer ongelukkig dan
schuldig is.' Om kort te gaan, die jongen heeft van mij verkregen,
dat ik hem beloofd heb, vanavond zijn verzoek te zullen inwilligen."
Ik verzekerde Tordesillas, dat hij mij geen grooter genoegen had kunnen
doen, want dat mijn bediende mij zeker zeer gewichtig nieuws had te
vertellen. Met ongeduld wachtte ik het oogenblik af, waarop ik mijn
getrouwen Scipio zou kunnen spreken, want ik twijfelde er niet aan,
of hij was het en daarin bedroog ik mij niet.
Groot was onze vreugde, toen wij elkaar weerzagen. Mijn eerste vraag
aan Scipio was, hoe hij mijn huis had achtergelaten. Hij antwoordde
mij: "U hebt geen huis meer en om u de moeite te besparen, mij
vraag voor vraag te doen, zal ik u in het kort meedeelen, wat er
bij u is gebeurd. Uw huis is geplunderd zoowel door de dienaren van
het gerecht als door uw eigen bedienden, die u als een verloren
man beschouwden en op rekening van hun loon maar meenamen wat ze
konden krijgen. Gelukkig voor u, heb ik uit hun handen twee groote
zakken met dubbele pistolen weten te redden, die ik uit uw brandkast
haalde en in veiligheid bracht bij Salero, die ze u zal teruggeven,
zoodra ge uit de gevangenis komt, waar ge wel niet lang zult blijven,
omdat ge zijt gearresteerd zonder medeweten van den hertog de Lerme."
Ik vroeg Scipio hoe hij wist, dat de minister daaraan geen deel had
gehad. "O! dat weet ik zeker. Een van mijn vrienden, die het vertrouwen
heeft van den hertog d'Uzède, heeft mij alles verteld. Calderone had
door een huisknecht vernomen, dat senora Sirena onder een anderen
naam 's nachts den prins ontving en dat de graaf de Lemos en gij
hem daarbij hadt geholpen. Hij besloot zich op u beiden en zijn
maîtresse te wreken en zocht den hertog d'Uzède op, wien hij deze zaak
meedeelde. De hertog, verheugd, dat hij zulk een schoone gelegenheid
had, om zijn vijand, den graaf de Lemos, in het verderf te storten,
verzuimde niet daarvan gebruik te maken. Hij ging naar den koning,
vertelde alles en liet niet na in levendige kleuren de gevaren te
schilderen, waaraan men den prins had blootgesteld. De koning was
woedend, liet dadelijk Sirena in een klooster opsluiten, verbande
den graaf de Lemos en veroordeelde u tot levenslange gevangenisstraf.
Op die wijze heeft zich de zaak toegedragen. Ge ziet daaruit, dat
uw ongeluk het werk is van den hertog d'Uzède, of beter gezegd van
Calderone."
Na die mededeelingen meende ik, dat de zaak wel spoedig zou worden
geschikt, omdat de eerste minister ongetwijfeld alles in het werk
zou stellen om de ballingschap van zijn neef op te heffen en hem
weer aan het hof terug te krijgen, en ik hoopte, dat hij mij bij die
gelegenheid niet zou vergeten. Wat is de hoop toch een schoone zaak! Ze
troostte mij eensklaps over het verlies van mijn goed. Wel verre van
mijn gevangenschap als een ongeluk te beschouwen, dat misschien tot
het eind van mijn dagen zou voortduren, scheen ze mij nu een middel,
waarvan de fortuin zich wilde bedienen, om mij tot een hooge betrekking
te verheffen. Ziehier hoe ik redeneerde: de eerste minister heeft aan
zijn zijde staan de meeste personen, die het vertrouwen bezitten van
den koning; met de hulp van die machtige vrienden kan hij weerstand
bieden aan al zijn vijanden, ofwel de staat kan binnenkort van uitzicht
veranderen. De koning is nl. zeer ziekelijk. Zoodra hij er niet meer
zal zijn, zal het eerste werk van den prins zijn, om den graaf de
Lemos terug te roepen, die mij van hier zal halen, om mij naar den
jongen koning te brengen, die mij overladen zal met weldaden, voor
alles wat ik ter wille van hem heb geleden.
Over Scipio was ik zoo tevreden, dat ik behoefte gevoelde hem daarvan
een bewijs te geven en ik bood hem de helft van het geld aan, dat
hij bij de plundering had weten te redden. Maar hij weigerde en zei:
"Ik verwacht van u een ander bewijs van uw erkentelijkheid. Laten
wij niet meer scheiden. Ik gevoel voor u een vriendschap, zooals
ik die nooit voor een van mijn vorige meesters heb gekend." "En ik,
mijn zoon, kan je verzekeren, dat het wederkeerig is. Van het eerste
oogenblik af aan, dat ik je zag, had ik schik in je. Ik denk, dat we
allebei onder Weegschaal of Tweelingen zijn geboren, wat, naar men
zegt, de gesternten zijn, die de menschen verbinden." Gaarne stemde
ik dus toe en wij besloten samen den gevangenbewaarder te vragen
of Scipio zich met mij mocht laten opsluiten, met het recht nu en
dan eens naar Madrid te gaan, om te zien, hoe de zaken stonden. De
welwillende man was zoo vriendelijk mij deze gunst niet te weigeren.