Geschiedenis van don Gaston de Cogollos en van dona Helena de Galisteo.
Het zal weldra vier jaar geleden zijn, dat ik uit Madrid vertrok om te
Coria dona Eléonor de Laxarilla te bezoeken, mijn tante, een van de
rijkste weduwen van Oud-Castilië en die geen andere erfgenamen heeft
dan mij. Nauwelijks was ik er aangekomen, of de liefde kwam mijn rust
verstoren. Zij gaf mij een kamer, waarvan de vensters uitzagen op de
kamer van een dame, die daar tegenover woonde en die zoo schoon was,
dat ze dadelijk een diepen indruk op mij maakte. Door de taal der
oogen en zelfs door gebaren, trachtte ik haar dat duidelijk te maken;
zij bemerkte dat wel, maar was er niet het meisje naar, om daarop
te antwoorden.
Ik wilde den naam van deze schoone weten en vernam, dat zij dona Helena
heette en de eenige dochter was van don Georges de Galisteo, die een
landgoed bezat op eenige mijlen afstand van Coria, dat aanzienlijke
inkomsten afwierp. Reeds dikwijls hadden zich partijen voor haar
voorgedaan, maar haar vader had die alle afgeslagen, omdat hij van plan
was haar uit te huwelijken aan don Augustin de Olighera, haar neef,
die in afwachting van dit huwelijk de vrijheid had haar iederen dag
te bezoeken. Dat ontmoedigde mij niet; integendeel, ik werd nog meer
verliefd en ging voort haar vurige blikken toe te werpen. Smeekend keek
ik ook Félicia aan, haar kamenier, als om haar hulp in te roepen; maar
't was alles te vergeefs. Zij bleven wreed en ontoegankelijk voor mij.
Daar zij weigerden om op de taal van mijn oogen te antwoorden,
nam ik mijn toevlucht tot andere middelen. Ik liet onderzoeken,
welke kennissen Félicia in de stad had en vernam, dat zij dikwijls
een oude dame bezocht, Théodora. Verheugd over die ontdekking ging
ik daar zelf een bezoek brengen en door geschenken wist ik van haar
belofte te krijgen, dat ik den volgenden dag een onderhoud in haar
huis zou kunnen hebben met de kamenier.
Op den bepaalden tijd vond ik haar daar en ik drukte er mijn
groote vreugde over uit, dat ik haar kon spreken. Ze antwoordde me:
"Mijnheer, mijn vriendin Théodora kan veel van mij gedaan krijgen. Ze
stelt belang in u en als ik iets voor u zou kunnen doen, dan zou mij
dat aangenaam wezen, maar met den besten wil geloof ik niet, dat ik
u van veel dienst kan zijn. Ge moet u niet met hoop vleien, ge hebt
nooit voor een moeilijker onderneming gestaan. Ge bemint een dame,
bestemd voor een ander en welk een dame! Eene, die zoo trotsch is,
dat wanneer ze al door uw zuchten zou worden bewogen, ze het toch
niet zou laten merken."
"Mijn beste Félicia!" riep ik smartelijk. "Waarom schildert ge mij die
moeilijkheden zoo onoverkomelijk af? Misleid me liever, dan dat ge mij
wanhopig maakt." Bij die woorden greep ik haar handen en schoof haar
een diamant aan den vinger van driehonderd pistolen. Daarna sprak ik
zoo tot haar, dat ze tot tranen toe werd bewogen.
Ze was te aangedaan en te dankbaar, om mij troosteloos te laten en
scheen de zaak eenigszins lichter te gaan inzien. "Mijnheer, misschien
behoeft u niet alle hoop te worden ontnomen. Uw medeminnaar wordt
wel niet door haar gehaat. Hij komt zijn nicht vrij bezoeken. Hij
spreekt met haar, wanneer het hem behaagt en dat is in uw voordeel. De
gewoonte om alle dagen samen te zijn, maakt hun onderhoud een weinig
kwijnend. En het schijnt mij, dat ze zonder smart van elkaar scheiden
en elkaar zonder genoegen weerzien. Men zou zeggen, dat ze reeds
getrouwd zijn. In één woord, mijn meesteres heeft geen levendigen
hartstocht voor don Augustin. Overigens is er, wat persoonlijke
hoedanigheden betreft, tusschen u en hem een verschil, dat niet
onopgemerkt kan blijven voor een zoo fijngevoelig meisje als dona
Helena. Geef den moed dus niet op. Ik zal doen, wat ik kan."
