HOOFDSTUK II

Door welk toeval Gil Blas zich don Alphonse de Leyva herinnerde en

van den dienst, dien hij hem, uit ijdelheid bewees.

Laten wij mijn huwelijk een oogenblik rusten. De volgorde in mijn

geschiedenis eischt, dat ik vertel van den dienst, dien ik bewees

aan don Alphonse, mijn ouden meester. Ik had dien edelman bijna

geheel vergeten en ziehier bij welke gelegenheid ik weer aan hem

werd herinnerd.

In dien tijd kwam de betrekking van gouverneur der stad Valencia

vacant. Toen ik dit nieuws vernam, dacht ik aan don Alphonse de

Leyva. Die betrekking zou bij uitstek voor hem geschikt zijn en

minder misschien uit vriendschap dan uit zucht om te pralen, vroeg

ik haar voor hem; als dat gebeurde, zou het een buitengewoon groote

eer voor mij zijn. Ik richtte mij dus tot den hertog de Lerme, zei,

dat ik intendant was geweest van don Cesar de Leyva en zijn zoon,

dat ik alle redenen had om hen te prijzen en dus voor een van hen

die betrekking vroeg. De minister antwoordde mij: "Zeer gaarne, Gil

Blas. Het doet mij genoegen te zien, dat je dankbaar bent. Overigens

sprak je van een familie voor welke ik achting heb. De Leyva's zijn

goede dienaren van den koning, zij verdienen die plaats wel. Beschik

daarover naar goedvinden. Ik geef je haar als bruidsgeschenk."

Ten zeerste erover verheugd, dat mijn plan zoo goed was geslaagd,

ging ik zonder tijd te verliezen naar Calderone, om de zaak in orde te

laten maken. Er waren vele personen bij hem, die in eerbiedige stilte

wachtten, tot Rodrigo hen audiëntie wilde verleenen. Toen hij mij zag,

brak hij plotseling het gesprek, waarin hij met een van de heeren

gewikkeld was, af en kwam naar mij toe met een zoo vriendschappelijke

begroeting, dat ik er verbaasd over was. "Wel mijn waarde collega,

wat verschaft mij het genoegen u te zien? Waarmee kan ik u van

dienst zijn?"

Toen ik hem vertelde, welke de zaak was, die mij tot hem voerde,

gaf hij mij dadelijk de verzekering, dat den volgenden morgen de

noodige stukken zouden gereed zijn. Hij bepaalde zich niet tot die

beleefdheid, maar bracht mij zelf naar de deur van de antichambre,

wat hij anders nooit deed, dan bij zeer groote heeren.

Onder het heengaan dacht ik: "Wat beteekent al die beleefdheid? Zou

Calderone het op mijn val toeleggen? Of wil hij mijn vriendschap winnen

en probeeren nu zijn gelukster aan het dalen is, dat ik hem in een

gunstig licht zal stellen bij onzen patroon?" Ik wist niet, waaraan

ik mij te houden had. Den volgenden morgen nam hij weer diezelfde

houding tegenover mij aan. Tegen andere menschen met wie hij sprak,

was hij dien morgen al zeer onbeleefd, den een snauwde hij af, voor

den ander had hij geen woord over; maar ze werden allen gewroken door

een voorval, dat ik niet met stilzwijgen mag laten voorbijgaan.

Een zeer eenvoudig gekleed man, die er uitzag alsof hij beneden zijn

stand gekleed was, naderde Calderone en sprak hem van een zekere

memorie, die hij bij den hertog de Lerme had ingediend. Don Rodrigo

keek den spreker nauwelijks aan en zei op bruusken toon: "Hoe heet

ge?" Hij kreeg tot antwoord: "Men noemde mij in mijn jeugd Francillo,

later don Francisco de Zuniga en thans graaf de Pedrosa". Calderone,

die nu merkte, dat hij met iemand van den hoogsten stand te doen

had, wilde zich nu verontschuldigen. "Neem mij niet kwalijk, ik

kende u niet...." De ander viel hem in de rede: "Ik bedank voor uw

verontschuldigingen, evenals voor uw onbeleefdheden. Een secretaris

van een minister moet iedereen beleefd ontvangen. Wees, als ge wilt,

ijdel genoeg om u te beschouwen als den plaatsvervanger van uw meester,

maar vergeet niet, dat ge zijn ondergeschikte zijt."

De trotsche don Rodrigo was niet weinig uit het veld geslagen door die

vermaning. Ik voor mij leerde er uit, dat ik in het vervolg goed zou

opletten tegen wien ik sprak op mijn audienties en alleen onhebbelijk

zou zijn tegen doofstommen.

Daar de papieren van don Alphonse gereed waren, zond ik die per

expresbode met een brief van den hertog de Lerme, waarin deze

hem kennis gaf, dat de koning hem had benoemd tot gouverneur van

Valencia. Ik voegde er geen brief van mezelf bij over mijn bemoeiïngen

in deze zaak, maar wilde het genoegen hebben dit hem mondeling mee

te deelen, als hij naar Madrid moest komen om den eed af te leggen.

De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 2 van 2 De Spaansche Avonturier · 第 43 / 98 题