HOOFDSTUK IV

Hoe Gil Blas behandeld werd in den toren van Ségovië en op welke

wijze hij de redenen van zijn gevangenneming vernam.

Men begon mij in een cachot te stoppen, waar men mij op het stroo

liet liggen als een gemeene misdadiger. Ik bracht den nacht door,

niet met toe te geven aan mijn droefheid, want ik overzag al mijn

leed nog niet, maar met het zoeken naar hetgeen mijn ongeluk kon

hebben veroorzaakt. Ik twijfelde er niet aan, of het was het werk

van Calderone. Maar al vermoedde ik, dat hij alles had ontdekt, ik

begreep niet, hoe hij den hertog de Lerme er toe had kunnen brengen,

om mij zoo wreed te behandelen. Nu eens verbeeldde ik mij, dat ik

buiten zijn medeweten was gevangen genomen en dan weer dacht ik, dat

hij om politieke redenen mij had laten opsluiten, zooals ministers

soms doen met hun gunstelingen.

Zoo bleef ik in gepeins verzonken tot het daglicht aanbrak en toen

eerst kon ik zien, in welk ellendig verblijf ik mij bevond. Ik

gaf mij toen aan mijn droefenis over en de tranen liepen mij langs

de wangen. Toen ik zoo zat, kwam er een gevangenbewaarder binnen,

die mij een stuk brood en een kruik water bracht. Hij scheen innig

medelijden met mij te gevoelen, al was hij dan ook een cipier, en zei:

"Mijnheer de gevangene, wanhoop niet. Ge moet niet zoo gevoelig zijn

voor den tegenspoed in het leven. Ge zijt nog jong; na dezen tijd

komt een andere. Eet intusschen het brood van den koning."

Mijn trooster ging weg na die woorden, die ik slechts met een zucht

beantwoordde.

Ik bracht een ellendigen dag door en werd tegen den avond opgeschrikt

door het rinkelen van sleutels. De deur van mijn cachot ging open en

een oogenblik later trad een man binnen, die een kandelaar droeg. Hij

zei: "Mijnheer Gil Blas, ge ziet een van uw oude vrienden voor u. Ik

ben don André de Tordesillas, die met u samenwoonde in Granada,

in dienst was van den aartsbisschop en op uw voorspraak een zending

kreeg naar Mexico. Inplaats echter van mij in te schepen, bleef ik in

Alicante, ik trouwde er en door een reeks van avonturen, die ge later

zult vernemen, ben ik gevangenbewaarder geworden in Ségovië. Een

groot geluk is het voor u in mij een man te ontmoeten, die niets

onbeproefd zal laten, om het harde van uw straf te verzachten. Er

is mij uitdrukkelijk last gegeven, u met niemand te laten spreken,

u op stroo te doen slapen en slechts water en brood tot voedsel te

geven. Maar behalve dat ik te menschlievend ben, om geen medelijden met

u te gevoelen, hebt ge mij een dienst bewezen en mijn dankbaarheid

weegt zwaarder dan de bevelen, die ik heb ontvangen. Sta op en

kom mee."

Hoewel de gevangenbewaarder zeker aanspraak mocht maken op mijn dank,

kon ik op dat oogenblik geen woorden vinden. Ik volgde hem over

een plaats, we beklommen vervolgens een trap en kwamen in een klein

kamertje, boven in den toren. Het zag er daar netjes uit, op de tafel

stonden twee kandelaars en er was gedekt voor twee personen.

Tordesillas zei: "Men zal dadelijk eten brengen. Wij zullen hier

soupeeren. Dit vertrekje heb ik voor u bestemd, ge zult het er beter

hebben dan in uw cachot. Het uitzicht is mooi, ge zult een goed

bed krijgen, goede voeding, boeken, zooveel ge wilt; in één woord

het verblijf zal u zoo aangenaam worden gemaakt, als dat voor een

gevangene mogelijk is."

Toen bedankte ik mijn bewaarder voor zooveel goeds en ik zei,

dat ik nog eens in de gelegenheid hoopte te komen, die te kunnen

vergelden. "En waarom zoudt ge die niet vinden?" vroeg hij. "Denkt

ge dan, dat ge voor altijd de vrijheid hebt verloren? Indien ge u

dat voorstelt, wil ik u wel verzekeren, dat ge u bedriegt. Ik durf

u verzekeren, dat ge over eenige maanden weer in vrijheid zult zijn."

"Wat zegt ge, don André? Het schijnt, dat gij er meer van weet",

zei ik.

Hij antwoordde mij: "Ik moet u bekennen, dat de gerechtsdienaar, die

u heeft hier gebracht, mij het verhaal heeft meegedeeld. Hij heeft

mij gezegd, dat ge op een nacht met den graaf de Lemos den prins hebt

gebracht bij een verdachte dame. Dat is den koning ter oore gekomen;

hij heeft den graaf verbannen en u naar hier gezonden om met alle

strengheid te worden behandeld."

Ons gesprek werd gestoord door bedienden, die brood, wijn, hazepeper

en een jong kalkoen binnenbrachten. Toen wij alles hadden, zond

Tordesillas de bedienden weg, zoodat wij vrijuit konden praten.

Mijn gastheer overlaadde mijn bord met vleesch, hij dacht zeker,

dat ik uitgehongerd was en had daar ook wel reden toe, om mijn

dieet van twee dagen. Maar mijn hart was te vol om met smaak te

kunnen eten, hoe goed de tafel ook was. Om mij wat afleiding te

geven, spoorde hij mij herhaaldelijk aan om te drinken en vertelde

mij allerlei histories, ook die van zijn huwelijk. Ik luisterde,

maar was zoo verstrooid, dat ik hem na afloop van het verhaal er

niets van had kunnen navertellen. Eindelijk stond hij van tafel op

en zei: "Mijnheer de Santillano, ga nu rusten, of liever gezegd,

over uw ongeluk denken, zooveel ge wilt. Maar ik herhaal u, het zal

niet van langen duur zijn. De koning is goedhartig van natuur en als

zijn toorn bedaard is en hij denken zal aan den treurigen toestand,

waarin hij zich verbeeldt, dat ge verkeert, dan zal hij u voldoende

gestraft achten." Na deze woorden ging hij weg, de lakeien kwamen

afnemen en namen zelfs de kaarsen mee zoodat ik naar bed ging bij

het licht van een lampje, dat aan den muur hing.

De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 2 van 2 De Spaansche Avonturier · 第 45 / 98 题