Wij scheidden, beiden zeer voldaan over dit onderhoud. Ik bleef dus de
dochter van don George verliefde blikken toewerpen en bracht haar zelfs
een serenade, waarbij ik de verzen zong, die ge zooeven hebt gehoord.
Om haar eens te polsen, vroeg de kamenier aan haar meesteres, hoe haar
dat lied was bevallen. Dona Helena antwoordde: "Naar die stem heb
ik met genoegen geluisterd." "En de woorden, hebben die u niet zeer
getroffen?" "Daar heb ik in het geheel geen acht op geslagen. Ik heb
alleen naar den zang geluisterd, het vers is mij onverschillig evenals
de man, die mij deze serenade heeft gebracht." Félicia zei: "Dat is
dan een misrekening voor dien armen don Gaston de Cogollos en 't is
dwaas van hem, om dan altijd zoo naar onze ramen te zien." Op koelen
toon antwoordde de meesteres: "Misschien is hij het niet, mogelijk
wel een ander, die mij op zulke wijze zijn liefde verklaart." "Neen"
zei de kamenier, "'t is niemand anders dan don Gaston. Daarvoor heeft
hij mij ook van morgen in de straat aangehouden. Hij heeft mij verzocht
u te willen zeggen, dat hij u aanbidt en dat hij zich de gelukkigste
van alle stervelingen zou achten, indien ge hem wildet vergunnen u
zijn hulde te betuigen."
De dochter van Don George keek haar dienstbode zeer streng aan en zei:
"Ge zoudt beter gedaan hebben, indien ge mij niet van dit ongepast
onderhoud had gesproken. Laat het niet weer gebeuren, dat ge met
dergelijke mededeelingen bij mij komt, en als die vermetele jonge man
nog eens tot u durft spreken, gelast ik u hem te zeggen, dat hij zich
maar tot andere dames moet wenden, die misschien van galante avonturen
houden en dat hij nuttiger bezigheid zoeke dan den geheelen dag door
het raam te kijken, naar hetgeen ik in mijn kamers doe."
Dat alles werd mij getrouw oververteld door Félicia, toen ik een tweede
onderhoud met haar had. Ze beweerde echter, dat ik mij niet moest laten
ontmoedigen door de woorden van hare meesteres. Maar ik meende, dat ik
die toch moeilijk in mijn voordeel kon uitleggen. Zij lachte om mijn
sombere beschouwingen, vroeg papier en inkt aan haar vriendin en zei:
"Mijnheer, schrijf dadelijk als wanhopige geliefde een brief aan dona
Helena. Schilder haar levendig uw lijden en beklaag u vooral over het
verbod, om aan uw vensters te verschijnen. Beloof, dat ge haar zult
gehoorzamen, maar dat het u het leven zal kosten. Richt dien brief maar
in, zooals gij heeren dat zoo goed kunt en ik belast mij met de rest."
Ik stelde zulk een brief samen en las hem Félicia voor, die glimlachend
opmerkte, dat indien vrouwen al den slag bezaten om mannen het
hoofd op hol te jagen, de mannen op hun beurt de kunst verstonden,
om vrouwen te verlokken. Zij nam mijn brief, verzekerde mij, dat het
niet aan haar zou liggen, wanneer die geen goede uitwerking had en
zei me, dat ik ervoor moest zorgen, gedurende eenige dagen mijn ramen
gesloten te houden.
