Hoe Gil Blas behandeld werd in den toren van Ségovië en op welke
wijze hij de redenen van zijn gevangenneming vernam.
Men begon mij in een cachot te stoppen, waar men mij op het stroo
liet liggen als een gemeene misdadiger. Ik bracht den nacht door,
niet met toe te geven aan mijn droefheid, want ik overzag al mijn
leed nog niet, maar met het zoeken naar hetgeen mijn ongeluk kon
hebben veroorzaakt. Ik twijfelde er niet aan, of het was het werk
van Calderone. Maar al vermoedde ik, dat hij alles had ontdekt, ik
begreep niet, hoe hij den hertog de Lerme er toe had kunnen brengen,
om mij zoo wreed te behandelen. Nu eens verbeeldde ik mij, dat ik
buiten zijn medeweten was gevangen genomen en dan weer dacht ik, dat
hij om politieke redenen mij had laten opsluiten, zooals ministers
soms doen met hun gunstelingen.
Zoo bleef ik in gepeins verzonken tot het daglicht aanbrak en toen
eerst kon ik zien, in welk ellendig verblijf ik mij bevond. Ik
gaf mij toen aan mijn droefenis over en de tranen liepen mij langs
de wangen. Toen ik zoo zat, kwam er een gevangenbewaarder binnen,
die mij een stuk brood en een kruik water bracht. Hij scheen innig
medelijden met mij te gevoelen, al was hij dan ook een cipier, en zei:
"Mijnheer de gevangene, wanhoop niet. Ge moet niet zoo gevoelig zijn
voor den tegenspoed in het leven. Ge zijt nog jong; na dezen tijd
komt een andere. Eet intusschen het brood van den koning."
Mijn trooster ging weg na die woorden, die ik slechts met een zucht
beantwoordde.
Ik bracht een ellendigen dag door en werd tegen den avond opgeschrikt
door het rinkelen van sleutels. De deur van mijn cachot ging open en
een oogenblik later trad een man binnen, die een kandelaar droeg. Hij
zei: "Mijnheer Gil Blas, ge ziet een van uw oude vrienden voor u. Ik
ben don André de Tordesillas, die met u samenwoonde in Granada,
in dienst was van den aartsbisschop en op uw voorspraak een zending
kreeg naar Mexico. Inplaats echter van mij in te schepen, bleef ik in
Alicante, ik trouwde er en door een reeks van avonturen, die ge later
zult vernemen, ben ik gevangenbewaarder geworden in Ségovië. Een
groot geluk is het voor u in mij een man te ontmoeten, die niets
onbeproefd zal laten, om het harde van uw straf te verzachten. Er
is mij uitdrukkelijk last gegeven, u met niemand te laten spreken,
u op stroo te doen slapen en slechts water en brood tot voedsel te
geven. Maar behalve dat ik te menschlievend ben, om geen medelijden met
u te gevoelen, hebt ge mij een dienst bewezen en mijn dankbaarheid
weegt zwaarder dan de bevelen, die ik heb ontvangen. Sta op en
kom mee."
Hoewel de gevangenbewaarder zeker aanspraak mocht maken op mijn dank,
kon ik op dat oogenblik geen woorden vinden. Ik volgde hem over
een plaats, we beklommen vervolgens een trap en kwamen in een klein
kamertje, boven in den toren. Het zag er daar netjes uit, op de tafel
stonden twee kandelaars en er was gedekt voor twee personen.
Tordesillas zei: "Men zal dadelijk eten brengen. Wij zullen hier
soupeeren. Dit vertrekje heb ik voor u bestemd, ge zult het er beter
hebben dan in uw cachot. Het uitzicht is mooi, ge zult een goed
bed krijgen, goede voeding, boeken, zooveel ge wilt; in één woord
het verblijf zal u zoo aangenaam worden gemaakt, als dat voor een
gevangene mogelijk is."
Toen bedankte ik mijn bewaarder voor zooveel goeds en ik zei,
dat ik nog eens in de gelegenheid hoopte te komen, die te kunnen
vergelden. "En waarom zoudt ge die niet vinden?" vroeg hij. "Denkt
ge dan, dat ge voor altijd de vrijheid hebt verloren? Indien ge u
dat voorstelt, wil ik u wel verzekeren, dat ge u bedriegt. Ik durf
u verzekeren, dat ge over eenige maanden weer in vrijheid zult zijn."
"Wat zegt ge, don André? Het schijnt, dat gij er meer van weet",
zei ik.
Hij antwoordde mij: "Ik moet u bekennen, dat de gerechtsdienaar, die
u heeft hier gebracht, mij het verhaal heeft meegedeeld. Hij heeft
mij gezegd, dat ge op een nacht met den graaf de Lemos den prins hebt
gebracht bij een verdachte dame. Dat is den koning ter oore gekomen;
hij heeft den graaf verbannen en u naar hier gezonden om met alle
strengheid te worden behandeld."
Ons gesprek werd gestoord door bedienden, die brood, wijn, hazepeper
en een jong kalkoen binnenbrachten. Toen wij alles hadden, zond
Tordesillas de bedienden weg, zoodat wij vrijuit konden praten.
Mijn gastheer overlaadde mijn bord met vleesch, hij dacht zeker,
dat ik uitgehongerd was en had daar ook wel reden toe, om mijn
dieet van twee dagen. Maar mijn hart was te vol om met smaak te
kunnen eten, hoe goed de tafel ook was. Om mij wat afleiding te
geven, spoorde hij mij herhaaldelijk aan om te drinken en vertelde
mij allerlei histories, ook die van zijn huwelijk. Ik luisterde,
maar was zoo verstrooid, dat ik hem na afloop van het verhaal er
niets van had kunnen navertellen. Eindelijk stond hij van tafel op
en zei: "Mijnheer de Santillano, ga nu rusten, of liever gezegd,
over uw ongeluk denken, zooveel ge wilt. Maar ik herhaal u, het zal
niet van langen duur zijn. De koning is goedhartig van natuur en als
zijn toorn bedaard is en hij denken zal aan den treurigen toestand,
waarin hij zich verbeeldt, dat ge verkeert, dan zal hij u voldoende
gestraft achten." Na deze woorden ging hij weg, de lakeien kwamen
afnemen en namen zelfs de kaarsen mee zoodat ik naar bed ging bij
het licht van een lampje, dat aan den muur hing.