HOOFDSTUK VII

Scipio komt Gil Blas opzoeken in den toren te Ségovië en deelt hem

veel nieuws mee.

Ons gesprek werd afgebroken door Tordesillas, die zei: "Mijnheer Gil

Blas, ik heb zooeven een jongeman gesproken, die zich aan de deur van

deze gevangenis aanmeldde. Hij vroeg of gij hier gevangen waart. Toen

ik aanvankelijk weigerde om aan zijn nieuwsgierigheid te voldoen, zei

hij met tranen in de oogen: 'Weiger mijn zeer onderdanig verzoek niet

en deel mij mee of de heer de Santillano hier is. Ik ben zijn eerste

bediende en gij zult een zeer goede daad verrichten, indien ge mij

wilt toestaan hem een oogenblik te zien, ge zijt in Ségovië als een

zeer edelmoedig man bekend en ik hoop, dat ge mij in de gelegenheid

zult stellen met mijn meester te spreken, die meer ongelukkig dan

schuldig is.' Om kort te gaan, die jongen heeft van mij verkregen,

dat ik hem beloofd heb, vanavond zijn verzoek te zullen inwilligen."

Ik verzekerde Tordesillas, dat hij mij geen grooter genoegen had kunnen

doen, want dat mijn bediende mij zeker zeer gewichtig nieuws had te

vertellen. Met ongeduld wachtte ik het oogenblik af, waarop ik mijn

getrouwen Scipio zou kunnen spreken, want ik twijfelde er niet aan,

of hij was het en daarin bedroog ik mij niet.

Groot was onze vreugde, toen wij elkaar weerzagen. Mijn eerste vraag

aan Scipio was, hoe hij mijn huis had achtergelaten. Hij antwoordde

mij: "U hebt geen huis meer en om u de moeite te besparen, mij

vraag voor vraag te doen, zal ik u in het kort meedeelen, wat er

bij u is gebeurd. Uw huis is geplunderd zoowel door de dienaren van

het gerecht als door uw eigen bedienden, die u als een verloren

man beschouwden en op rekening van hun loon maar meenamen wat ze

konden krijgen. Gelukkig voor u, heb ik uit hun handen twee groote

zakken met dubbele pistolen weten te redden, die ik uit uw brandkast

haalde en in veiligheid bracht bij Salero, die ze u zal teruggeven,

zoodra ge uit de gevangenis komt, waar ge wel niet lang zult blijven,

omdat ge zijt gearresteerd zonder medeweten van den hertog de Lerme."

Ik vroeg Scipio hoe hij wist, dat de minister daaraan geen deel had

gehad. "O! dat weet ik zeker. Een van mijn vrienden, die het vertrouwen

heeft van den hertog d'Uzède, heeft mij alles verteld. Calderone had

door een huisknecht vernomen, dat senora Sirena onder een anderen

naam 's nachts den prins ontving en dat de graaf de Lemos en gij

hem daarbij hadt geholpen. Hij besloot zich op u beiden en zijn

maîtresse te wreken en zocht den hertog d'Uzède op, wien hij deze zaak

meedeelde. De hertog, verheugd, dat hij zulk een schoone gelegenheid

had, om zijn vijand, den graaf de Lemos, in het verderf te storten,

verzuimde niet daarvan gebruik te maken. Hij ging naar den koning,

vertelde alles en liet niet na in levendige kleuren de gevaren te

schilderen, waaraan men den prins had blootgesteld. De koning was

woedend, liet dadelijk Sirena in een klooster opsluiten, verbande

den graaf de Lemos en veroordeelde u tot levenslange gevangenisstraf.

Op die wijze heeft zich de zaak toegedragen. Ge ziet daaruit, dat

uw ongeluk het werk is van den hertog d'Uzède, of beter gezegd van

Calderone."

Na die mededeelingen meende ik, dat de zaak wel spoedig zou worden

geschikt, omdat de eerste minister ongetwijfeld alles in het werk

zou stellen om de ballingschap van zijn neef op te heffen en hem

weer aan het hof terug te krijgen, en ik hoopte, dat hij mij bij die

gelegenheid niet zou vergeten. Wat is de hoop toch een schoone zaak! Ze

troostte mij eensklaps over het verlies van mijn goed. Wel verre van

mijn gevangenschap als een ongeluk te beschouwen, dat misschien tot

het eind van mijn dagen zou voortduren, scheen ze mij nu een middel,

waarvan de fortuin zich wilde bedienen, om mij tot een hooge betrekking

te verheffen. Ziehier hoe ik redeneerde: de eerste minister heeft aan

zijn zijde staan de meeste personen, die het vertrouwen bezitten van

den koning; met de hulp van die machtige vrienden kan hij weerstand

bieden aan al zijn vijanden, ofwel de staat kan binnenkort van uitzicht

veranderen. De koning is nl. zeer ziekelijk. Zoodra hij er niet meer

zal zijn, zal het eerste werk van den prins zijn, om den graaf de

Lemos terug te roepen, die mij van hier zal halen, om mij naar den

jongen koning te brengen, die mij overladen zal met weldaden, voor

alles wat ik ter wille van hem heb geleden.

Over Scipio was ik zoo tevreden, dat ik behoefte gevoelde hem daarvan

een bewijs te geven en ik bood hem de helft van het geld aan, dat

hij bij de plundering had weten te redden. Maar hij weigerde en zei:

"Ik verwacht van u een ander bewijs van uw erkentelijkheid. Laten

wij niet meer scheiden. Ik gevoel voor u een vriendschap, zooals

ik die nooit voor een van mijn vorige meesters heb gekend." "En ik,

mijn zoon, kan je verzekeren, dat het wederkeerig is. Van het eerste

oogenblik af aan, dat ik je zag, had ik schik in je. Ik denk, dat we

allebei onder Weegschaal of Tweelingen zijn geboren, wat, naar men

zegt, de gesternten zijn, die de menschen verbinden." Gaarne stemde

ik dus toe en wij besloten samen den gevangenbewaarder te vragen

of Scipio zich met mij mocht laten opsluiten, met het recht nu en

dan eens naar Madrid te gaan, om te zien, hoe de zaken stonden. De

welwillende man was zoo vriendelijk mij deze gunst niet te weigeren.

De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 2 van 2 De Spaansche Avonturier · 第 48 / 98 题