Toen zij weer thuiskwam, zei ze tegen dona Helena: "Ik heb don Gaston
ontmoet. Hij hield mij dadelijk aan en vroeg met bevende stem en
als een schuldige, die zijn vonnis afwacht, of ik u over hem had
gesproken. Toen heb ik hem uw antwoord op brutalen toon meegedeeld
en hem op straat laten staan." "'t Is goed," zei dona Helena, "dat
ge mij op die wijze van dien man hebt bevrijd; maar het was niet
noodig op brutalen toon tot hem te spreken. Een meisje moet altijd
zacht blijven." De kamenier antwoordde: "Men ontdoet zich niet van een
hartstochtelijk minnaar door zachte woorden te gebruiken. 't Is zelfs
dikwijls niet genoeg, als men op driftigen toon spreekt. Dat is hier
gebleken, want toen ik terugkwam van de boodschappen, die ik voor u
had gedaan, stond hij mij op te wachten. Zijn gezicht echter was zóó
ontdaan, dat ik, hoewel ik anders nooit om mijn woorden verlegen ben,
nu niet spreken kon. Hij duwde mij haastig dit briefje in de hand
en verdween".
Félicia overhandigde daarop hare meesteres mijn brief, dien zij aannam
als om zich er mee te vermaken en hem las. Daarop werd ze eenige
oogenblikken stil. "Waarlijk Félicia, 't is dwaas genoeg geweest dien
brief aan te nemen. Wat moet don Gaston daarvan denken? En wat moet
ikzelf gelooven? Misschien verbeeldt hij zich op dit oogenblik wel,
dat ik zijn brief lees en herlees. Aan die schande heb je mij door
je handelwijze blootgesteld." De kamenier antwoordde: "O neen, die
gedachte zal hij niet hebben en indien hij haar al had, dan zou hij er
toch niet lang genoegen van hebben, want den eersten den besten keer,
dat ik hem zie, zal ik hem zeggen, dat ge zijn brief minachtend hebt
aangekeken en daarna verscheurd, zonder hem te hebben gelezen". "Je
kunt er gerust op zweren, dat ik hem niet gelezen heb. Ik zou er
geen twee woorden van kunnen herhalen." Ten slotte verbood zij haar
kamenier verder tot haar over mij te spreken.
Daar ik beloofd had, niet meer aan mijn raam te zullen komen, hield
ik mijn jaloezieën gedurende eenige dagen gesloten. Maar intusschen
bereidde ik mijn wreede Helena een nieuwe serenade voor. Ik had enige
muzikanten geëngageerd en begaf mij 's avonds laat met hen onder
haar balkon. Reeds stemden ze hunne guitaren, toen een ridder met
een degen in de hand op ons toesnelde, rechts en links om zich heen
sloeg en de muzikanten op de vlucht joeg. Zijn woede wekte de mijne
op. Ik naderde hem en er volgde een hevig gevecht. Dona Helena en
haar kamenier hadden het geluid van de degens gehoord en keken door
haar jalouzieën naar buiten. Toen ze het gevecht zagen, uitten ze
angstkreten, waarop don George en zijn bedienden naar buiten snelden,
om de vechtenden te scheiden. Maar zij kwamen te laat, en vonden op
het terrein van den strijd slechts één ridder, badende in zijn bloed
en bijna zonder leven. Die ongelukkige was ik. Men droeg mij binnen in
het huis van mijn tante en de bekwaamste chirurgijns werden geroepen.
Iedereen beklaagde mij en inzonderheid dona Helena, die nu een blik
gaf in haar hart. Met haar kamenier bracht zij het overige gedeelte
van den nacht door met weenen en met het verwenschen van haar neef,
don Augustijn, in wien zij den dader vermoedde en die dan ook werkelijk
onze serenade op zulk een onaangename wijze had gestoord. Hij scheen
opgemerkt te hebben, dat ik zijn nicht het hof maakte, geloofde,
dat zij daarvan was gediend en had nu op deze wijze getoond, dat hij
niet zoo onverschillig was, als men wel vermoedde.
Intusschen werd het treurige ongeval gevolgd door een heugelijke
gebeurtenis, die het spoedig deed vergeten. Hoe gevaarlijk ik ook
gewond was, ik herstelde en mijn tante had een onderhoud met don
George, waarbij ze hem voor mij de hand van zijn dochter vroeg. Hij
stemde daarin toe, omdat hij don Augustijn beschouwde als een man, dien
hij waarschijnlijk wel nooit meer zou terugzien. De goede grijsaard
was echter bang, dat zijn dochter er iets op tegen zou hebben omdat
ze haar neef d'Olighera zoo veel had gezien, maar zij bleek geheel
bereid haars vaders wensch op te volgen waaruit men kan opmaken dat
in Spanje evenals overal elders de nieuw-aangekomenen een streepje
voor hebben bij de vrouwen.
