Van de toebereidselen voor het huwelijk van Gil Blas en van de groote
gebeurtenissen, die ze overbodig maakten.
Laten wij terugkeeren tot mijn schoone Gabrielle. Ik moest haar dus
binnen acht dagen trouwen. Wij bereidden ons beiden op die plechtigheid
voor. Salero liet rijke kleeren maken voor de bruid en ik huurde voor
haar een kamenier, een lakei en een ouden stalknecht, allen gekozen
door Scipio, die nog met meer ongeduld dan ik den dag afwachtte,
waarop mij de bruidschat zou worden uitgekeerd.
Den avond voor dien grooten dag, soupeerde ik bij den schoonvader
met ooms en tantes, neven en nichten. Ik huichelde heel goed den
dankbaren schoonzoon, betuigde den goudsmid en zijn vrouw honderdmaal
mijn erkentelijkheid, speelde den hartstochtelijk verliefde bij het
meisje, maakte mij aangenaam bij alle leden van de familie, wier
platte conversatie en burgerlijke manieren mij aanstoot gaven. Er
was er niet een, die zich niet verheugde over deze verbintenis.
Toen het souper geëindigd was, ging het gezelschap naar een groote
zaal, waar een concert was, dat hoewel niet door de eerste krachten
van Madrid gegeven, toch niet slecht was. De muziek deed ons zoo
aangenaam aan, dat er zelfs gedanst werd.
Bij het weggaan zei Salero: "Adieu schoonzoon, ik zal u morgen den
bruidschat komen brengen in schoone gouden stukken." Ik antwoordde:
"Mijn waarde schoonvader, ge zult mij welkom zijn." Na de familie te
hebben gegroet, stapte ik in mijn rijtuig, dat voor de deur op mij
wachtte en ging naar huis.
Nauwelijks was ik tweehonderd pas van het huis van Gabriel verwijderd,
of vijftien of twintig man, sommigen te voet en anderen te paard, allen
gewapend met rapieren en karabijnen, omringden mijn rijtuig, hielden
het aan en riepen: "In naam des konings!" Zij lieten mij uitstappen en
plaatsten mij in een koets, waarin ook de aanvoerder stapte, die daarna
zei, dat men de richting moest inslaan naar Ségovië. Ik onderstelde,
dat ik een gerechtsdienaar naast mij had en wilde hem ondervragen over
de redenen van mijn gevangenneming, maar hij antwoordde mij op den
toon van die heeren, d.w.z. brutaal, dat hij mij geen rekenschap had
te geven. Ik zei hem, dat men zich misschien vergiste. "Neen, neen,
ik ben zeker van mijn zaak. Ge zijt mijnheer de Santillano en ik heb
opdracht u te brengen, waar ge nu heengevoerd wordt." Daar ik niets op
die woorden te zeggen had, zweeg ik verder. Het overige van den nacht
reden wij in stilte door. Wij verwisselden van paarden te Colmenar en
kwamen tegen den avond in Ségovië, waar men mij in den toren opsloot.