Van de overdenkingen, die hij dien nacht had, voor hij insliep en
van het geluid, dat hem wekte.
Twee uur minstens bracht ik door met na te denken over hetgeen
Tordesillas mij had gezegd. Ik was daar dus, omdat ik bijgedragen had
tot het plezier van den erfgenaam der kroon! Welk een onvoorzichtigheid
ook, om zulk een dienst te hebben bewezen aan zoo'n jongen prins! Want
in zijn jeugd alleen bestond geheel mijn misdaad. Indien hij wat ouder
geweest was, zou de koning gelachen hebben, in plaats van zoo vertoornd
te zijn zooals nu. Maar wie zou den koning het geheim hebben ontdekt?
Tot dit laatste punt kwamen mijn gedachten altijd maar weer
terug. Vervolgens begon ik er aan te denken. Al die opeenvolgende
gedachten, de vermoeienis, het eten, de wijn, het een met het ander
deden mij in een diepen slaap vallen, die zeker tot den dag zou hebben
geduurd, indien ik niet was wakker gemaakt door een in de gevangenis
ongewoon geluid. Ik hoorde een stem, begeleid door een guitaar. Ik
luisterde met aandacht en hoorde niets meer, zoodat ik dacht gedroomd
te hebben, maar een oogenblik later werd mijn oor opnieuw getroffen
door hetzelfde instrument en door de stem, die ik zooeven had
gehoord. Ik kon thans de woorden duidelijk verstaan. Ze luidden:
Ay de my! un anno felice
Parece un soplo ligero;
Perô sin dicha un instante
Es un siglo de tormento.
Dat scheen opzettelijk voor mij te zijn vervaardigd. Ik gevoelde
maar al te zeer de waarheid van die woorden. De tijd van mijn geluk
was snel voorbijgegaan en het was mij, of ik nu al bijna een eeuw
in de gevangenis zuchtte. Het daglicht stemde mij wat rustiger. Ik
opende mijn raam en vond het uitzicht lang zoo prachtig niet als mijn
gastheer het mij had afgeschilderd den vorigen avond.
Toen ik bezig was mij te kleeden, kwam Tordesillas binnen, gevolgd
door een oude dienstbode, die mij handdoeken, hemden en ander linnen
bracht. "En hoe hebt ge den nacht doorgebracht? Hebt ge nog wat kunnen
slapen?" vroeg hij. "Ik zou misschien nog slapen," antwoordde ik hem,
"als ik niet gewekt was geworden door een stem begeleid door een
guitaar." Hij hernam: "De heer, die uw rust heeft gestoord, is een
staatsgevangene, die zijn kamer naast de uwe heeft. Hij heet don
Gaston de Cogollos, is ridder van de militaire orde van Calatrava en
een zeer beminnelijk man. Ge kunt elkaar bezoeken en samen eten. Dat
is voor u beiden een troost".
Ik betuigde mijn vriendelijken gevangenbewaarder mijn dank voor zijn
welwillendheid en maakte denzelfden dag reeds kennis met don Gaston,
die mij verrastte door zijn aangenaam uiterlijk en schoonheid. Stel
u nu eens voor hoe hij er uit moest zien om oogen te verblinden,
gewend aan de schitterende jonge edellieden van het Hof. Hij scheen
geschapen voor het geluk, een romanheld, bestemd om slapelooze nachten
te bezorgen aan prinsessen. Bovendien had de natuur, die meestal haar
giften een beetje verdeelt, hem veel geest en gevoel gegeven. Het
was een volmaakte edelman.
Wij bevielen elkaar en een vriendschapsband is spoedig gesloten
tusschen twee personen, die een ongelukkig lot samenbrengt. Gaarne
maakten wij gebruik van de vrijheid die ons was gegeven, om in elkaars
gezelschap te zijn.
Op een avond, dat ik zijn kamer binnenkwam, wilde hij juist op zijn
guitaar gaan spelen. Ik ging zitten en luisterde naar het lied,
dat hij er bij zong. De woorden handelden over de wreedheid van een
vrouw. "Daarover zult ge u wel nooit te beklagen gehad hebben?" zei ik
tegen hem. "Daarin zoudt ge u wel eens kunnen vergissen", antwoordde
hij. "Ik zal u daarvan een verhaal vertellen, dat tegelijkertijd de
geschiedenis van mijn ongeluk is."