Zoodra het kon, had ik een gesprek gehad met Félicia en van haar
vernomen hoe hare meesteres getreurd had over het ongeluk, dat mij
was overkomen. Ik kon er niet aan twijfelen, of ik was de Paris van
mijn Helena geworden en zegende mijn wond, omdat die zulke gelukkige
gevolgen had gehad voor mijn liefde.
Van don George kreeg ik toestemming om met zijn dochter te spreken in
tegenwoordigheid van haar kamenier. Wat was dat onderhoud heerlijk
voor mij! Ik drong er bij haar op aan mij te zeggen of ik dit geluk
alleen had te danken aan haar gehoorzaamheid aan haar vader. Zij
verzekerde mij, dat dit niet het geval was en nu volgde voor mij
een zeer gelukkige tijd. Onze bruiloft zou een groot feest zijn,
waarop de geheele adel van Coria en omstreken zou schitteren. Voor
dien tijd gaf ik een partij op een landgoed, dat mijn tante buiten
de stad bezat. Terwijl wij aan tafel zaten, kwam een man in de zaal,
die mij voor een zeer gewichtige zaak te spreken vroeg. Ik volgde
den onbekende, die het uiterlijk had van een kamerdienaar en mij een
brief gaf van den volgenden inhoud:
"Indien de eer u dierbaar is, zooals ze het moet zijn aan alle ridders
van uw orde, dan zult ge u morgenochtend bevinden op het plein van
Manroi. Ge zult er een ridder vinden, die u rekenschap zal geven van
de beleediging, die hij u heeft aangedaan en u, indien het kan, buiten
staat zal stellen, om dona Helena te huwen. Don Augustin de Olighera".
Heeft de liefde veel macht over de Spanjaarden, de wraak nog meer. Ik
las dien brief niet met een rustig hart. Bij het zien van den naam
Augustin had ik bijna de plichten vergeten, welke mij dien dag aan mijn
gasten bonden. Het liefst was ik dadelijk mijn vijand gaan opzoeken,
maar ik kon het feest niet verstoren en zei daarom tot den man:
"Mijn vriend, ge kunt aan den ridder, die u gezonden heeft, zeggen,
dat mijn lust om hem weer te zien zoo groot is, dat ik morgen voor
zonsopgang op het door hem aangewezen terrein zal zijn."
Daarna ging ik naar mijn gasten terug, nam mijn plaats aan tafel weer
in en wist mij zoo goed te beheerschen, dat niemand iets merkte van
hetgeen er in mij omging. Als alle anderen nam ik deel aan het feest,
dat tegen middernacht geëindigd was. Toen het gezelschap uiteenging
bleef ik in het landhuis, onder voorwendsel den volgenden morgen
een wandeling te willen doen in de frissche lucht, maar het was
alleen om vroeger op de plaats van samenkomst te zijn. In plaats
van te gaan slapen, wachtte ik met ongeduld het aanbreken van den
dag af. Zoodra die verscheen, besteeg ik mijn beste paard en vertrok
geheel alleen. Ik reed in de richting van Manroi en zag een ruiter
naderen. Het was mijn medeminnaar, die, toen hij bij mij was, zei:
"Het doet mij leed, dat ik voor de tweede maal met u moet samenkomen;
maar de schuld daarvan is aan u. Na het avontuur met de serenade,
hadt ge er van moeten afzien, om te trachten de gunst van de dochter
van Don George te verwerven." Ik antwoordde: "ge zijt wel trotsch op
een voordeel, dat ge misschien minder aan uw behendigheid dan wel
aan de duisternis van den nacht hebt te danken." Ik sprong daarbij
op den grond, don Augustin volgde mijn voorbeeld en wij bonden onze
paarden aan een boom. Verwoed vielen wij op elkaar aan. Hoewel ik een
geoefend schermer was, moet ik zeggen, dat ik met een vijand te doen
had, die zijn wapen beter meester was dan ik. Maar gelijk de sterkere
dikwijls wordt overwonnen door den zwakkere, zoo ging het ook hier. Ik
wist mijn tegenstander in het hart te treffen en hij viel dood neer.
Dadelijk keerde ik naar het landhuis terug, waar ik aan mijn
kamerdienaar, op wiens trouw ik rekenen kon, het gebeurde meedeelde,
hem gelastte het beste paard te nemen en dadelijk mijn tante op de
hoogte te brengen van dit avontuur. Ik zei hem, dat hij haar namens
mij om goud en edelgesteenten moest vragen, om mij dat te brengen te
Placencia, waar hij me vinden zou in het eerste hotel bij den ingang
van de stad.
Mijn bediende, Ramire, kweet zich zoo vlug van die taak, dat hij
reeds drie uren na mij in Placencia aankwam. Hij zei me, dat dona
Eléonor meer verheugd dan bedroefd was over dezen strijd, die mij eens
genoegdoening had gegeven na de beleediging door mij ondervonden en
ik ontving een groot bedrag aan goud en edelgesteenten, om aangenaam
te kunnen reizen, totdat mijn zaak zou zijn geschikt.
Ik reisde naar Valencia en scheepte mij te Denia in, om naar Italië
te gaan. Helena betreurde mijn afwezigheid en terwijl de familie van
Olighera pogingen aanwendde om mij te vinden, verlangde zij naar mijn
terugkeer. Reeds was ik zes maanden weg, toen een edelman van de kust
van Galicië, don Blas de Combados te Coria kwam, om een erfenis te
ontvangen, die hem vruchteloos werd betwist door don Miguel de Caprara,
zijn neef.
Combados was een knap man, hij was beleefd en geestig en verkeerde
weldra met de voorname families in de stad.
Hij wist, dat don George een dochter had, wier schoonheid tot nu toe
de mannen slechts tot hun ongeluk in liefde had doen ontvlammen. Dit
prikkelde zijn nieuwsgierigheid, hij wilde die dame zien. Hij
zocht daarom met den vader op een vriendschappelijken voet te
komen en slaagde daarin zoo goed, dat de grijsaard hem toestond
zijn huis te bezoeken en met zijn dochter te spreken. De Galiciër
werd dadelijk verliefd, dat was onvermijdelijk. Don George ontving
zijn aanzoek gunstig, maar wilde zijn dochter niet dwingen, hij liet
haar meesteres over haar hand. Combados deed, wat hij kon om haar te
behagen, maar zij bleef ongevoelig voor zijn hulde en dacht slechts aan
mij. Félicia, die ook door den nieuwen minnaar was omgekocht, wendde
al haar behendigheid in zijn voordeel aan, don George ondersteunde
diens pogingen, maar dona Helena bleef mij trouw.
Combados, die zag dat alle pogingen tot nu toe vergeefsch waren
geweest, stelde een ander middel voor. Hij bedacht het volgende plan:
een koopman te Coria zou een brief omtvangen van een handelsvriend in
Italië, waarin na eenige mededeelingen betreffende zaken, te lezen zou
zijn: "Sinds korten tijd is aan het hof te Parma een Spaansch edelman
aangekomen, don Gaston de Cogollos genaamd. Hij zegt, dat hij de neef
en eenige erfgenaam is van een rijke weduwe, die te Coria woont onder
den naam van dona Eléonor de Laxarilla. Hij doet aanzoek om de hand
van de dochter van een voornaam heer, maar men wil hem die niet geven
zonder eerst geïnformeerd te hebben. Bericht mij dus, of ge dien don
Gaston kent en waarin het vermogen van zijn tante bestaat. Uw antwoord
zal beslissend zijn voor dit huwelijk. Schrijf naar Parma enz. enz."
Dit bedrog scheen den grijsaard een list, wel geoorloofd van een
verliefde en Félicia, die nog minder nauwgezet was, juichte het zeer
toe. De uitvinding scheen daarom te beter, omdat zij Helena kende als
een trotsch meisje, die in staat was oogenblikkelijk een besluit te
nemen, indien zij vermoeden had, dat men haar ontrouw was geworden. Don
George belastte zich er zelf mee, om haar op de hoogte te brengen en
om de zaak nog natuurlijker te maken, zou men haar laten spreken met
den koopman, die den nagemaakten brief zou hebben ontvangen.
De oude edelman zei dus tegen haar: "Mijn dochter, ik behoef wel niet
meer te zeggen, dat onze familieleden mij alle dagen verzoeken om
nooit toe te staan, dat de moordenaar van don Augustin mijn schoonzoon
wordt. Heden heb ik een nog meer overwegende reden om u te zeggen
niet meer aan don Gaston te denken. Hij is een trouwelooze! Ziehier
een zeker bewijs daarvan. Lees dezen brief, dien een koopman te Coria
uit Italië heeft ontvangen."
De toeleg gelukte. Helena weende eerst een oogenblik, maar haar
trotschheid kwam spoedig boven, ze zei, dat ze mij verachtte en bereid
was om Combados naar het altaar te volgen. Don George was zeer verheugd
en Combados overgelukkig.
Zonder te hooren naar de stem der liefde, die voor mij in haar hart
sprak, had ze mijn medeminnaar haar hand gereikt. Eenige dagen na
het huwelijk begon ze zichzelf wel te verwijten, dat ze overijld had
gehandeld en rees het vermoeden bij haar op, dat die brief misschien
bedrog was, maar haar echtgenoot liet haar niet veel tijd om daarover
te denken. Hij had er den slag van een reeks vermaken uit te vinden,
om haar te verstrooien.
Zoo leefden zij in een gelukkig huwelijk, toen mijn tante erin slaagde
om mijn zaak met de bloedverwanten van don Augustin te schikken. Ze
schreef mij dat dadelijk naar Italië en ik keerde onmiddellijk
terug. Dona Eléonor, die mij het huwelijk van Helena niet per brief
had meegedeeld, stelde mij bij mijn aankomst daarvan in kennis. Ze zag
welk een diepen indruk die tijding op mij maakte en zei: "Betreur het
verlies van een meisje niet, dat u niet trouw is kunnen blijven, ze
heeft daardoor getoond, dat ze niet waard is, dat ge aan haar denkt."
Daar mijn tante niet wist, dat men Helena bedrogen had, kon ze
mij zeker geen wijzeren raad geven. Ik nam mij dan ook voor dien
te volgen, of mij althans onverschillig te houden, indien ik mijn
hartstocht niet kon overwinnen. Maar ik kon geen weerstand bieden
aan de nieuwsgierigheid om te weten te komen op welke wijze dit
huwelijk was tot stand gekomen en bezocht daarom de oude Théodora,
van wie ik reeds heb gesproken. Toevallig vond ik bij haar Félicia,
die in het geheel niet had verwacht mij weer te zien en dadelijk
wilde vertrekken, om eenige opheldering te voorkomen. Maar ik liet
haar niet gaan en met moeite gelukte het mij van haar een bekentenis
te krijgen van alles wat er was gebeurd. Zij zag, dat ik wanhopig was
en om mij te troosten beloofde zij mij weder haar hulp. Ik zal u het
verhaal besparen van al wat wij deden om Helena te bewegen mij een
onderhoud toe te staan. Toen Combados voor een paar dagen ging jagen
op een van zijn landgoederen, ontving ze mij 's avonds.
Ik wilde het gesprek beginnen met verwijten, maar zij sloot mij
den mond en zei: "'t Is onnoodig ons het verleden te herinneren. Wij
behoeven elkaar niet treurig te stemmen. In dit onderhoud heb ik alleen
toegestemd, om u persoonlijk te kunnen zeggen, dat ge voortaan niet
meer aan mij moet denken. Misschien zou ik meer tevreden zijn met
mijn lot, indien het aan het uwe verbonden was, maar de hemel heeft
het anders gewild en ik moet zijn besluiten gehoorzamen."
Ik riep uit: "Hoe mevrouw! Is het niet voldoende, dat ik moet
toezien hoe een ander u bezit, moet ik u ook nog uit mijn gedachten
verbannen! Denkt ge, dat zoo iets mogelijk is bij een man, die eens
uw liefde heeft bezeten? Ge wilt mij mijn liefde ontnemen, het eenige
wat waarde voor mij heeft."
"Ik heb u slechts een kort woord te zeggen," hernam zij op beslisten
toon, "de echtgenoote van don Blas de Combados zal nooit de minnares
worden van don Gaston. Bedenk dat wel. Laten wij dit onderhoud thans
eindigen. Niettegenstaande de zuiverheid van mijne bedoelingen, verwijt
ik dat mijzelf en het zou misdadig zijn het voort te zetten." Bij die
woorden, die mij alle hoop ontnamen, viel ik voor haar op de knieën,
maar ik smeekte vruchteloos; de plicht ging bij haar vóór alles. Een
gevoel van woede maakte zich van mij meester, ik trok mijn degen
en wilde mijzelf doorsteken. Maar zij wierp zich op mij en riep:
"Houd op! Denkt ge niet aan mijn naam? Door u hier van het leven te
berooven, ontneemt ge mij mijn eer en mijn echtgenoot zou voor uw
moordenaar doorgaan."
Ik wilde echter niet naar hare woorden luisteren en zou misschien mijn
noodlottig voornemen hebben volvoerd, indien don Blas de Combados niet
verschenen was. Deze was verwittigd geworden van het onderhoud, dat
wij zouden hebben, was daarom niet naar buiten gegaan en had gehoord,
wat wij hadden gesproken. Hij hield mijn arm vast en zei: "Don Gaston,
denk aan de plaats, waar ge u bevindt. Geef niet toe aan het gevoel
van wanhoop, dat u op 't oogenblik bezielt!" Ik viel Combados in de
rede: "Moet gij me van mijn besluit afbrengen? Ge moest mij liever
zelf een dolk in het hart stooten. Mijne liefde, hoe ongelukkig die
ook zijn moge, is voor u een beleediging. Is het niet voldoende,
dat ge mij 's avonds laat in het vertrek van uw vrouw vindt? Is er
nog meer noodig om uw lust naar wraak op te wekken? Doorsteek mij en
ontdoe u zoo van een man, die alleen door te sterven, kan ophouden
dona Helena te aanbidden!"
Don Blas antwoordde mij: "Ge beproeft tevergeefs op mijn eergevoel
te werken, om mij te bewegen u te dooden. Ge zijt al genoeg gestraft
voor uw vermetelheid en mijn echtgenoot ben ik zoo dankbaar voor
hare deugdzame gevoelens, dat ik haar geen verwijt kan maken van dit
samenzijn met u. Geloof mij Gogollos, wees niet wanhopig als een zwak
man, maar onderwerp u met moed aan een harde noodzakelijkheid!"
Door deze en dergelijke woorden wist de voorzichtige man werkelijk
mijn woede en wanhoop te doen bedaren. Ik ging weg met het plan mij
van Helena te scheiden en van de plaats, waar zij woonde. Dus vertrok
ik twee dagen later naar Madrid, waar ik aan het hof verscheen
en vele vrienden kreeg. Maar ik had het ongeluk mij inzonderheid
te hechten aan den markies de Villaréal, een Portugees van veel
invloed, die verdacht werd Portugal te hebben willen bevrijden
van de Spaansche heerschappij. Hij werd daarom naar het kasteel van
Alicante gevoerd. Daar de hertog de Lerme wist, dat ik in nauwe relatie
stond met dien heer, heeft hij mij ook laten oplichten en naar hier
brengen. De minister verdenkt mij, dat ik medeplichtig zou zijn aan
zulk een plan. Dat is een gevoelige beleediging, die hij een edelman
en Spanjaard aandoet".
Hier hield don Gaston op met spreken, waarna ik om hem te troosten zei:
"Uw eer wordt niet geschaad door de ongenade, waarin ge zijt gevallen
en alles zal zich zeker ten goede keeren. Wanneer de hertog de Lerme
zal weten, dat ge onschuldig zijt, zal hij u ongetwijfeld in uw eer
herstellen en u een aanzienlijke betrekking geven, om u schadeloos
te stellen."